Citation
Nederlandsch-Karosche woordenlijst

Material Information

Title:
Nederlandsch-Karosche woordenlijst
Series Title:
Uitgaven van het Bataksch Instituut, No. 19
Creator:
Joustra, Meint, 1871-1926 ( Author, Primary )
Place of Publication:
Leiden
Publisher:
S.C. Doesburgh
Publication Date:
Language:
Dutch
Batak
Physical Description:
103 pages; 19 cm
Measurements:
103 pages; 19 cm in

Subjects

Subjects / Keywords:
Azië -- Indonesië -- Sumatra
Batak language ( lcsh )
Karo-Batak dialect ( lcsh )
Bahasa Karo
Dutch language -- Dictionaries
Batak language -- Dictionaries
Genre:
Dictionary
dictionary ( marcgt )
Spatial Coverage:
Asia -- Indonesia -- Sumatra
Coordinates:
0 x 102

Notes

General Note:
VIAF (Name Authority) : Joustra, Meint, 1871-1926 : URI http://viaf.org/viaf/19585331

Record Information

Source Institution:
SOAS University of London
Rights Management:
This item is licensed with the Creative Commons Attribution Non-Commerical License. This license lets others remix, tweak, and build upon this work non-commercially, and although their new works must also acknowledge the author and be non-commercial, they don’t have to license their derivative works on the same terms.
Resource Identifier:
636056621 ( oclc )
IBK Bat 413 / 75697 ( soas classmark )

Downloads

This item has the following downloads:


Full Text
Uitgaven van het Bataksch Instituut .No. 19.
Nederlandsch-Karosche
WOORDENLIJST
DOOR
M. JOUSTRA
Tweede, vermeerderde druk.
Venus Serines
Prijs............................... Æ’ 2.75
Voor begunstigers en leden. - 1.75
S. Q. VAN DOESBURGH.
Leiden — 1922.




Nederlandsch-Karosche Woordenlijst.


Stoomdrukkerij LOUIS H. BECHERER - LEIDEN.


Het Bataksch Instituut, opgericht 30 September 1908 en
gevestigd te Leiden (Schelpenkade 39), stelt zich ten doel:
a. het verzamelen van zoo volledig mogelijke gegevens betref-
fende de Bataklanden en hun bewoners, daaronder begrepen gegevens
betreffende den invloed door buurvolken geoefend
b. het dienstbaar maken van deze gegevens aan het welzijn van
de bewoners der Bataklanden, aan hun ontwikkeling, eH aan onze
betrekkihgen met hen.
Ieder, ook een rechtspersoonlijkheid bezittende vereeniging of
een vennootschap, kan toetreden als donateur, begunstiger of lid.
Donateurs zijn zij, die een jaarlijksche bijdrage van ƒ 25.— of
meer geven, of die een som van ƒ 100.— of meer in eens storten;
begunstigers zijn zij, die een jaarlijksche bijdrage van Æ’ 2.50 tot
ƒ 25.— geven, of die een som van ƒ 25.— tot ƒ100.— in eensstorten;
de overige contribuanten, die ten minste ƒ 1.— ’s jaars moeten bij-
dragen, zijn leden. Men wordt contribuant door aanmelding bij een
der leden van het directorium.
De contributie loopt van 1 Januari tot 31 December van elkjaar.
Aan de donateurs worden de uitgaven van het instituut koste-
loos verstrekt.
Het directorium bestaat uit de heeren dr. C W. Janssen (Amster-
dam), prof. dr. A. W. Nieuwenhuis (Leiden), prof. J. C. van Eerde,
(Amsterdam), archivaris is de heer M. Joustra (Leiden), penning-
meester de heer F. de Bruijn (Amsterdam).




Uitgaven van het Bataksch Instituut No. 19.
Nederlandsch-Karosche
WOORDENLIJST
DOOR
M. JOUSTRA
Tweede, vermeerderde druk.
VCNTIS öeöiTUS
S. C. VAN DOESBURGH.
Leiden — 1922.




Voorbericht voor den eersten druk.
Deze Nederlandsch-Karosche woordenlijst bedoelt niet een ook
maar eenigszins volledig woordenboek te zijn. Het Bataksch Instituut
wil met de uitgaaf van dit werkje (dat Weldra zal worden gevolgd
door een soortgelijk voor het Tabaasch en een voor het Mandai-
lingsch dialect) een totnogtoe ontbrekend eenvoudig hulpmiddel ver-
schaffen bij het leeren van het Bataksch, terwijl bij de samenstelling
tevens is gedacht aan een gebruik door die Bataks — en hun aantal
neemt aldoor toe —, die zich op het Nederlandsch toeleggen. Het
is vooral met het oog op de laatsten — maar ook voor de Neder-
landsche gebruikers niet zonder nut —, dat ter verduidelijking en
ter vermijding van het verkeerd gebruiken van een woord, zeer veel-
vuldig een korte omschrijving, aanwijzing of toelichting tusschen
haakjes [] achter het Nederlandsche woord is gevoegd.
De spelling der Bataksche woorden sluit zich zooveel mogelijk
aan bij die, welke voor het Maleisch door de regeering gewenscht
wordt blijkens Bijblad 5821.
De gerekt uitgesproken a, e (niet de ë), i, o en oe worden aan-
geduid door ä, ê (vooral niet uit te spreken als de ê in être, maar
ongeveer als de Atjèhsche eu, Gajosche ö), i, ó en oê; voor de ge-
rekt uitgesproken ë werd geen dubbel teeken noodig geacht, daar
deze ë alleen en steeds voorkomt in de eindlettergreep ën.
Nog zij opgemerkt, dat de lettergreep waarin een gerekten klin-
ker voorkomt steeds den klemtoon heeft.
De Karosche werkwoorden worden in den regel weergegeven
door den vervoegden vorm van den eersten persoon enkelvoud
(koe -|- werkwoordstam), bij uitzondering door dien van denderden
persoon (i -|- werkwoordstam), terwijl de nominale (deelwoordelijke)
vorm — soms zijn er twee — tusschen boogjes () daarop volgt. Ont-
breekt deze in de lijst dan wil dit zeggen, dat die vorm naar des
schrijvers weten niet voorkomt. Bij twijfel daaromtrent is dit met
een (?) aangegeven.
Voor op- en aanmerkingen en aanvullingen, die de practische
waarde van het werkje bij een eventueelen herdruk kunnen verhoo-
gen, houdt de. sehrijver zich ten zeerste aanbevolen.
LEIDEN, December 1911.




Voorbericht voor den tweeden druk,
Wat de lijst der woorden betreft, deze is geheel dezelfde als die
van den eersten druk. Ter verhooging echter van de bruikbaarheid
van het werkje, vooral met het oog op die Europeanen, die meer-
malen de Karo-hoogvlakte bezoeken of er langer of korter ver-
blijven en in verband daarmede gaarne iets van de taal willen
leeren verstaan, leek het niet ondienstig, om bij wijze van inleiding
le. eenige korte, spraakkunstige aanteekeningen te geven, inzonder-
heid iets te vermelden omtrent de meest gebruikelijke voor- en
achtervoegsels;
2e. behalve de vele, in den tekst voorkomende, nog eenige typische
gezegden en uitdrukkingen op te nemen, die een indruk geven
van de wijze waarop de Karo-Batak zijn gedachten uit.
Veel is het niet, maar een eenigszins volledige spraakkunstige
toelichting zou te uitvoerig worden. Overigens heeft, naar mij werd
medegedeeld, zendeling Neuman een korte spraakkunstige schets
samengesteld, die is of zou worden opgenomen in het Tijdschrift
v. h. Bat. Gen. v. K. en W.
Wie dus iets meer van de spraakkunst wil weten, zoeke het daar
DE SCHRIJVER.
LEIDEN, April 1922.




INLEIDING
Het voorvoegsel er-.
Dit voorvoegsel, dat voor woorden met een klinker beginnend r
wordt, vormt van andere woordsoorten een klasse van woorden, die van
Bataksch standpunt eigenlijk alle als bijvoegelijke naamwoorden
zouden moeten worden beschouwd, maar die in de vertaling dikwijls
door werkwoorden, en dan in den regel door o n o v e r ga n k e 1 ij k e
worden weergegeven. Geplaatst voor een woord, dat als stam van een werk-
woord is te beschouwen, vormen zij, in tegenstelling met de zoogenaamde
actieve, door een neusletter gevormde, de zoogenaamde mediale werkwoorden,
heel dikwijls met een wederkeerende of ook wederkeerige beteekenis. Zeer
dikwijls kan ook door dit voorvoegsel, geplaatst voor een zelfstandig naam-
woord, ons hebben worden weergegeven, of beantwoordt het aan ons -ig
of aan ons ge.....t, ge......d in woorden als gerokt, gebloemd.
Eenige voorbeelden mogen het hier gezegde verduidelijken.
koeah até, medelijden; erkoeah até, medelijdend, medelijden hebben.
doeri, doren, erdoeri, doornig, met dorens, dorens hebben.
toeah. zegen; ertoeah, gezegend.
dalin, weg; erdalin, loopen, reizen.
oekoer, verstand, rede; roekoer, denken.
oelih, opbrengst bijv, van de jacht; roelih, veel vangen, gelukkig zijn op
de jacht.
doehap (ww.), erdoehap, zich het gelaat wasschen.
boerih (yrw.), erboerih, zich de handen wasschen.
demoe (ww.), erdemoe, tegen elkaar aankomen, aan elkaar grenzen.
Een andere wijze om de wederkeerigheid uit te drukken is die door
middel van woordherhaling, gepaard met het voorvoegsel si- en het achter-
voegsel -en: sibedil-bedilen, elkander beschieten.
Het voorvoegsel m e-
Meer nog dan er- dient het voorvoegsel me- om bijvoegelijke naam-
woorden te vormen. Opgemerkt dient te worden, dat le. veel bij voegelijke
naamwoorden het voorvoegsel me- niet hebben, bijv, latih, vermoeid; bajak,
rijk; gajang, lief; 2e. in plaats van me- een neusklank [welke, hangt af
van de beginletter van het woord] voorkomt, bijv, ndaoeh, ver; nggedang,


XII
lang; mbelin, groot; nteboe, zoet; ntabeh, lekker; 3e dit me- (of de neus-
klank) verdwijnt bij den vergrootenden trap, bijv.: megandjcing, hoog;
gandjangen, hooger; mbelin, groot, beliden. grooter.
De neusklank bij werkwoorden.
Bij de bespreking van het voorvoegsel er- werd reeds terloops opge-
merkt, dat de zoogenaamde actieve werkwoorden door middel van een
neusklank worden gevormd. Eigenlijk is die vorm met neusklank geen
werkwoord, maar het bedrijvend deelwoord. Van de overgankelijke
werkwoorden (en van een paar onovergankelijke) komen twee vormen voor:
één met, en één zonder neusklank. De vorm met den neusklank wordt ge-
bruikt, als het overigens overgankelijke werkwoord om zoo te zeggen
onovergankelijk wordt gebruikt, d.w.z. als er geen voorwerp bij genoemd
wordt, of, zoo het voorwerp al genoemd wordt, niet hierop, maar óf op de
handeling óf op den handelenden persoon de nadruk wordt gelegd; voorts
bij handelingen van eenigszins langen duur. Valt daarentegen de nadruk op
het voorwerp der handeling, dan wordt de vorm zonder neusletter ge-
bruikt. Dien vorm noemt men wel den vervoegden vorm (zie
beneden), omdat daarbij het werkwoord en het onderwerp (hetzij dit een
persoonlijk voornaamwoord of een zelfstandig naamwoord is) zóó innig met
elkaar verbonden zijn, dat bijv, bepalende woorden als enggo, reeJs, al;
langnga, nog niet, enz. niet tusschen die twee kunnen worden geschoven.
Welken neusklank men bezigt, hangt af van de beginletter van het
grondwoord; begint het grondwoord zelf reeds met een neusklank of met
een der vloeiende letters l of r, dan is het voorvoegsel steeds nge. Van de
verschillende gevallen volgen hier telkens twee voorbeelden:
atas, ngatasi; fraai wit stampen
[de rijst].
idah, ngidah; zien.
kilang, ngkilangi; knevelen, ver-
drukken.
koeroek, ngkoeroek; graven.
getoek, nggetoek; knijpen [met de
nagels].
goeloet, nggoeloeti; verontrusten.
boenoeh, moenoeh; dooden.
bahan, mahan; doen, maken,
pahat, mahat; beitelen.
pilih, milih; kiezen.
dahi, ndahi; [naar iemand] toegaan,
daram, ndarami; zoeken.
djemak, ndjemak; grijpen.
djaga, ndjagaï; bewaken.
tjikep, ntjikep; aangrijpen, [metde
hand] vasthouden.
tjoeba, ntjoeba; beproeven.
toetoe, noetoe; stampen [rijst e. d.]
tawar, nawari; met tegengif be-
handelen.
salih, nalikken ; veranderen,
sapoe, napoeï; vegen, wrijven.
nehen, ngenehen; kijken.
nanam,ngenanami; proeven, onder-
vinden.
lawes, ngelawesi; passeeren, voor-
bijgaan.
rëwas, ngerêwas; slaan.


XJII
Vervoegde vormen.
De persoonlijke voornaamwoorden zijn: akoe, ik; engko {ko), jij [beleefd
kam: gij]; ia, hij, zij, kita, wij (de aangesprokene inbegrepen); kami, wij (de
aangesprokene buitengesloten); kam, gij [hiernaast een beleefde, vooral
onder vrouwen gebruikelijke vorm: kéna}-, ia, zij. Bij de vervoeging echter
heeft er bij enkele eenige vormverandering plaats. Men prente daarom den
vervoegden vorm goed in het geheugen, waartoe onderstaand voorbeeld
moge dienen:
Äoetoekoer, ik koop [het]; ztoekoer ko, jij koopt [het]; (beleefd: ztoekoer
kam); ztoekoerzzzz, hij, zij koopt [het]; sztoekoer, wij {kita) koopen [het];
ztoekoer kami, wij {kami) koopen [het]; ztoekoer kam {kéna), gij koopt
[het]; ztoekoerna, zij koopen [het.]
Boven werd reeds in het algemeen de regel opgegeven, wanneer het
w.w. met neusklank (de deelwoordelijke vorm), wanneer de vervoegde vorm
wordt gebruikt. Ter verduidelijking volgen hier een paar voorbeelden.
Zij is aan ’t rijst stampen, noetoe (van toetoé) pagé ia-, zij heeft de rijst
al gedroogd [in de zon], maar nog niet gestampt, enggo ldjemoernapagé,
tapi langnga itoetoena; hij is naar de benedenlan len om zout te halen,
kahé ia ngelegl sira. Het zout, dat hij gehaald heeft, verkoopt hij op de
hoogvlakte, sira si[n] llegina idajakenna z goegoeng-, gij zult niet dooden,
ola [kam] moenoeh; dood [jij] die hagedis niet, ola boenoeb [of:
lboenoeh ko] ilik é; ik (met nadruk) heb het mes niet weggenomen, sebo
akoe [si] moeat piso é; wie heeft het weggenomen? isé moeatszz?
Twee voorbeelden van vervoeging van onvergankelijke werkwoorden
Itarëna koedas, hij zag naar boven; ikabangina koeleroeh, hij [de vogel]
vloog naar beneden.
Het voorvoegsel ter-.
In een paar afleidingen komt nog de oorspronkelijke beteekenis van dit
voorvoegsel uit: tertiwen, tot aan de knieën; terawak, tot het middel, enz.
Voor den stam van een werkwoord geplaatst vormt het het lijdend ver-
leden deelwoord, gewoonlijk echter met het nevenbegrip van: bij ongeluk,
niet met opzet, toevallig; terantoek, zich (bij ongeluk) gestooten hebben;
terkatjip, in de klem geraakt. Veel wordt deze vorm met ter- gebruikt in
verbinding met het bijwoord van ontkenning, la: la tertahan, niet om uit te
houden; la teridah, niet te zien, onzichtbaar, enz.
Het voorvoegsel tji-
Dit komt slechts bij enkele woorden voor, die dan de beteekenis krijgen
van een wederkeerend werkwoord, van een zoeken naar wat het grondwoord
uitdrukt: tjilaslasi, zich in de zon koesteren, de zonnewarmte opzoeken;
tjitjoedoe, zich bij ’t vuur koesteren; tjiligeni, schuiling zoeken, tjitjio, zich
voor den regen schuilen.


XIV
Het voorvoegsel ki-.
Ook dit wordt slechts voor enkele zelfstandige naamwoorden geplaatst
en beteekent dan het zoeken of winnen van die zaak: kiketang, rotan gaan
verzamelen.
Het voorvoegsel pe-.
Dit voorvoegsel dient tot vorming van werkwoorden met, in het algemeen
gesproken, causatieve beteekenis: pehoeli, verfraaien, in orde brengen (van
oeli, mehoeli, mooi, goed), pedjoré, regelen (van djoré, in orde zijn) enz. Soms
zit er iets van een wederkeerige beteekenis in: peképar, over en weer, van
weerszijden; petoendal, met den rug naar elkaar toe. Uit de vertaling blijkt
hoe dus soms onze bijwoordelijke uitdrukking in het Karoosch door een
werkwoordsvorm kunnen worden weergegeven. Een eigenaardig voorbeeld
geven de volgende uitdrukkingen: Peteloekaliken, voor de derde maal,pedoea
oeariken, op den tweeden dag.
De voorvoegsels- per- en pe- (+ een neusklank).
Deze voorvoegsels hangen om het zoo uit te drukken samen met resp.
het voorvoegsel er- en den neusklank, dienende tot vorming der deelwoorden.
Men vormt hiermede zelfstandige naamwoorden; de beteekenis,
die deze voorvoegsels aan het woord geven, kan nog al verschillend zijn.
Wat per- aangaat moet ook nog vermeld worden, dat dit,verbonden met een
telwoord, een werkwoord vormt, met de beteekenis van :maken tot....;
verdeelen in...., bijv, persada, tot één maken, samenvoegen; perdoea,
in tweeën deelen enz. De met de genoemde voorvoegsels afgeleide woorden
nemen ook nog wel het achtervoegsel -en aan, een enkele maal ook -i.
De groote verscheidenheid in beteekenis moge uit een aantal voorbeelden
blijken:
perpola, iemand, die palmwijn (pola) wint, perdjamboer, jongeling of
i. h. algem. iemand, die in de djamboer (het dorpshuis) slaapt; pertoerah,
het opkomen, de wijze, waarop een plant opkomt; perpedemen, slaapplaats,
permakan, herder, hoeder, pengidah, het zien; pengenehenen, het gezicht
(zintuig), pemegi, het gehoor, pengkaml, hengelaar; pengaroesi, zoengeld,
geld, om te maken dat iets, dat eigenlijk niet mocht, geoorloofd wordt
gemaakt; pengerangkapi, lap (op een kleed), enz , enz.
Het achtervoegsel -en.
Dit verricht verschillende functies. O. a. dient het ter vorming van den
vergrootenden t r a p: mboeé, veel, boeén (eigenl. boeë -|- en), meer;
htabeh, lekker, tabehen, lekkerder; of wel het drukt een versterking
uit: mesoei, pijn hebben (momenteel), soeïn, aldoor lijdende zijn; of een
meervoud: maté, dood, maten, in menigte sterven; of een: lijden aan of door,


XV
last hebben van, behept zijn met: panas, zweet, panasen, zweeten; rengit,
muskiet, rengiten-, last van muskieten hebben; koedil, schurft, koedilen, aan
schurft lijden.
Bij de vorming van zelfstandige naamwoorden speelt het voorts een
groote rol; bijv, inem, drinken, inemen, drank; poeloeng, verzamelen, poe-
loengen, ingrediënten, dingen, die men voor iets bijeenbrengen moet. Heel
dikwijls kan men zoo’n woord, als het van een werkwoord is afgeleid, in
het Nederlandsch niet met een zelfstandig naamwoord vertalen; bijv, daram,
zoeken, daramen, dat wat men heeft te zoeken, iets om te zoeken; legi,
halen, legin, iets dat men moet gaan halen. Vaak wordt er dan het voorzetsel
man = tot, voor geplaatst.
Is zoo’n zelfstandig naamwoord een afleiding van een werkwoord op-Zeen,
dan gebruikt men niet het achtervoegsel -en, maar -enken. Bijv.: Ik heb iets
te zeggen = Lit [man] katankenkoe, (letterlijk: er is mijn „zegsel”) van
kataken, iets zeggen, bevelen.
De achtervoegsel -ken en -Z.
Deze achtervoegsels dienen vooral om eigenlijke, d. i. overgankelijke
werkwoorden te vormen. In het algemeen kan men zeggen, dat -ken beant-
woordt aan ons ver-, en -i aan ons be-, bijv, tengesken, verzenden; barbari,
bekappen. Daarmede is echter niet alles gezegd. Uit eenige voorbeelden
moge blijken, welke verschillende beteekenissen deze achtervoegsels kunnen
hebben.
benterken, werpen met [een steen bijv.], benteri, naar iemand gooien;
kabangken, met [iets] wegvliegen, begiken, hooren naar..., gehoorzamen,
genditken, iets als gordel (gendit> dragen, pangani, veel van iets eten,
boekbaki, villen; koetoeï, ontluizen, balbalï, herhaaldelijk of aldoor slaan.
Het voorvoegsel ke- + het achtervoegsel -en.
Hiermede worden gevormd: 1°. b ij v. naamwoorden, die de betee-
kenis hebben van een getroffen zijn, overvallen zijn, te lijden hebben enz.
door wat het grondwoord aangeeft: kegelapen, door het donker overvallen
zijn, bij donker aankomen; kelehén, uitgehongerd (van melehë, hongerig);
kebenén, iets verloren hebben, een verlies lijden, enz. 20. zelfstandige
naamwoorden, beantwoordende aan onze afgeleide substantieven op
-heid, -dom, -schap e. d.; bijv, keradjdn, koninkrijk, koningschap; kegeloehen,
het leven; keboedjoeren, goedheid, rechtvaardigheid. In sommige gevallen
bestaat van deze afleiding een nevenvorm, een combinatie van ke -|- an met
het invoegsel -Zn-; de e van ke wordt dan ook Z; bijv, kinioelin, schoonheid,
van mehoeli, mooi, goed.


XVI
Eenige uitdrukkingen en zegswijzen.
Kai atêndoe ? Wat wilt ge ? Wat
is er van je verlangen?
Kai pë läng. Niets bijzonders, ik
verlang niets.
Kai dahïnndoe koedjênda? Wat
komt ge hier doen.
Koedahi toean, atëkoe. Ik wou mijn-
heer spreken [opzoeken].
Piga kalak kam? Met uwhoevelen
zijt gij ?
Kami lima kalak. Wij zijn met ons
vijven.
Piga kam semboejak ? Met hoevelen
broers en zusters zijt gij ?
Erbapa akoe koe kam. Ik moet
„vader” tegen U zeggen.
Si Keling kadëndoe ? Wat is Keling
van je? (welke familie?)
Kadëndoe mesoei ? Wat doet je
zeer; waar heb je pijn?
Kalak si nterem. De menigte, het
publiek.
Nterem kalak. Veel menschen.
Melala batang doerïn i kerangen ë.
In dat bosch zijn veeldoerian-
boomen.
Mboeah pagëta ’tahoen ënda. We
hebben dit jaar veel rijst (een
goeden rijstoogst).
Mboeë serpina. Hij heeft veel geld,
[dollars, rijksdaalders].
Koega [i] akap kam? Hoe vindt
gij het?
Mehoeli koeakap. Ik vind het mooi.
Mokoep siakap. Wij hebben het
warm.
Asakai hergana rimo ë? Wat [hoe-
veel] kosten die citroenen?
Asakai kalak si soein itambarina.
Alle zieken [zoovelen als er
ziek waren] gaf hij genees-
middelen.
Di erkata radja, la bantji läng reh.
Als de vorst bericht stuurt,
moet men komen.
Ipaloena goeng, la erkata. Hij sloeg
op de gong, maar die gaf geen
geluid.
Oeiskoe kap ë. Dit is mijn kleed.
Bagë me kap. Zoo i s het.
Batang tjingkam natëna, kepë nahë
gadjah. Hij meende, dat het
een tjingkamstam was, maar 't
was de poot van een olifant.


A.
Aaien, koesapoe-sapoeï (napoe-na-
poeï).
Aal, beloet; [een groote soort], doeng-
doeng.
Aalmoes, ngaroeh.
Aambeeld, nanggar; [het blok waar-
in het — bevestigd is], landasen.
Aamborstig, asek-aseken.
Aan [voorzetsel], i, ibäs [ook voor: op
te, in, enz.]; hij heefteen teeken
aan zijn lichaam, lit tandana ibäs
koelana[datief], man; geef het aan
mij, bereken man ba’ngkoe; [tot],
man, tarê, ngata, empak; ik heb het
aan hem gezegd, koekataken man
bana, of . . . tarê (kata, ngata,
empak) ia; dikwijis wordt ons voor-
zetsel aan (evenzoo te, op, in enz.)
weergegeven door een achtervoeg-
sel (-i; -ken) bij een werkwoords-
stam; [bijw.], aan zijn [van vuur,
een lamp], galak, gara.
Aanbaksel, [aan een rijstpot van
binnen], koeskoes; [het zwarte aan-
baksel aan een pijp], tasi; [aan een
kookpot] tenggoeang.
Aanbeteren, madän.
Aanbetrouwen, koeendesken (ngen-
desken); [in bewaring geven], koe-
pelimiken (pelimiken).
Aanbevelen, koeendesken (ngen-
desken).
Aanbiddelijk, si [man] sembahen.
Aanbidden [vereeren], ersembah koe
. . . ; [aanroepen], koetotoken
(ertotoken); ertoto koe. . .
Aanbieden, koedoedoerken (’ndoe-
doerken); koeantari (ngantari).
Asnbijten [van visch], besik.
Aanbinden [een paard aan een boom
bijv.], koetambatken (nambatken).
Aanblazen, koeemböes (ngemboes),
koesempoel (nempoel).
Aanblik, tatapen.
Aanklikken, koepernehen (perne-
hen).
Aanbonzen, koedempar (’ndempar),
koedoempoer (’ndoempoer); [tegen
elkaar —], sitendenzen.
Aanbotsen — aanbonzen.
Aanbouwen [uitbouwen], een huis
aanbouwen, koeambihi (ngambihi);
aan een huis aanbouwen, koeam-
bihken (ngambihken).
Aanbouwsel [uitbouwsel], soeram-
bih, oembi.
Aanbranden [aangebrand], meseng;
Aanbreken [aangebroken], sêh; het
aanbreken van den ochtend, pe-
doedoe siang.
Aanbrengen [een klacht, een recht-
zaak —], koeadoeken (ngadoeken);
[aanvoeren], koetaroehi (naroehi);
[hout — voor het bouwen van een
huis], koekajoeï (’ngkajoeï); [iets
aanbrengen aan iets], koetama
(nama)
Aanbrenger [aanklager], si ngadoe;
[aanvoerder, geleider], si naroeh.
Aandachtig, megermet; ngedeng;
taman.
Aandeel, adjang, keradjang; bagin;
oentoeng, oentoengen; batiren.
Aandenken, tanda, tanda peringeten;
[aan een overledene], permaneh-
-manehen.
Aandoen [een kleedingstuk —], koe-
seloek (erseloek, neloek); [onder-
weg een dorp —], koesinggahi
(ninggahl).
Aandragen, koebaba (maba), koeba-
baï (mabaï).
Aandrift [inborst], tempas.
Aandringen [aansporen, aanzetten],
koeadjoek (ngadjoek); [op betaling
—], koetoenggoe (ertoenggoe).
Aandrukken, koedehken (’ndeh-
ken).


AANDUIDEN.
- 2 -
AANLEUNEN.
Aanduiden [aanwijzen], koetoedoeh-
ken (noedoehken); [een duidelijke
aanwijzing geven], erketoedoehen;
[bedektelijk — door een zinspeling],
koesaling (naling); [— door een
teeken, bijv, eigendom, gevaar, enz.]
koesalepken.
Aanduiding [teeken] salep.
Aaneen, ersada (zie ook de samen-
stellingen met aaneen en samen).
Aaneengeschakeld, sikawiten, si-
kandit-kanditen; [van woorden, een
verhaal], perantë-rantë; [van een
huizenrij bijv.], perintë-rintë.
Aaneengesloten, rapat; sepit.
Aaneenkleven [aaneengekleefd], ra-
pit; leket.
Aaneenschakelen, koekanditken
(’ngkanditken).
Aangaan [om iets ergens —], koe-
singgahi, (ninggahi), [een verbin-
tenis —] erpadan, erdjandi; [be-
treffen], het gaat mij aan, adjang-
koe ë; dat gezegde van je gaat mij
niet aan, la pinanggelkoe katandoe
’ndai.
Aangaande [betreffende], adi; mij
aangaande, adi akoe; kerna (zie
ook op wegens).
Aangedaan [droevig —], tjëda atë;
[blijde —], tergintar.
Aangenaam, ’ntabeh; senang; ik
vind het aangenaam, ’ntabeh koe-
akap.
Aangeven [overreiken], koedoedoer-
ken (’ndoedoerken); geef [het] aan /
[als uitroep], enta ! [door teekens—
waar iets geplant, gebouwd moet
worden], koeadjek-adjeki (nga-
djek-ngadjeki).
Aangezicht, ajo; van aangezicht tot
aangezicht, petala-tala; het aange-
zicht keeren naar . . .; koealaken
(ngalaken).
Aangezien, sabap ; bahan (bän), ibän,
perbän.
Aangorden [zich],ergendit, erpemen-
ting; [iets als gordel omdoen], koe-
genditken (ergenditken).
Aangrenzend [aan elkaar grenzen
van velden bijv.], erdemoe; de aan-
grenzende dorpen, si’rdemoe oerat
noe djaba, sipesanggeh-sanggeh
roehi noe page.
Aangrijnzen, koesoengili (noe-
ngili).
Aangrijpen [met de hand — ; vast-
houden], koetjikep ('nijikep), koe-
tjikepi (’ntjikepi); koegelem (’ngge-
lem); koedjemak (’ndjemak); [aan-
vallen, te lijf gaan], koerigep,
(ngerigep); [gebruiken], koepake,
(makë).
Aanhaken, koekawiti (’ngkawiti).
Aanharken, koekaïri (’ngkaïri).
Aanhebben [een kleedingstuk], wordt
meestal weergegeven door een
woord bestaande uit het voorvoeg-
sel e r-, gevolgd door den naam
van het kleedingstuk: een jas aan-
hebben, èrbadjoe; schoenen aan-
hebben, ersoelampak.
Aanhechten, koesamboeng (nam-
boeng).
Aanhechtsel (verlengstuk), sam-
boengen.
Aanhitsen [een hond —], koepetoeï-
ken (petoeïken).
Aanhooren, koedengkehken (‘ndeng-
kehken).
Aanhouden [iemand —, tégenhouden]
koetahan ; [speciaal uit een vijandig
dorp, om hem tegen een losprijs
weer uit te leveren], koeteken
(neken); [niet ophouden], langadi.
Aanhoudend, la ’rngadi-ngadi; lalap.
Aankanten [zich —, tegen een vonnis
e. d.J, ertahan, noengsang, nimbak,
metangkang.
Aankijken, koepernehen (pernehen).
Aanklacht, pengadoe
Aanklagen, koeadoeken (ngadoeken).
Aankleeden, [zich —], roeïs, rosë.
Aankloppen, koetoektoek (noek-
toek).
Aankomen [aangekomen], sêh ; rêh;
te Boekit aangekomen ..., sêh me
i Boekit. ...; mijnheer is aange-
komen, toean enggo rêh.
Aankomend [bijna volwassen, vooral
v vrouwel. dieren], djarah-djarah;
[van een jongen], enggo ngena;
[van een meisje], érladjar medjile.
Aankondigen [officieel bekend ma-
ken] ermomo; koemomoken (mo-
moken).
Aankunnen [aandurven], päng nge-
lawan ; niet aankunnen, la terlawan;
[opkunnen, een portie eten bijv.],
terkeriken.
Aankwakken [tegen den grond bijv.],
koeempasken (ngempasken) (plat).
Aankweeken [fokken van dieren],
koeasoehi (ngasoehi).
Aanleeren, koepeladjarfi] (pela-
djar[i]).
Aanleggen [voor het eerst; ontgin-
nen], koeroengkah (ngeroengkah);
(sawahdijkjes —), neka; [een ge-
weer —], koerentang (ngeren-
tang); [vuur —], koegaraï (’nggaraï).
Aanlegplaats [ankerplaats], pela-
boehen.
Aanleiding [reden], sabap; dalin,
kitë; naar aanleiding van, erkitë-
ken, erdandanken.
Aanleunen [aangeleund tegen], tan-
dë koe, . .


AANLONKEN.
— 3 -
AANVAL.
Aanlonken, koekirep fngkirep).
Aanloopen [tegen iets —], koederpaï
(’nderpaï).
Aanmatigend, megombang; menggo;
metoeda.
Aanmerken [aanmerkingen maken],
koepandang (mandang).
Aanmerking, pandangen; in aan-
merking komen, atan; masin.
Aanminnig, gajang.
Aannemen, koealoken (ngaloken);
[gelooven],_têk; [ter harte nemen],
koeperdiateken (perdiatëken).
Aanpakken - aangrijpen.
Aanpassen [een kleedingstuk], koe-
tjoebaï (’ntjoebaï).
Aanplant, taloen; reba-reba; peken;
keboen (Mal.).
Aanplanten, koesoean (noean).
Aanpunten, koetelapi (nelapi).
Aanraden [waarschuwen], koeloem-
baken (ngeloembaken).
Aanraken, koekoeït (’ngkoeït); even
aanraken [in aanraking komen
met], gesges; koedeges (’ndeges).
Aanranden, koesamoen (namoen);
koeemo (ngemo); [een vrouw—] koe-
koeït, ’ngkoeït; koegegehi (’ngge-
gehi); koerangkem (ngerangkem).
Aanrechten, koeelaken (ngelaken).
Aanreiken, koedoedoerken (’ndoe-
doerken).
Aanrennen [op iemand —], koeser-
paken (nerpaken).
Aanrichten [een dobbelpartij —], koe-
panteki (manteki).
Aanrijgen, koetoestoesi (noestoesi).
Aanroepen [roepen], koediloï (’ndi-
loï); [een geest of godheid —], er-
toto koe; erseboet koe; koetotoken
(ertotoken).
Aanroeren, koekoeït ('ngkoeït: [fig.,
een zaak —], koesingeti (ningeti).
Aanschaffen, koeboeat (moeat).
Aanschieten [op iets — van een roof-
vogel], itangkis (nangkis).
Aanschijn, roepa.
Aanschouwen, koeïdah (ngidah),
[toeschouwer zijn bij een feest]
koededah (’ndëdah).
Aanschouwer[getuige],si ngidah [sa].
Aansluiten [zich — bij], koeïkoet
(ngikoet).
Aansnoeren, koerakoeti (ngerakoeti).
Aanspannen, koepasang (masang).
Aanspoelen, masir.
Aansporen [een paard —], koeratoeh
(ngeratoeh; [fig.] koeadjoek (nga-
djoek); koedjoekdjoek ('ndjoek-
djoek).
Aanspraak [wijze waarop men elkaar
aanspreekt, noemt], toetoer; aan-
spraak op iets hebben, koeakoe-
ken (ngakoeken).
Aanspreken [elkaar], ertoetoer; wij
hebben nog niet elkaar aangespro-
ken (d. i. geen kennis met elkaar
gemaakt), langnga kita ertoetoer;
[iemand —], koeperkoeanken (per-
koeanken).
Aanstaan [gaarne mogen], ngena,
ngena ate; het staat mij niet aan,
la atekoe ngena; la mehoeli koe-
akap.
Aanstaand [toekomend], si rêh; aan-
staande maand, boelan si rêh.
Aansteken [een lamp, vuur—], koe-
sagani (nagani); [in brand steken],
koesoeloeh (noeloeh); [met een
fakkel e.d.—], koeselkoet(nelkoet);
koetjiloek (niloek); [aanstekelijk,
besmettelijk zijn], langket.
Aanstellen [tot vorst —], koetang-
koehken (nangkoehken), koeradja-
ken (ngeradjaken); zich aanstellen
als . . ., pekoelah-koelah.
Aanstellerig, ngerah; gëdat.
Aanstoken, koepegara (pegara).
Aanstoot, aanstoot geven, koegandili
(’nggandili); aanstoot nemen, me-
rêha koeakap.
Aanstootelijk, kemali; soembang;
merêha.
Aanstooten [tegen iets], terantoek;
koetendeng (nendeng).
Aanstrijken [bestrijken met pek,
verf, enz.], koedaleh (’ndaleh).
Aantal [v. menschen], terem[na]; [v.
dieren, voorwerpen], lala[na],
boee[na].
Aantasten [vat hebben op, als vuur,
water, enz.], ipän (man); aange-
tast [door ziekte, hitte], kena; [min-
der fijn], sepah; door de [zonne]-
warmte aangetast, sepah las;veel-
vuldig wordt het begrip weerge-
geven door het achtervoegel -en;
door den houtworm aangetast,
boerboeren.
Aantikken [tegen elkaar —], petik-
tik; [even tegen iets tikken], koean-
tik (ngantik).
Aantoonen [aanwijzen], koetoedoeh-
ken (noedoehken); [bewijzen, toe-
lichten], koeterangken (nerangken),
Aantreffen, djoempa [ras]; koedapeti,
(’ndapeti).
Aantrekkelijk [zich licht iets aan-
trekken], merengë oekoer.
Aantrekken [een kleedingstuk] =
aandoen; zich iets aantrekken,
koeperdiateken (perdiatëken); zich
iets niet aantrekken, koepersila-
hang (persilahang); [stevig aan-
halen, een touw e. d,], koepegesteng
(pegesteng).
Aanvaarden, koealoken (ngaloken).
Aanval, perang.


AANVALLEN.
4 —
ACHTERAF.
Aanvallen [in den oorlog], koeperang
(merang); koelipat (ngelipat).
Aanvang, bena, pemena; moela.
Aanvangen [met iets], koebenaken
(menaken); [de eerste zijn met iets),
koeroengkah (ngeroengkah).
Aanvankelijk, tangtangna; moela-
-moelana.
Aanvatten = aangrijpen; [met
duim en wijsvinger—],koedjempoet
(’ndjempoet).
Aanvegen, koesapoeï (napoeï).
Aanverwant [aanverwanten], soekoe.
Aanvliegen [op iets — v. e. roof-
vogel], itangkis (nangkis); [naar
iets toevliegen], ikabangi (’nka-
bangi).
Aanvoeren [toevoeren], koetaroehi
(naroehi); [geleiden], koetaroeh
(naroeh).
Aanvoerder [voorvechter], poeang-
lima; radja goeraha; [leider in het
algemeen], pengoeloe; si naroeh.
Aanvragen, koepindo (mindo).
Aanvullen, koekoehi (’ngkoehi); koe-
tjoekoepi (’ntjoekoepi); koegenepi,
koegenepken (’nggenepi/nggenep-
ken); koetambahi (nambahi).
Aanvulling, tambah.
Aanwaaien [vuur — met een waaier],
koekipas (’ngkipas).
Aanwakkerenfovergankelijkv.vuur],
koepetoenggoer(petoenggoer);[van
den wind], rêh têrna angin.
Aanwenden = gebruiken.
Aanwerven, koedarami (’ndarami).
Aanwezig, lit (lêt).
Aanwijzen [met den vinger bijv.],
koetoedoehken(noedoehken); [laten
zien], koetjidahken (’ntjidahken).
Aanzeggen [in het openbaar], koe-
momoken (momoken); [kennis ge-
ven], koeberitaken (meritaken);
erkata.
Aanzegging, momo ; berita ; kata.
Aanzetsel [verlengstuk], oempoet,
samboeng, peroeboeng.
Aanzetten [wetten],koetelapi (nelapi),
koegaroet (’nggaroet); [verlengen]
koeoempoet(ngoempoet,roempoet);
koesamboeng (namboeng); [een
mouw—], koetompek (nompek);
[een paard —], koeratoeh (ngera-
toeh).
Aanzien Iww.], koepernehen (per-
nehen); [scherp -, monsteren)
koepetjati (metjati).
Aanzien [heerlijkheid], lias.
Aanzienlijk [voornaam], melias; ba-
jak ; ’mbelin ; biak radja.
Aanzijn [bestaan, z. nw.J, keliten.
Aanzoek, penoengkoen; aanzoelc doen
[om de hand van een meisje], koe-
soengkoen (noengkoen).
Aanzuiveren [geheel afdoen, een
schuld], koedjelasi (’ndjelasi) (zie
voorts op aanvullen).
Aap, een algemeene naam ontbreekt;
bekende soorten zijn: kera (Simia
cristata, Cynamolgus fascicularis);
imbo (Symphalangus syndactylus);
mawas (orang oetan, Simia suma-
trana); koelikap (Nycticebus tardi-
gradus); saroedoeng (Hylobates
entelloides); bengkala (Simia car-
polegos); loetoeng (Semnopithecus
cristatus).
Aar [rijstaar e. d], roehi; [—, na het
verwijderen der korrels], roentji.
Aard [geaardheid], tempas; [karakter
ook:] oekoer, atê; [ingeschapen
aard ook:] tendi.
Aardappel, gadoeng lëpar, gadoeng
poelo pinang i ook [Mal.] kentang.
Aardbeving, linoer.
Aarde [wereld],taneh; deze aarde [het
ondermaansche], taneh si mekapal
ênda; portibi enda, doni, doenia.
Aarden [van aarde], taneh; een aarden
pot, koedin taneh.
Aardhoop, tinamboer, tjinamboer.
Aardig [lief], gajang; [zoet, niet stout],
melias; [toeschietelijk, spraakzaam],
’mbatjar.
Aardkluit, boengki.
Aardkrekel, koeroeng.
Aardmannetje, kemang.
Aardnoot, katjang kembili.
Aardvrucht, een algemeene naam
ontbreekt; de meeste knolgewassen
heeten gadoeng.
Aardworm, gaja.
Aars [plat], patat (pantat); [fats.] kele-
pasen, loebang 'ndekah.
Aartsvijand, moesoeh djati; moe-
soeh tari.
Aarzelen, aarzelend, langlang; hij
aarzelde het huis binnen te gaan,
langlang ia koe roemah.
Aas [lokaas], empan ; [kreng], bangke;
[van speelkaarten], sat.
Abortus, een abortus hebben, moelas,
ngeroeroes.
Ach, ah, oh; andiko.
Acht, oealoeh.
Acht, geef acht, metengetlah.
Achtbaar, meparas, metoenggoeng;
moelia.
Achteloos, lolah.
Achten [eerbiedig zijn jegens, e.d.],
mehangke; ik acht den vorst, me-
hangkê akoe empak [of: ngenehen]
radja; elkaar achten, sihangkën.
Achter, ipoedi.
Achteraan, arah poedi.
Achteraankomen, ngikoet-ngikoet
arah poedi.
Achteraf, arah poedi; doengna.


ACHTERBAKS
- 5 -
AFHANGEN
Achterbaks [bijw.], nangko-nangko;
erboeni-boeni, erboenïn.
Achterblijven, fading.
Achterdeel, [achterste], boeta-boeta;
[fats.], koendoel-koendoelen.
Achterdocht, taram: achterdocht
hebben, metaram, la têk.
Achterdochtig, taramen.
Achtereen, roenoet-oenoet, noenoet;
la ngadi-ngadi; lalap.
Achterelkander = achtereen;
achter elkander loopen [in een rij],
erdolan-dolan.
Achteren, naar achteren, koe doeroe.
Achterhalen [achterhaald worden],
toendoek
Achterhoofd, koedoek.
Achterhouden [verzwijgen, achter-
houdend], erboeni-boeni; [nietge-
ven, afhouden], koeahani (ngahani).
Achterklap, tjekoerak.
Achterkleinkind = kleinkind.
Achterlader, bedil peteroli.
Achterlaten, koetadingken (nading-
ken).
Achterlijk, melawis, metjongkir.
Achternazetten, koeajaki (ngajaki);
koeelis (ngelis).
Achterover [achteroverliggend, op
den rug liggend], tenggalak, galang-
-galang; [achterovergebogen], tidak;
[achterovervallen], toenggaling;
djongkang.
Achterste, patat, pantat; [van vogels],
impoet, imboel.
Achteruit, koepoedi; [achteruit dein-
zen], soeroet.
Achteruitstaan, [als een paard], ipa-
dit (madit).
Achtervolgen, koeajaki (ngajaki);
koeelis (neelis).
Achterwaarts, koepoedi; soeroet
[koepoedi].
Achttien, sepoeloeoealoeh.
Adamsappel, bergeng.
Adder (cobra-slang), nipe oepar.
Adellijk [adel], biak radja; sibajak;
[— v. vleesch], mali.
Adem, kesah.
Ademen, erkesah.
Ader, oerat.
Al [kiaar], doeng.
Afbakenen [terrein —], koeadjek-
-adjeki (ngadjek-ngadjeki.
Afbeelden, koegambarken ('nggam-
barken).
Af betaald, djelas; sai.
Afbetalen [een schuld —], koedjelasi
(’ndjelasi).
Afbikken, koepikpik (mikpik).
Af branden [onoverg.], meseng; mijn
huis is afgebrand, meseng roe-
makkoe; [overg., een veld-],koe-
soeloehi (noeloehi).
Atbreken[onoverg.afgebroken],peng-
gel, [overg. neerhalen], koerontas-
ken (ngerontasken).
Afbrengen [van zijn voornemen, bijv,
door bangmakerij], koedjoengdjangi
(’ndjoengdjangi).
Af brokkelen [onoverg. afgebrokkeld,
van kleine voorwerpen], metjepik;
[van een steilte e.d.], meroeroes;
[overg.], koetjepikken (’ntjepikken).
Afdak [loods], baroeng-baroeng; [het
uitstekend en overhangend deel
van een dak], paspasen; [uitbouw-
sel], soerambih, oembi.
Afdalen [naar beneden komen, uit
een huis, een boom], soesoer; noe-
soer [koeteroeh]; [van een berg-
rug —], koe soeah, koe berneh; ngin-
tjoeah; [naar’t benedenland], kahe.
Afdammen, koetambaki (nambaki).
Afdeeling, terpoek; [v. e. vrucht als
de manggistan], goelat.
Af dingen, koetawari (nawari) (Mal.?),
koeoeraki (ngoeraki).
Afdoen [een zaak], koepoetoes (moe-
toes), [een schuld], koedjelasi
(’ndjelasi).
Afdoend [v. e. geneesmiddel], me-
sinting.
Afdrijven [wegdrijven op het water],
mombak
Afdruk [afdruksel], bekas; tjap;[van
hand of voet], tapak.
Afdruipen, naktak.
Af dwalen, papak, lalar; [v. gedach-
ten], mampet-mampet.
Afgaan [naar achteren gaan], koe doe-
roe; [plat], tjiret; [v. kinderen], moe-
kal; [v. e. geweer], erkata, bingkas.
Afgeleefd, pasë.
Afgelegen [eenzaam], mesoeni, me-
doengoo.
Afgewend [v. e. onheil, ramp], sel-
pat; saï.
Afgezonderd [voor een bepaald
„godsdienstig” doel], tegas; kahoel.
Afglijden [als een aardstorting], me-
roeroes; [naar beneden glijden uit
een boom bijv.], roeroes; [scham-
pen], tjeloes; [afslippen met het
eene eind], selpat.
Afgod, berhala (Mal. ?).
Afgrijzen, tjiga ate; afgrijzen ver-
wekken [bijv, van te vette spijs],
medoejak.
Afgrond, loehoeng.
Afgunstig, ram pang.
Afhalen [de draden v. e.'vrucht e.d.],
koeanoesi (nganoesi).
Afhandig, iemand iets afhandig ma-
ken, koekilep (’ngkilep).
Afhangen [afhangend, neerhangend],
tjanggoen,anggoen; [fig.] het hangt
van u af, kam metehsa.


AFHOUWEN
— 6 —
AFTAPPEN
Afhouwen [een lichaamsdeel], koe-
tampoel (nampoel); [takken van
gevelde boomen — ], koetebas(ne-
bas); [de kroon van een boom —],
koetombeng (nombeng).
Afkappen = afhouwen.
Afkeer, een. af keer hebben, tjiga atê;
[v. man en vrouw], medagi.
Afkeeren [een slag of stoot], koe-
tampar (nampar).
Afkeuren [berispen, aanmerkingen !
maken], koepandangi (mandangi).
Afknabbelen, koeketepi (ngetepi);
koesaroet (naroet).
Afknagen = afknabbelen.
Afknappen [onoverg., v. e. touw e d.],
retap; [de punt van een pijl bijv.],
telpek; penggel.
Afknotten [een boom], koetombeng
(nombeng); afgeknot [v. e. boom
door den bliksem bijv.], telpoeng.
Alkoelen [onoverg.], af gekoeld [koud
geworden], malem.
Afkomst, pengoelihen, plaats van af-
komst [stamland], koeta pengoe-
lihen.
Afkoopen, koeteboesi (neboesi).
Afkrabben, koelislis (ngelislis).
Aflaten [neerlaten a. e. touw], koe-
tantan (nantan); koesoesoer (noe-
soer), koepesoesoer (pesoesoer);
[een touw neerlaten, vieren], koe-
petantan (petantan).
Afleeren [iets —], djera; [iemand
iets —], koedjeraken (’ndjeraken).
Alleggen [een verkeerde gewoonte],
djera; [niet meer gebruiken v.
kleeren], ma nai koepakë.
Aflegger [oud kleedingstuk], [oeïs]
ale-ale; sinajo.
Aflelden [een rivier, om een deel
droog te maken], ngareh.
Aflikken, koedilati (’ndilati).
Afloopen [van dikke vloeistoffen],
’ndêdë.
Afmaken [voltooien], koedoengi
(’ndoengi), koekeriken (’ngkeriken).
Afnemen [minder worden], oerak;
[dalen van het water], mersap; [van
de maan],’ngkelem; [van een ziekte],
mantak; [overgankel minder ma-
ken], koeoeraki (ngoeraki); [iets af-
nemen van iets], koeboeati(moeati);
[verwijderen], koeagoeï (ngagoeï).
Afpellen [maïskorrels e. d. van de
kolf], koepoekoeï(moekoeï); [schil-
len], koekoeliti (’ngkoeliti).
Af persen, koekilangi (’ngkilangi).
Afranselen, koebalbali (malbali), koe-
boenoehi (moenoehi)
Afrasteren, koebideken (mideken).
Afristen, koepoepoeï (moepoeï).
Afrollen [naar beneden rollen, on-
overg.], megoelang.
Afrukken [van elkaar rukken], koe-
oeak (ngoeak; af gerukt [van een
boomtak], mesoeak; [ontrukken],
koesintapken (nintapken).
Afschaduwing, awih.
Afschaven, koealis[i] (ngalis[ij.
Afschampen [v. e. més bijv.], tjëloes.
Afscheid, ik neem afscheid, lawes
akoe.
Afscheiden [iets apart houden], koe-
serapken (nerapken); [van elkaar
scheiden],koesirangken(nirangken).
Afscheiding [in een vertrek bijv.],
belat.
Afscheppen [het vocht van de rijst,
die men kookt], koearehi (ngarehi).
Afscheren, koegoenting (’nggoen-
ting), [zich het haar laten afsche-
ren|, ergoenting; [geheel kaal sche-
ren], koeloehloehi (ngeloehloehi).
Afscheuren [een kleed of weefsel],
koetjaïng (’ntjaïng).
Afschijnsel, sinalsal.
Afschillen, koekoeliti (’ngkoeliti).
Afschrappen, koealis (ngalis).
Afschrïkken [bang praten], koe-
goendjak-goendjak (’nggoendjak-
-nggoendjak).
Afschrikwekkend, medjin, me-
hantoe.
Afschudden, koekoepirken (’ngkoe-
pirken).
Afschuw, tjiga ate.
Afsluiten [met een sleutel], koekoen-
tji (’ngkoentji); [met een grendel],
koeeroeki (ngeroeki); [een weg
voor het verkeer— ], koerebat (nge-
rebat); [met een prop of kurk],
koesompel (nompel).
Afsnauwen, koesergangi (nergangi),
koesagali (nagali).
Afsnijden, koekeret (’ngkeret), den
pas afsnijden, koekelihi (’ngkelihi).
Afspraak, padan, poedoen, djandi;
[een door een eed bekrachtigde—],
boelawan; met elkaar een afspraak
maken, erpadan, erpoedoen, erdjan-
di; erboelawan.
Afstammeling, marak.
Afstand [verte], dohna (van daoeh met
achterv. -na); hoe groot is de af-
stand, asakai dohna ?
Afsteken [warmte van zich gevend],
’ndiang; [een zijweg inslaan], nilah
(v. silah).
Afstroopen [villen], koeboekbaki
(moekbaki); [de bast van een
boom —], koelaki (ngelaki).
Afstuiten [op iets, als een wapen],
la ipänna (la man).
Aftappen [sap, uit een boom —], koe-
taïs (naïs), [palmwijn aftappen; den
palmwijn ’s morgens en ’s avonds
gaan halen], ngeria.


AFVAL.
— 7 —
ANTWOORDEN.
Afval (wat bij het doorzijgen achter-
blijft], sampah, sampah-sampah;
[klein afval, asch, droog vuil e. d.],
rintep-rintep; kapar; [uitgeperste
kokosnoot], kepajang (kempajang).
Afvallen [i. h, algem.], 'ndaboeh [koe
teroeh]; [bij een steilte —], me-
goelang; [ontijdig —, van vruch-
ten, een visch van den haak], mel-
. poeng.
Afvegen, koesapoeï (napoeï); [zijn
achterste — met een blad e. d.],
tjilan.
Afvijlen [de tanden vijlen], erkiker.
Afvoerpijp, alinggoengi; [voor lijk-
vocht], carisen.
Af wachten [onoverg. in afwachting
zijn],nima-nima, tima-tima; [iemand
—], koepimaï (pimaï).
Afwenden [het hoofd —], toelih (zie
voorts op afkeeren.
Afweren [een slag —], koesangga
(nangga); [in omineuzen zin, regen
afweren], koesarang (narang)
Af weringsmiddel [— tegen kogels],
sarang timah; [— tegen regen],
sarang pajoeng.
Afwisselen, afwisselend, [pe-]
gantjih-gantjih; [iemand afwisse-
len], koegantjih (’ngganrjih).
Afwijken [van den weg —], nilah.
Afzakken [van kleeren], sarsar, son-
tar.
Afzeggen, koetjoentjoen ('ntjoen-
tjoen)*
Afzenden, koetengesken (nengesken).
Af zetten [overvragen], koetëboe-
tëboe.
Afzonderen, koeserapken (zie ook
op afgezonderd); [zich —, van een
kluizenaar], ertapa.
Agio, tokok.
Akker, djoema; [droge —], djoema
daraten, of djoema toehoer; [be-
vloeide —], [djoema] sabah.
Al [reeds], enggo; [ofschoon], anem
pë, gia; al is het zoo .... bagë
pë . . . ., bagë gia; al is [de medi-
cijn) bitter., als [ik] maar beter
[word], pagit gia. gelah malem.
Al [zelfst. nw.; het al], si nasa lit.
Al [geheel en al, louter], pelin-pelin.
All [alle, alles], kerina; asakai.
Alarm, goentar.
Alarmblok, ketoek.
Aldaar, id je.
Aldoor, lalap.
Aldus, bage.
Aleer [vóórdat], so pe; lebe.
Alhoewel, pe, gia (zie op al).
Alledaagsch [ordinair], toea-toea.
Alleen [in zijn eentje], sisa (van si
sada); [slechts], kentja, sadja,
ngentja; [louter], pelin-pelin.
Alleenstaand [eenig], tonggal.
Allengs, piah-piah.
Allerlei, erbage-bage.
Alles, kai-kai; kerina.
Alliage, soeasa, soeahsah.
Alliantie, oeroeng.
Alom, id ja [pa] pë.
Aloud noeria, si noeria.
Als [indien, voorwaardelijk], di, dë,
adi; [veronderstellend], bitjara;
[wanneer],asoem, sangana; [ookde,
maar dan achter het predicaats-
woord]: als vader komt . . . , rêh
dë bapa . ..
Als [bij vergelijkingen],asa,kasa, nasa;
zoo groot als een geit, kasa kam-
bing belinna; [zooals], bagi,siperti;
[bijvoorbeeld], soempamana.
Alsof, tempa-tempa.
Altijd, [gedurig, telkens], roesoer;
[aldoor], lalap; [steeds, onverander-
lijk], gelgel.
Alvast, lebe, ga alvast zitten, koen-
doelken lebë._
Alvorens, so pe; lebe.
Alwat, asakai, kasakai, tah kai pe.
Alwïe, isë pë; tah ise pe
Ambacht, anggap-anggapen; pen-
tjarin.
Ambt, perasat, djabaten.
Amechtig, mengkap-engkap.
Amfioen, apioen.
Ammunitie, oebat, timah.
Amper, menam, naroes.
Amulet, adjimat; tangkal; ikal.
Amusement, [feestelijkheid in het
algem.], kerdja; [vertooning; iets,
waarnaar men gaat kijken], dedahen
(zie verder op spel).
Analogie, oempama.
Ananas, kenas.
Ander [bijv. nw. ]. si deban, lain; [een
ander, een vreemde], kalak,
Anderdaagsch, kelang-kelang sada
oeari.
Anderhalf, tengah doea.
Andermaal, sekali nari.
Anders [sinon], di läng; anders zijn,
labo bage; 'ndaoeh, alih; dat is heel
iets anders, 'ndaoeh e; het is niet
anders, [di] bagë [ktn], bagë! labo
alih; maakt dat de zaak anders?
'ndobah [mobah] kin? anders wor-
den, salih.
Andersom, terbalik.
Angel [van een bij; weerhaak], se-
ren.
Angst, angstig, aroe ate, beber
oekoer; goentar.
Anker, saoet.
Ankeren, erlaboeh.
Ankerplaats, laboehen.
Antwoord, djabap.
Antwoorden, [er]djabap; ngaloï.


APEGAPEN.
- 8 -
BEBOETEN.
Apegapen, [v. e. stervende], meldap-
-eldap.
Arabier, kalak arap.
Arbeid, dahin.
Arbeiden, erdahin.
Arend [de kiekendief], koeliki.
Arenpalm, [batang] pola; [een klei-
ner soort], poeli.
Arenpalmsap, pola.
Arenpalmvezel, idjoek.
Arglist, arglistig, taki-taki.
Argwaan, penekê; argwaan koeste-
ren, la têk.
Arm [behoeftig], moesil.
Arm [lichaamsdeel] tan; beteken [tan].
Armband, gelang.
Artikel [hoofdstuk, afdeeling in een
poestaka], bindoe.
Asch, abam, aboe, aboeng.
Aschkleurlg, mekelaboe.
Atmosfeer, [lucht, klimaat, uitwase-
ming], oea; oeap.
Averechts, terbalik; tjiak tjingga-
loeng.
Avond, ben [oeari]; berngi; van avond,
nahan.
Azijn, tjoeka.
B.
Baadje, badjoe.
Baar [golf], galoembang; [staaf], lawir;
een baar, si-ng-kelawir.
Baard, djanggoet; goemis.
Baardhaar, goeram.
Baarmoeder [fats.], bertian.
Baas, pandë, pandê toea.
Baat, goena.
Baden [zich —], ridi: [iem. baden],
koeperidi[Ken] (peridiken).
Badplaats, tapin, tapian.
Bagage, babän; barang.
Bak [trog], pelangkah; [een soort pre-
senteerblad], tabak.
Bakje [waarin men opium indikt],
batil; [waarin men de bereide opium
doet], tjajak; [een — als smeden
gebruiken om kleine voorwerpen,
schroefjes, enz. in te bewaren],
tjajak-tjajak.
Bakkebaard, bahoek.
Bakken [in olie of vet], koerendang
(ngerendang); [brood e. d. —],
koepetasak (petasak).
Bakker, toekang roti (Mal.)
Bal, bola (Mal.), si kiboel; [pluimbal],
total; [gevlochten voetbal], raga;
de ballen, pinang-pinang.
Balans, timbangen.
Baldadig, goetoel.
Balg [pens], boejak.
Balk [timmerhout in het algemeen],
perkajoe; overigens verschillende
benamingen naar het gebruik: [de
liggende balken onder een huis],
sangka manoek; [vloerbalken], awet;
[de ronde wzolder”balken], tekang;
[de op de tekang rustende in de
lengte loopende zolderbalken],
boeang para.
Bamboe, boeloeh ; van bamboe [bam-
boezen], boeloeh; de meest voor-
komende soorten zijn: boeloeh
regen, — minak, — ’mbetoeng, —
kerapat, — doeri; [droge bamboe als
brandstof], bangkar; [gespleten—,
als bindmateriaal], belembang.
Ban [onder den ban zijn, niet betreden
mogen worden gedurende eenige
dagen, e. d.], reboe.
Band [in het algemeen om te binden],
pengiket, pengerakoet; [— om een
messcheede, om een poestaka],
rempoe; [buikband], gendit.
Bang, 'mbiar.
Bangpraten,koegerantangi(’nggeran-
tangi); koedjoengdjangi ('ndjoeng-
djangi).
Bank [soort van bank of laag tafeltje],
mantja-mantja,_manë-manë; [han-
delsbank, te Mêdan], béng.
Bankbillet, enot (Eng. note).
Baren, koepoepoes (moepoes).
Barmhartig, mekoeah [erkoeah] ate;
melias oekoer.
Barsch, merambit, tjëngeh.
Barst, regat.
Barsten [gebarsten], beka, [me]regat;
petjah; [vol kleine barstjes],metjepik.
Bast [v. e. boom i. h. algemeen], laklak;
[van een kokosnoot], saboet; [van
vruchten], koelit.
Baten, lit goenana; ergoena.
Beamen, koeoeëken (ngoeeken); koe-
endoeni (ngendoeni).
Beantwoorden, koealoï (ngaloï).
Bebloed, tidareh.
Beboeten, koeoekoem (ngoekoem);/zy
beboette hem met4 dollar,ioekoemna
[’nggalar] 4 serpi.


BEBOUWEN.
- 9 -
BEHAGEN.
Bebouwen [tot bouwland maken],
koeperdjoemaï (perdjoemaï); [be-
planten], koetanami (nanami).
Bed, peratas. perpedemen.
Bedaard [kalm, rustig in zijn doen
en spreken], medalê; [tot rust ge-
komen], ngadi, malem.
Bedachtzaam, [m]andjar-andjar, me-
tenget.
Bede, pindón, pemindo.
Bedekken, koetamboeri (namboeri);
koeligeni (ngeligeni); koetoekoep
(noekoep); [met aarde —, als rijst in
de plantgaten, vuur om het smeu-
lende te houden], koeseboe (neboe).
Bedekt [met aarde enz.], tamboer,
tamboes, tertamboer, ketamboeren;
[aan het gezicht onttrokken], ligen ;
[verborgen],tjeboeni; [met de hand;
overstulpt], tertoekoep.
Bedelen, mindo-mindo; [iemand om
iets —], koepengindoï (pengindoï).
Bedelven, koetamboeri (namboeri).
Bedenken, roekoer; [overg.] koe-
oekoerken (ngoekoerken); koetim-
bangken (nimbangken).
Bederven [vernielen], koetjëdaken
(’ntjedaken); [verrot, bedorven],
matjik, 'mbaoe, maroe.
Bedienen, koeantari (ngantari); koe-
elaï (ngelaï).
Bedillen, bedilziek, megapgap, er-
soelit.
Bedisselen, koeatoeri (ngatoeri).
Bedoeling, atë, peratën; kata; wat
is de bedoeling van deze sirih (dat
je me sirih geeft), kai kata noe
belo; zonder bedoeling [bij ongeluk],
so arap.
Bedompt, ngisah.
Bedorven [vernield], tjëda; [verrot,
stinkend], matjik, 'mbaoe, [spec. v.
vleesch], maroe.
Bedrag [geldsom), galar; toekoer.
Bedreigen, koeendam (ngendam).
Bedriegen, koetipoe (nipoe); [voor
't lapje houden], koeoto-otoï (ngoto-
-ngotoï).
Bedrijf, perasat, pentjarin.
Bedrijfskapitaal, pokok, pangkal,
moedal.
Bedrijvig, medjingkat, 'mboelajat.
Bedroefd, tjeda ate ; ik ben bedroefd,
tjëda atëkoe.
Bedrog, tipoe.
Bedrukt, aroe ate, ik ben bedrukt,
aroe atëkoe.
Bedruppelen, koepirpiri (mirpiri);
koetjirtjiri (’ntjirtjiri).
Beduiden = beteekenen; wat be-
duidt dat, kai ertina, koega an-
toesenna.
Beduimeld, mawes-mawes, boe-
ngoes.
Bedwelmd [door palmwijn], 'mboe-
len, [door pinangnoot], ngidän;
[duizelig, door een slag], melimber:
[van visch door toeba], koleh.
Bedwingen [in bedwang houden],
koetjekem (’ntjekem) (veelal figuur-
lijk) ; [op zijn plaats houden, door
een veer of pal bijv.], itekan (ne-
kan); [zijn tranen, e. d. —], koe-
amper (ngamper),
Beek, laoe anak-anak.
Beeld, gana-gana; [gelijkenis], oem-
pama.
Beeldspraak, boen ga tjakap.
Been [bot], toelan; [voet, poot],nahë.
Beenderhuisje [knekelhuisje, waarin
enkele beenderen bewaard worden],
geriten.
Beer [mannetjes varken], daloe; [v. e.
wild varken], boeragas ; [verscheu-
rend dier], beroeang.
Beest [tegenover mensch]. roebia.
Beet [bete, mondvol], babah; één beet,
si-ng-kebabah.
Beetje [weinig], sitik; bij beetjes,
meroentjoek.
Beetnemen [bedriegen], koeoto-otoï
(ngoto-ngotoï).
Begaafd, keras.
Begaan [een weg], koedalani ('nda-
lani); begaan zijn [met], mekoeah
atë [ngenehen].
Begeeren, merintjoeh; [iets dat van
een ander is —], mengga ate.
Begeleiden, koetaroehken (naroeh-
ken); [een vorst—], koearak (ngarak).
Begeven [zich — naar], koedahi
(ndahi); koetandangi (nandangi).
Begieten, koesiram (niram).
Begiftigen, koebereken (mereken),
Begin, bena< pemena; moela; in den
beginne, moela-moelana, tangtang-
na; [oorsprong v. e. rivier], oeloe.
Begluren, koerimrim (ngerimrim).
Begraafplaats, pendawanen.
Begraven, koetanemken (nanem-
ken); koekoeboerken ('ngkoeboer-
ken).
Begrijpen, koeangka (ngangka); koe-
antoesi (ngantoesi); koeerti(ngerti).
Begroeten [elkaar — zooals de Bataks
doen door elkaar naar naam, doel
van de reis enz. te vragen], ertoe-
toer.
Begrooten [schatten], koeagak (nga-
gak); ngagak-ngagak; koetaktaki
(naktaki).
Begunstigen [iem. voortrekken],
koekapiti (’ngkapiti).
Behaard, erboek, erboekboek; [ruig,
langharig] medjaboet; [als sommige
planten], meregen.
Behagen, ngena. ngena atë; het be-
haagt mij, ngena atëkoe.


BEHALVE.
— 10 —
BELAST.
Behalve, sëa katan.
Behandelen [met geneesmiddelen],
koetambari (nambari); [beschou-
wen als], koepedehirep (pedehirep).
Behartigen, koeperd[i]atëken (per-
d[i]ateken).
Beheeren [het beheer, zeggenschap
over iets hebben], meteh; het hoofd
beheert het, pengoeloe si metehsa;
[zijn goed —] koetinggiken (ning-
giken).
Behekst, tangkel djinoedjoeng; ibêni
kalak.
Behept, wordt weergegeven door het
achtervoegsel, -en bij die woorden,
die daarvoor in aanmerking komen.
Behoeden [bewaken], koekawali
(’ngkawali); koeligeni (ngeligeni);
koeiani (ngiani); [door een „toover-
middel”], koepagari.
Behoeder, sekawal, singiani, pe-
ngian [dit speciaal van den steen
of het ei, in de rijstbewaarplaats
gelegd].
Behoedmiddel, pagar, perpoetaren,
sarang timah.
Behoefte, behoefte aan iets hebben,
kekoerangen ; [er niet buiten kun-
nen, verslaafd aan] ketagihen; zijn
behoefte doen, koe doeroe.
Behoeftig [arm], moesil; [minnetjes,
armoedig], metaroek; [van alles
ontbloot], gepoel; ik ben geheel
behoeftig, gëpoel pë kadëkoe.
Behoeven = behoefte hebben,
het behoeft niet, läng gia, ola gia;
ma pada; la esah.
Behooren [behoorlijk], patoet, aroes;
mehaga; [aan iemand —; particu-
lier bezit zijn], rempoe; deze bam-
boe behoort aan iemand [heeft een
eigenaar], boeloeh enda rempoe;
dit behoort mij, akoe empoena;
adjangkoe. (Zie ook op bezitten,
bezitter, eigenaar).
Behoorlijk [in den vorm), mehaga.
Behouden [gered zijn, ontkomen],
loeah.
Bebouwen, koebarbari (marbari).
Behulpzaam, mekoeah ate, me
djamoe.
Beidefn), doeana, si doea-doea; sapih.
Beijveren [zich—], koeperapat-rapat
(perapat-rapat).
Beitel, pahat; [klein beiteltje voor de
tanden], lentik; [bij het palmwijn
winnen], toengkil.
Beitelen, koepahat (mahat); [figuren
—], koeoekir (ngoekir); [een gat
—], koetoekak (noekak).
Beltelwerk [beeldhouwwerk], oeki-
ren, loekis.
Bejaard, metoea, tjawir metoea.
Bejegenen,koepedehirep (pedehirep).
Bek, babah; [van een vogel], toebi.
Bekaaid, er bekaaid af komen, don gal.
Bek-al, laboeh, ngerantje.
Bekappen, koebarbari (marbari).
Bekend [beroemd], termoermoer; ter-
berita; [geweten worden], terteh
[kenbaar], ketandän.
Bekendmaken, koeberitaken (meri-
taken); [in het openbaar —], koe-
momoken (momoken).
Bekennen, ngakoe.
Beker, tjaloeng.
Bekijken, koepernehen (pernehen);
koepepajo (pepajo)
Bekken [metalen slagbekken], goeng;
[een klein soort], penganak.
Bekkeneel, takal-takal, berkoe-ber-
koe.
Beklagen [zich — over], ngadoe.
Bekleeden [met voering bijv.], koe-
lapisi (ngelapisi), [met metaal —],
koelantap (ngelantap); [met stof
—], koekokoken (ngokoken); [de
plaats innemen], koeiani (ngiani).
Bekleedsel, lapis.
Beklemd, terkatjip. kitjat; [— op de
borst], sedak.
Beklimmen, koenangkihi (nangkihi);
[een heuvel of berg —], nangkeng-
-nangkeng.
Bekneld, kitjat, terkatjip; [fig. ook],
pitjet
Beknellen, koekatjip (’ngkatjip).
Beknopt [in grove trekken], ’mbelgah.
Bekocht, tëwas.
Bekomen [bedaard, niet meer boos,
enz.], lehleh, malem.
Bekommerd, pitjet oekoer, pitjet
koeakap, beber oekoer, ’ndelë atë.
Bekoorlijk, gajang, merandal.
Bekostigen [een leest—], koeadang,
(nuadang).
Bekrachtigd, atan, esah, asi.
Bekrachtigen, koesahken (nge-
sahken); koeasiken (ngasiken).
Bekrassen, koegarisi (’nggarisi).
Bekrompen, pitjet; [— van het ver-
stand], bebal.
Bekruipen, koegarangi fnggarangi).
Bekwaam, beloeh ; pande ; keras.
Bel [klok], lontjëng (Mal.) [een klein
belletje], genta, giring-giring.
Belachelijk, man tawän.
Belagen, ientem (ngentem), ioelahi,
ngoelahi [beide veelal in bijge-
loovigen zin, van geesten]; [zoeken,
zoeken te krijgen], koedarami
(’ndarami); [van uit een hinderlaag
-], koegempangi (’nggempangi).
Belang, goena, palaren.
Belangstellen, belangstellend,
merintjoeh, meloeloer.
Belast, beraten; belast en beladen,
erdakoet-dakoet.


BELASTEN.
1 -
BERICHTEN.
Belasten [met een opdracht, een
boodschap], koetenah (ertenah).
Belasteren, koesagi (nagi); koetje-
koeraki [’ntjekoeraki].
Belasting [heffing], tara, teragoe,
tjoeke.
Beleedigen, koegombangi (’nggom-
bangi).
Beleefd, mehangkë; medjemat.
Beleenen. koegadëken (’nggadëken).
Belegeren» koeoepoeh (ngoepoeh).
Beleggen [de vloer met een mat—],
koekimbangi (’ngkimbangi); [geld
—], koeperboengaken (perboenga-
ken).
Belemmeren, koeambat-ambati
(ngambat-ngambati).
Beletsel, abat, sabat, dongkel, rongket.
Beletten, koesabat, (nabat).
Belezen [tooverspreuken e d. lezen
over iets], koetabasi (nabasi);
koedjaga-djagaï (erdjaga-djagaï).
Belezlng, tabas, mangmang.
Belijden, koeakoeï (ngakoeï).
Be likken, koedilati (’ndilati).
Belofte, padan, djandi; [gelofte, voor-
waardelijke belofte], koenë-koenë.
Belommerd, linggem, melindoeng.
Beloonen, koeoepahi (ngoepahi).
Beloonlng, oepah.
Beloop [— van een zaak], ketjibal,
bangoen; toeri-toerin.
Belooven» erpadan; erkoenë-koenë.
Beluisteren» koeandapi (ngandapi).
Belust» merangka; metjoemboe, ngi-
dam.
Bemerken» koeïdah, koeïdahken
(ngidah, ngidahken); [gewaarwor-
den in het algemeen], koeakap
(?).
Bemiddelaar» kelang-kelang, kite;
telangke
Bemind» kesajang; si boeah atë.
Beminnen» koekelengi (’ngkelengi);
erkeleng; keleng ate.
Bemodderd. erkoebang, koebangen;
erloepi, erbeloetak
Bemoedigen» koepegedang atë.
Bemoeien [zich — met], singgoer;
ik wil er mij niet mee bemoeien,
la akoe ’nggït singgoer.
Bemost, loemoeten; kapang-kapa-
ngen.
Benaming, gelar.
Benard, pitjet; mesera; toempat.
Benauwd [benauwd warm], ngisah
[— op de borst], sedak.
Beneden» iteroeh; [aan den voet van
een helling], i soeah, i berneh; [in
de benedenlanden], i kendjahe;
naar beneden, koeteroeh, koe ber-
neh ; kahë.
Beneveld = bedwelmd; [nevelig],
meremang.
Benevens» ras, rikoetken, roet.
Bengalen» Bengaalsch» benggali.
Bengelen» molah-olah, djoemolah,
mole-ole.
Benijden» mengga atë; metjemberoe.
Benoodigdheden, [werktuigen], per-
pentia, perkekas, sindjata, pengga-
jo; [ingrediënten], poeloengen.
Benzoë» koemenen.
Beo» kioeng.
Beoorlogen» koeperang (merang).
Bepaald» [vastgesteld], tetap; tentoe;
erpoedoen.
Bepakt [zwaar beladen], beraten.
Bepalen [overeenkomen], erpoedoen;
[vaststellen], koetetapken (netap-
ken).
Bepeinzen» koeoekoerken (ngoe-
koerken); koetimbangkeri (nim-
bangken).
Beplakken» koedampel (’ndampel)
Beplanten» koesoeani (noeani).
Bepoten» koeerdangi (ngerdangi).
Bepraten» arih-arih; koearihken,
(ngarihken).
Beproeven» koetjoeba (’ntjoeba); [of
iets sterk genoeg is], koeendoen
(ngendoen); [onderzoeken], koe-
oendjoen (ngoendjoen; [toetsen],
koeoedji (ngoedji)
Beproeving, pertjoebän; sera; si-
nanggel.
Beraadslagen, arih-arih, erpekat [in
ongunstigen zin veelal].
Beraadslaging» perarih, pekat.
Berechten» koeroenggoeken (nge-
roenggoeken).
Berechting» roenggoe, roenggoên.
Bereid [geneigd], ’nggit (git); päng.
Bereiden [spijs —], erdakan; [in orde
brengen, enz.],koepedjorë(pedjorë);
[indigoverf bereiden], ’nggaroe.
Bereiken, sêh.
Bereikbaar [dat men het met de
hand kan grijoen], terdjaka; sêh.
Berekenen, koekiraï (’ngkiraï); [bij
zich zelf berekenen], koepipes.
Berg» deleng; [kleine kale -], goeng.
Bergachtig, [sterk geaccidenteerd],
baloeren.
Bergaf, koe soeah, ngintjoeah, koe
berneh.
Bergland» goenoeng, taneh baloeren,
goenoeng-goenoeng.
Bergop, nangkeng-nangkeng.
Bergpas, nangkeng-nangkengen.
Bergplaats [rijstschuur], keben, loem-
boeng, sapo; mandah; [voor goe-
deren en kostbaarheden], kepoek.
Bergtop, antjoek-antjoek; tampoek
deleng.
Bericht» kata, berita.
Berichten» erkata; koeberitaken (me-
ritaken).


BERIJDEN.
- 12
BEST.
Berijden, [een paard —], erkoeda,
ngersak koeda.
Berispen, koepangandi (mandangi).
Berisping, pandangen.
Berm, tepi dalin, doeroe dalin.
Beroemd, anggoer-anggoer, terberita,
termoermoer.
Beroep = bedrijf; in hooger be-
roep [appèl], apil
Beroerdeling, anak si poehe.
Beroering, goentar.
Berokkenen [kwaad —], koeroelahi
(ngeroelahi).
Berooid, medasdas, gepoel.
Berooven, koereboeti (ngereboeti).
Berouw, berouw hebben, erkadiola;
erkadedjada.
Beruiken, koesanggehi (nanggehi).
Berusten [in een vonnis —], koe-
aloken (ngaloken).
Beschaafd [letterl., mooi glad], me-
linang; [fig., welopgevoed, enz.],
erlagoe, kelagoên.
Beschaamd, mëla; beschaamd ge-
maakt, kemelän; [— door een an-
der], soesoet.
Beschadigd, lit tjëdana; [ietwat —],
metjembir.
Beschadigen, koetjedaken (’ntje-
daken); [een weinig —], koegetgeti
(’nggetgeti).
Beschaduwd, linggem, melindoeng.
Beschaven [glad maken], koekoesa
(’ngkoesa).
Bescheiden, ngangkar; angkar-
angkar.
Beschermeling, kapiten
Beschermen [de hand boven het
hoofd houden, voortrekken], koe-
kapiti (’ngkapiti. (Zie verder op
beschutten.)
Beschermgeest, djinoedjoeng, soe-
dara.
Beschijnen, isalsalken (nalsalken),
isenggangken (nenggangken).
Beschikbaar, lit.
Beschikken [regelen], koedjoedjoer
(’ndjoedjoer); koepedjorë (pedjorë).
Beschikking [lot, fatum], pengindo;
[regeling], atoeren, djoedjoeren.
Beschildering [de figuren op de
dapoer-dapoer der huizen], gerga.
Beschimmeld, lapoeken.
Beschimpen, koeïsakken (ngisak-
ken); koeoeroe-oeroeï (ngoeroe-
-ngoeroeï).
Beschonken, maboek.
Beschot [opbrengst], telih; een goed
beschot opleyeren [van de rijst],
’mboeah page.
Beschouwen [aanzien], koepernehen
(pernehen); [met kritischen blik
—], koeindangi (ngindangi); [behan-
delen], koepedehirep, pedehirep.
Beschrijven [schrijven op iets], koe-
soerati (noerati).
Beschroomd, mehangke, mela;lenge.
Beschuldigen, koesalahi (nalahi).
Beschut, ligen; [—tegen regen], tjio ;
[tegen zonnehitte], linggem.
Beschutten, koeligeni (ngeligeni);
[zich — tegen regen], tjitjio; [tegen
de hitte], tjilinggem.
Beschutting, ligenen, tjiligenen;
ketjión.
Beselfen [zich bewust zijn van], koe-
agahken (ngagahken).
Beslag [van meel], tjimpa; [metalen
beslag om een mesheft], langgoe.
Beslapen, koepedemi (medemi)
Beslechten, koepoetoes (moetoes).
Beslissen, koepoetoes, (moetoes).
Beslissing, kepoetoesen.
Beslist,_ [uit, uitgemaakt], poetoes,
selese, salang sai; [stellig van
iemands woorden], patih.
Beslommering, soesah, soehsah;
kepitjeten.
Besluipen, koegarangi (’nggarangi).
Besluit [voornemen], peraten.
Besluiteloos, boerlah-boerlah.
Besluiten [vaststellen], koetetapken
(netapken)
Besmeren [met lijm, pek, e. d.], koe-
daleh (’ndaleh); koesamak (namak);
[met zalf e. d.], koegoelasahken
(’nggoelasahken; [— en tevens
masseeren], koealoeni (ngaloeni).
Besmettelijk, langket.
Besneden, ijiltjil.
Besnijden, ’ngkatjip.
Bespelen [slaginstrumenten], koe-
paloe (maloe); [blaasinstrumenten],
koeemboes (ngemboes); [snaar-
instrumenten], koekoeït (’ngkoeït);
[met een strijkstok], koesiket
(niket).
Bespeuren, koeakap (?); koeïdah
(ngidah).
Bespieden, koeandapi (ngandapi)
koeirik-irik (ngirik-ngirik).
Bespotten, koeïsakken (ngisakken);
koekoelis (’ngkoelis), koegahgahi
(’nggahgahi).
Bespraakt, beloeh ngerana.
Bespreken, arih-arih; koearihken
(rarihken); koeranaken (ngera-
naken).
Besprenkelen, koepirpiri (mirpiri);
koetjirtjiri ( ntjirtjiri, nirtjiri).
Bespringen [dekken], iampë (ngam-
pe); [v. e. roofdier], irigep, (ngeri-
gep); iterkam (nerkam).
Bespuwen, koetjidoeri (’ntjidoeri);
[met medicijn], koesemboeri (nem-
boeri.
Best, mehoeli, merandal; [eerstekwal.],
kepala ; best! 'tis best!, bantji 1


BESTAAN.
13 -
BEVUILEN.
Bestaan [bestaand, aanwezig], lït;
[kunnen bestaan, leven] ’nggeloeh;
het bestaan [leven, levensonder-
houd], geloeh,kegeloehen;pentjarin.
Bestand [tegen], koetahan; ik ben
bestand tegen vermoeienis,koetahan
latih; [niet vatbaar, immuun voor
een ziekte], baroeken; [het Engel-
sche proof, in fire-proof], la ipän...
of la man; deze jas is bestand
tegen regen, badjoe ënda la ipän
(la man) oedan.
Bestanddeel [onderdeel van iets],
anak . . . [van medicijn],adoem;
[van toovermiddelen], poeloengen.
Besteden [geld uitgeven], koepakë
(make); koepelawes(pelawes); [on-
nut besteden], koedjodjoken (’ndjo-
djoken).
Bestelen, koepenangkoï (penangkoï).
Bestellen [opdragen], koetenah (er-
tenah).
Bestelling, tenah, tenahen.
Bestemd [voor iets —], lako, man.
Bestemming [gebruik], lakón; het
heeft een [bepaalde] bestemming,
lit lakónna.
Bestendig, tetap; gelgel.
Bestijgen, koenangkihi (nangkihi).
Bestippen [met sirih e. d. als afwe-
ringsmiddel], koepoetari (moetari).
Bestoven, megoentoer.
Bestraffen, koepandangi (mandangi).
Bestralen [van warmte], idiangi
(’ndiangi); [van licht], isalsali,
(nalsali).
Bestrijden [opkomen tegen een von-
nis, een uitspraak, enz.], ertahan;
[elkaar — in den oorlog], erperang,
ermoesoeh; [met woorden], sisim-
baken, ergogo.
Bestrooien, koetjaboeri (’ntjaboeri).
Besturen, koeradjaï (ngeradjaï); koe-
djoedjoerken, (’ndjoedjoerken).
Betalen, koegalar (’nggalar).
Betaling, galar.
Betamelijk, aroes, patoet.
Betasten, koedadap (’ndadap); koe-
djamah (’ndjamah).
Beteekenis, erti, antoesen; kata.
Betel, belo.
Beter [hersteld], malem; [liever], het
ware beter, adin, madin, adän.
Beterend, rnadan.
Beteuterd, lenge; djengang, rengak.
Betooveren, betooverd, ibëni ka-
lak; [door een blik —, verlammen,
als men zegt, dat de tijger doet],
idjerat (’ndjerat).
Betrappen [iemand op iets —], koe-
dapet (’ndapet).
Betreden, koededeh (’ndedeh); koe-
pededeh (pededeh), koeperdjati
(merdjati).
Betrokken [v. d. lucht], endem ; [van
het gelaat], berdjoet; [ergens in—],
sandit.
Betrouwbaar, ’ndjalap, pinter, boe-
djoer.
Betwisten [elkaar iets —], siakoên.
Beu, ledja.
Beukelaar = schild.
Beuken [met een stuk hout], koegoe-
dam (’nggoedam).
Beurs, perbeliten; beursje, koedjam-
-koedjam.
Beursch, mala.
Beurt, 7 is mijn beurt, acjjangkoe,
beurt om beurt, beurtelings, [pe]-
gantjih-gantjih.
Beuzelen [prutsen], takoet-takoet
dahin läng.
Beuzeling [kleinigheden], roentjoek-
-roentjoek; (geen serieuze bezig-
heid) takoet-takoet.
Beuzelpraat, tjakap la ’rboekoe,
tjakap marindjadja.
Bevallen [behagen], ngena: het be-
valt mij, ngena atëkoe, pêt akoe
[baren], ibas dapoer, al bevallen,
enggo merëhan.
Bevallig, ga jan g.
Bevatten [inhouden], risi, isin; kunnen
bevatten [er in kunnen], siat.
Bevel, kata, pedah, perentah.
Bevelen, koekataken (ngataken); koe-
pedahi (medahi), koesoeroeh (er-
soeroeh, noeroeh); koeperëntahken,
(merëntahken).
Bevelhebber, poeanglima, radja
goeraha.
Beven [beverig], girgir; [van den
grond als door een aardbeving],
goejoeng, goemoejoeng, moejoeng-
-oejoeng, demoejoeng.
Beverig [door ouderdom], saringkoe-
koên.
Bevestigen [vastmaken], zie vast-
binden enz.; [bekrachtigen, be-
amen], koeendoeni (ngendoeni),
koeoeëken (ngoeëken).
Bevinden [ervaren], koeakap (?).
Bevoegd [om mee te spreken e. d.],
atan katana, masin katana: patoet.
Bevolking [v. e. dorp], anak koeta,
[v. e. land], oerang . . .
Bevolkt, meriah, enterem djelmana.
Bevredigd, sinik ate, senang; ma-
lem atë, sipi.
Bevreesd, ’mbiar.
Bevriend, meriah ras . . ., erteman.
Bevrijden [loslaten e. d.], koepoelah,
(poelahi); [loskoopen], koeteboesi
(neboesi); [een gevangene e. d.],
koetangtangi (nangtangi).
Bevuilen, koekotori (’ngkotori); [een
weg —], koebatjiri (matjiri) [eu-
phemitisch].


BEWAKEN.
14
BIKKEN.
Bewaken, koekawali (’ngkawali);
koeïani (ngiani); een dorp bewaken,
[de dorpswacht hebben], erkerin.
Beweeglijk, medjingkat.
Beweenen, koetangisi (nangisi).
Bewegen [zich], kemoeït, moeït-oeït.
[vooral v. veerkrachtige voorwer-
pen], ’nggeloeh.
Bewerken [veroorzaken], koeroelahi
(ngeroelahi).
Bewerpen, koebenteri (menteri).
Bewijs, keterangen, tanda.
Bewijsstuk, tanda. _
Bewilligen, koeberë (merê).
Bewolkt, endem.
Bewonen, koeïngani (ngingani), koe-
iani (ngiani).
Bewoners [v. e. huis], isi roemah;
[v. e. dorp], anak koeta, anak roe-
mah ; [v. e. land], oerang. . .
Bewust, zich bewust zijn van, koe-
agahken (ngagahken).
Bewusteloos, boedjerän.
Bewustzijn, tot — komen, moelih
’nggeloeh; idoeng-idoeng.
Bezaaid, bëni.
Bezadigd, mandjar-andjar, mangkar-
-angkar.
Bezeeren [zich — door stooten], ter-
antoek; [door hakken], tertakil;
[door snijden], tersajat.
Bezegelen, koeesahken (ngesahken).
Bezem, sapoe-sapoe.
Bezet [drachtig], kandoengen ; sanda-
ngen [plat]; ’ngkawali bana [fijn];
[ingenomen door], beni.
Bezeten, seloeken, selapen.
Bezien, koepepajo (pepajo).
Bezig [met iets —], tengah . . .; ik
ben bezig met eten, tengah man
akoe.
Bezigheid [werk], dahin; [bedrijf],
perasat, djabat-djabaten.
Bezinksel, sampah-sampah, oekal.
Bezitten, lit, er-; mada ; ik bezit geen
geld, ma lit emaskoe ; ik bezit geen
hond, ma akoe erbiang.
Bezitter, empoe, si mada.
Bezitting, adjang (zie op bezitten).
Bezocht [door de góden,heimgesucht],
kebilangen; ketoelahen.
Bezoeken, koedahi (’ndahi); koetan-
dangi (nandangQ.
Bezorgd, aroe ate.
Bezorgen [voorzien in], koepasang-
ken (masangken); [beheeren], koe-
tinggiken (ninggiken).
Bezwaar [zorg], sera; [hindernis],
abat. dongkel; [uitvlucht], perda-
lihen.
Bezwaarlijk, mesera, soehsah, me-
kapes: [onmogelijk], metahat.
Bezweerder, goeroe.
Bezweet, panasen.
Bezweren [met een eed], zie op
zweren; [— met tooverspreuken
e. d.], koetabasi (nabasi).
Bezweringsformule, tabas, pagar,
mangmang.
Bibberen, girgir.
Bidden, ertoto, erseboet.
Bies, tjikë; [grof soort], beroendoeng.
Big, anak babi.
Biggelen, erdire-dire.
Bij Jvoorz.], i, ibäs; [behoorende bij],
ras; [dichtbij], ’ndeher koe ..., [na-
derend], nandangi; [gedurende],
tengah, sanga.
Bij [insect], lebah; [andere soorten,
welker honing van minder goede
hoedanigheid is], benben, boem-
boen, aringgeneng.
Bijdehand, mestik, tjerdik.
Bijdoen [er —], koetambahi (nambahi);
tole.
Bijdrage, adangen, ripë.
Bijdragen, koeadang (ngadang); koe-
• ripeken (ngeripëken).
Bijeen, [er]sada, poeloeng. (Zie voorts
de verschillende samenstellingen;)
Bijeendoen, koepersada (persada).
Bijeenkomen [vergaderen], poeloeng,
koekoe, toempoe; [samenvloeien],
toemboek, erdemoe.
Bijeenkomst, pertoempoên.
Bijeenvoegen, koepersada (persada).
Bijenkorf [een bamboekoker, even-
als die, waarin men den palmwijn
opvangt], tongkap.
Bijennest, tjambang [lebah].
Bijenwas, lilin.
Bijgenaamd, tergelar.
Bijgevolg, djadi.
Bijkomen [weer tot bewustzijn ko-
men], idoeng-idoeng.
Bijl, kapak; [dissel], belioeng.
Bijleggen [een twist], koetelahi (ne-
lahi).
Bijlichten, koetendangi (nendangi).
Bijna, menam, naroes.
Bijstaan, koesampati (nampati), [met
geld], koetolong (nolong).
Bijten [met de tanden], koekarat
(’ngkarat).
Bijtend [van smaak], mesêr, mesiak;
melas; [van rook aan de oogen, e.d.],
mesengal; [voor den reuk], me-
senggang.
Bijvoegen, koetambahi (nambahi).
Bijwijlen, sekali-sekali; soeng;nam-
pang-nampang.
Bijwonen, ik heb het bijgewoond,
akoe ngidahsa, akoe idjë.
Bijziend, seleng.
Bijzonder [bijw.], kal, mekelek, ma
nai langlang, ma teralang; [buiren-
. gemeen, excentriek], djambar.
Bikken [afbikken], koepikpik(mikpik).


BIL.
15 -
BOL.
Bil [de billen], boeta-boeta.
Billijk, patoet, boedjoer, aroes.
Binden, koeïket (ngiket); koerakoet
(ngerakoet).
Binnen, ibäs, koebäs.
Binnengaan, koebengketi (mengketi)
Binnentialen [wat bijv, te drogen
heeft gehangen], koeakin (ngakinj.
Binnenste [van een pisangstam],
oemboet; [merg v. sommige plan-
ten], oenoeng; [het gemoed], tji-
ninta.
Bint, roesoek.
Bits, merambit.
Bitter, pagit.
Blaar, goembang; [bloedblaar], bekoe.
Blaas, ioep-icep. oejoep-oejoep.
Blaasbalg, oembak-oembak, emboes-
-emboes.
Blaaspijpje, sempoel-sempoel.
Blaasroer, eltep.
Blad, boeloeng.
Bladgoud, koeratda.
Bladscheede [als bij palmen], oepih;
selodang; [bij bamboe], lawak.
Bladsteel [van palmen], kedeng.
Bladstil, pelting.
Blaffen, mereng.
Blaten, erbë (spr. uit bè).
Blauw [van de oogen],’mbentar; [van
den hemel], meratah; [van bergen
in de verte], mehidjo-hidjo; don-
kerblauw, ’mbiring.
Blauwblauw, iets blauwblauw laten,
koepedjangdjang (pedjangdjang);
koeenggo-enggoken (ngenggo-
-ngenggoken).
Blauwverven, erpelaboeh; koepela-
boehken (pelaboehken).
Blazen, ngemboes.
Bleek, hij werd bleek, sambar ajona;
[flets van gelaat], melambë.
Bles, [koeda] tengkoelap.
Blijde, meriah, senang; tergintar.
Blijdschap, meriah atë.
Blijk, tanda.
Blijkbaar [blijken te zijn], kepëken;
ik meende dat hij dood was, maar
hij leefde_ blijkbaar, koetoekas
enggo mate, kepeken ’nggeloeh.
Blijken [duidelijk zijn], terang; teri-
dah; zijn gezindheid blijkt [daaruit],
teridah oekoerna.
Blijven [blijvend], tetap, gelgel, lalap ;
[vertoeven] ngadi; [achterblijven]
tading.
Blik [v. d. oogen], kirep; [metaal],
kopi; kopi-kopi; [— waarin petro-
leum, klapperolie e. d.], ajan.
Blikken [met de oogen], ’ngkirep.
Bliksem, kilap; [de inslaande blik-
sem], perkas.
Bliksemen, erkilap.
Blind, pëntang, pitoeng mata.
Blinken, bllnkend,melinang, ernala.
Bloed, dareh; [euph.] getah.
Bloeddiarrhee, redjan.
Bloeden [bloedend], tidareh; erg
bloeden, [ook erg vloeien], boe-
boesen.
Bloeding [van den neus], pinggoer;
erge bloeding [vloeiing], boeboes.
Bloedschande, soembang.
Bloedverwant [in het algemeen],
kadë-kade.
Bloedzuiger [kleine bosch —], li-
mantek, [k]alimantek; [groote
water —], lintah; [zeer kleine —],
emboep.
Bloeien, erboenga; [van de doerian
e. d.], erkaliaga; [van de rijst],
roempah.
Bloem [in het algemeen], roedang;
[in de namen van bloemen veelal],
boenga; [eerste kwaliteit], kepala.
Bloemtros [als van de palmen], ari-
rang; oeas; boenga majang.
Bloesem, roedang, boenga; [van de
doerian], kaliaga; [van de pisang],
djantoeng.
Blok [om een gevangene in te sluiten],
bajangen; [houtblokken voor het
vuur van een kraamvrouw], batoe-
batoe; [halsblok], kaldoeng.
Blond, ’mbentar.
Bloo, tjiktjik.
Bloodaard, pertjiktjik.
Bloot [naakt], tilandjang; [louter,
alleen], pelin-pelin.
Bluffen, blufferig, metekir.
Blusschen, koenimpeti (nimpeti);
koepetpeti (metpeti).
Blut, poetpoet; medasdas.
Boa [slang, pythonslang], nipe sawa.
Bobbel, goeldih.
Bocht, ëloek; [kronkel], toelbang.
Bochtig [van een weg], ngeloek
[krom], gëdoek.
Bode, soeroehen.
Bodem [onderkant], pantil, gaga;
[grond], taneh; [vloer], papan.
Boedel, oegas-oegas, oegas-oegasen
Boei [ijzeren handboei], gari.
Boek [wichelboek], poestaka; soerat,
boekoe, kitap.
Boekpens, gambir-gambir.
Boel [veel], lala, melala.
Boeman, nini para.
Boer, boeren [oprispingen hebben],
terken.
Boert, djagar.
Boerten, djagar-djagar.
Boete, galar, aboel, geraha, oetang.
Boffen, djoempa redjeki: sangap.
Bok, badjar.
Boksen, ertindjoe.
Bol [opium], boekoe; bol staan, [uit-
puilen], poelning.


BOLROND.
16 -
BROMMEN.
Bolrond, kiboel.
Bolster [van de rijst], segal; [in het
algem.j, koelit.
Bond, bondgenootschap, oeroeng.
Bont [gevlekt, van paarden e.d.],me-
kambing; [van hanen] korek; [ge-
nuanceerd van kleeren], merengget.
Boodschap, tenah.
Boog, panah; [werktuig om een ge-
kieurden rand aan een kleed te
maken], panah-panah; [om kapok
te zuiveren], teptep.
Boogvormig, melengkoeng.
Boom [gewas], kajoe, batang, batang
kajoe; [kloet, stok], galah.
Boomvaren, tenggiang.
Boor [vuurboor], penggirik.
Boord [rand], tepi, doeroe; [zoom],
kelim.
Boorden, koekelim, (’ngkelim)
Boordevol [overloopend vol], sam-
poer; sêr.
Boordsel, pengemkem.
Boos, nembeh
Boosaardig, merawa, djahat.
Boosdoener, pendoelasa, pertoenda-
-kais.
Boot, perahoe; [uitgeholde boomstam],
seloe.
Borax, pidjer.
Bord, pinggan; tjapah, doelang.
Borg, kakoe, belit; djamin.
Borgen [op crediet koopen], ertang-
goeh.
Borrelen [van een bron van kokend
water e. d.], gedjek.
Borst, tenten ; [— van een kip], garap ;
de borsten, tjoetjoe [plat], pola [fijn].
Borstdoek, pengalkal.
Borstel, siser.
Bos [van rijstaren], poengo ; [van rijst-
halmen], raden ; ]bundel], berkis ;
[klein bosje plantrijst[, renting.
Bosch, kerangen ; oud bosch, kerangen
toea; jong bosch, rambah opko-
mend bosch, gantoeng akar.
Boschduif, poene.
Boschkappen, ngerabi.
Bosje [haarbosje], djambi-djambi;
toengkir nakan [vóór op het hoofd];
tangkë taboe [op het achterhoofd].
Bot [van een mes], metoeltoel; madjil:
bebal; [ook van het verstand]
toempoel.
Bot [beenderen], toelan.
Botsen [tegen elkaar], sitendengen.
Boud, pang; melasang.
Bout [pen om iets, vast te zetten,
vooral bij vastlegging in het blok],
pasoek toeriang; [van een slacht-
beest] kajo; [van een kip], toelan
si kembang.
Bouwen [een huis], koebahan (mahan)
roemah.
Bouwgrond [de bij een dorp be-
hoorende voor bebouwing gebezig-
de gronden], perdjoemän
Bouwland, djoema.
Bouwvallig, roentoeh ; boeroek.
Boven, das (datas), idäs, koedäs;
ibobo, ibabo.
Bovenal, terlebih.
Bovendien, ambah si ë ka pë.
Bovengenoemd, si ’ndai, si tersena.
Bovenlander, oerang djoeloe; oerang
goenoeng, anak goenoeng.
Bovenmate, mehantoe.
Bóvennatuurlijk, medjin ; kesaktin.
Bovenstrooms [arah]djoeloe ter-
djoeloe, i kendjoeloe.
Braadpan, belanga.
Braaf, boedjoer; mehoeli lagoe-Iang-
kah.
Braakliggeh [braakliggend], gegas;
braakliggende gronden, djoema
gegas [in de Doesoen]; embal,
’mbal-mbal [op de Hoogv akte].
Braaksel, oetah.
Braam, liplip.
Braden [met olie], koerendang, nge-
rendang; [roosteren], koepanggang.
Braken [misselijk zijn], moetah;
[overg.] koeoetahken (ngoetahken).
Brand, meseng roemah.
Brandbaar [licht —, van hout], ma-
gern.
Brandbriel, poelas.
Branden [brandend], gara; het vuur
brandt, enggo gara api; [overg.,
koffie, mais —], koesaoek(naoek);
het veld afbranden], noeloeli; [zen-
gen], koetoetoeng (noetoeng); koe-
sengsengi (nengsengi).
Branderig [v. e. wond e.d.], ngilas;
[—jeuken, als door een brandnetel],
’nderngit.
Brandhout, ranting.
Brandnetel, lateng.
Breed, ’mbelang.
Breien [van netten], koeseret (neret).
Breken [in tweeën, onoverg.J, peng-
gel; [in stukken], petjah ; [van touw
e.d.j, retap; [overg.], koepenggelken
(menggelken); koepetjahken (me-
tjahken); koeretap (ngeretap).
Brengen, koebaba (maba); koeembah
(ngembah, rembah).
Brief, soerat.
Brij [water van de gekookte rijst],
kantji; [brijige massa], dakdak.
Bril, tjermin mata.
Broeden, ’ngkerem, medem.
Broek, seloear.
Brok [afgesneden stuk], keret.
Brokkelen [verbrokkeld], metjepik,
tjepiken; [overg.], koetjepikken
(’ntjepikken).
Brommen [brullen], ’ndengoem.


BROMTOR.
17
CREDITEUR.
Bromtor [soort van hommel, die gaten
in het hout vreet] bereng-bereng.
Brou, oeloe laoe; soemboel.
Brons [klokkenmetaal], kangsa.
Brood, roti.
Broodboom [Artocarpussoort], koe-
loer.
Broos [bros], merapoeh, merampek.
Brouwen [van de spraak], ’ngkarap.
Brug, kite; kite-kitë; [groote planken
brug], gertak.
Bruid, diberoe, impal.
Bruidegom, dilaki, impal.
Bruidschat, oendjoeken, peroen-
djoek; emas.
Bruikbaar, terpake; lit goenana-
Bruikleen, in bruikleen geven [van
gereedschap e. d.], koe[p]indjamken
(pindjamken, ngindjamken).
Bruiloft, kerdja empo; bruiloft vieren
[het maal houden enz.], erdemoe
baï, erdemoe bajoe, erboebaï.
Bruin, megara-megaraj mekerah; [—
gebraden], merengge.
Bruisen [mousseeren], gedjek.
Brullen, 'ndengoem.
Brutaal, metoeda, megombang, me-
kamis. melasang.
Buffel, kerbo.
Buffelgat [modderkuil in het vrije
veld, waarin de buffel zich wentelt],
pertjebahen.
Buffelhoeder, permakan kerbo.
Buffelkraal, baroeng.
Butfelkuil [omheind, en dienende
tot stal, resp. nachtverblijf], kan-
dang kerbo.
Buffelpad, bakal.
Buffelstal, karang kerbo.
Buidel, koedjam,
Buigen [het hoofd —], moengkoek,
toengkoek; [bochtig van een weg],
ugeloek; [overg.] koebentoer (men-
toer); koebengkoengken, koebeng-
koekken; achterover buigen[\nten
rug gebogen], tidak [zie ook op
gebogen.
Buigzaam, medate; dajoek.
Buik, beltek, boejak, biwak.
Buikloop, soler.
Buikriem, gendit.
Buil, goembang.
Builen, [wannen, van de rijst van het
veld], ngangin-ngangin; moerpoer;
[van gestampte rijst], koepiari(mi-
ari); ersigi.
Buis (kleedingstuk], badjoe; [pijp,
waterleiding], pantjoer.
Buit, tabanen; rampasen.
Bulten, idarat, iloear. iteroeh.
Buitengewoon, la teralang, ma nai
langlang; getes.
Buitenshuis, iteroeh.
Buitensporig, mehantoe; la er-
djangka; hij is buitensporig [weet
geen maat te houden], la iëtehna
djangkana.
Buitmaken, koetaban (ertaban).
Bukken, moengkoek, bengkoeng;
[voor de overmacht], taloe.
Bul [van een buffel], bergoeh; [van
rundvee], djenggi.
Bult [heuvel], boentoe-boentoe; [vet-
bult van vee], enggoeh; [lichaams-
gebrek], bengkoeng.
Bultzak, tilam.
Bundelen, koerentingi (ngerentingi).
Bunzing, [soort —], moesang.
Buskruit, oebat, oebat bedil
c.
Cachou, gamber, gambir.
Caoutchouc, getah, getah ramboeng.
Castreeren, koekasihken (’ngkasih-
ken) [vooral van hanen, varkens en
honden]; [euphemistisch], koeboe-
rihi ('mboerihi) [vooral v. varkens).
Catapult [soort van —], pistak-pistak.
Ceremonie, [godsdienstige plechtig-
heid], kerdja; perlakón.
Cent, sën; [dollarcent], doeit.
Champignon, dawan.
China, taneh tjina.
Chinees, tjina, oerang tjina.
Cholera, laja-laja.
Cijfer, nombor.
Cimbaal, tjala tjajak.
Cirkel, si metjengkë; [kring], gelir.
Cirkelrond, metjengke.
Citroen, rimo; soorten zijn: rimo keling,
— moengkoer, — poeraga, — malem.
Clitoris, boeah-boeah.
Collier, si mata oeram; sengkoek-
-sengkoek.
Concaaf, lentik, kelboek.
Condoleeren, koeapoeli (ngapoeli)
Confronteeren, koepetoempar ba-
bah.
Contributie, adangen, ripe.
Corpulent, noernoer belinna.
Credit, ido.
Crediteur, peroetangen.


DAAD.
- 18 -
DIE.
D.
Daad, bahanen, lagoe, langkah.
Daags, [over dag], soeari, doengari.
Daar, idje.
Daarenboven, ambah si e ka pë.
Daarentegen, tapina._
Daargelaten, ola lebe.
Daarna, idjënari; minter, mintes.
Dadelijk, ënam (ena me), [nog heel
even], sitik nari.
Dader, si mahantja.
Dag, oeari; [bij het tellen v. dagen
veelal] berngi.
Dagelijks, teptep oeari, tjap-tjap
oeari.
Dageraad,sampoer manoek.pedoedoe
siang.
Dagwerk, dahin sada pagi.
Dak, taroem.
Dakbedekking [van vezelstof], i-
djoek; [van palmbladeren], atap;
[van bamboe], boetar.
Dakspar, roesoek, kaso [Mal.].
Dal, berneh; [diep dal met een rivier],
kelboeng.
Dalen, noesoer, soesoer; ngintjoeah,
koe soeah, koe berneh; [—van het
water], mersap; [— van den prijs
van iets], oerak ergana; [—van de
zon], ki[n]teroeh.
Dam, tambak; [stuwdam], belanen.
Damasceering.pamoer; [fijner soort],
toeka ’mberek, koere.
Dambord, [schaakbord], papan satoer.
Dammen [ons spel], main dam; [in-
landsch soort], erseser.
Damspel [inheemsch soort], seser.
Dan [bij vergelijkingen], asa, kasa,
ras, ngentja, kentja2 maka; [dus],
dagi; [daarna], idjënari; [in dat
geval], di bage.
Dan maar, gia_, gelah; [geef mij] dit
dan maar, enda gia; laat ik dan
maar gaan, lawes akoe gelah.
Dank [als uitroep], boedjoer; dank
zeggen, koekataken boedjoer (nga-
taken boedjoer).
Dankbaar, ermengkah atë.
Dans, landek, perlandek.
Dansen, landek.
Danser, [kalak] perlandek.
Dapper, merawa; lasak.
Darm, bitoeka.
Dauw, namoer, sarintangtang, emboen.
Debet, oetang.
Debiteur, peridón.
Deel, bagin, oentoeng, goegoeng;
panggoengfen].
Deelen, koebagi (erbagi); koeoen-
toengken (roentoengken).
Deels, dëba; sitengah.
Deerlijk [— gewond, gehavend],
mesekah.
Deernis, perkoeah atë.
Deftig [aanzienlijk], meparas, me-
toenggoeng.
Degelijk [deugdelijk], benar.
Dekbalk [tot sluiting boven op den
wand], djoedjoengen derpih.
Dekblad, pemaloet.
Deken, tjabin; selimoet (overgenomen
uit het Mal.).
Dekken [een dak], koetaroemi (na-
roemi); [met twee materialen, bijv,
atap en idjoek], ngelajang.
Deksel, toetoep.
Del [pokput], rapak.
Dempen, koetamboeri (namboeri).
Denken, roekoer.
Derde, si peteloe; de derde maand,
si paka teloe; de derde dag [over
drie dagen], keteloên.
Derdehall, tengah teloe.
Deren [van invloed zijn, pijn doen],
tergedjap, terakap; koegedjap,
koeakap; het deert mij niet [ik trek
het mij niet aan], la megatel goe-
roengkoe pë.
Derhalve, dage, dagi, dagina.
Dertien, sipoeloe teloe.
Dertig, teloe poeloeh. _
Desalniettemin, bagë pë, bagë gia.
Deskundig, beloeh, meteh; pande;
goeroe.
Des te, terlebih; makin.
Destijds, idje; toepoeng ë.
Deugd, kiniboedjoeren.
Deugniet, pertoenda kaïs, ampoel
alas.
Deuk [gedeukt], kelsoe, telsoe, kelbap.
Deun [gezang], doendang-doendang.
Deun [dicht op den kant], metepi,
moempe.
Deur, pintoên.
Deze, ënda, ëna.
Diagnose, de diagnose stellen, koe-
roemahi (ngeroemahi, peroemahi).
Diarrhee, soler.
Dicht [goed gesloten], sepit, rapat;
[niet luchtig, als gebak], seset, lepat;
[van weefsel], pinet, seset, tendel;
gesloten, niet open, van een deur
e. d], toetoep, pintoe; [van een
bloemknop], koekoep; [van de
oogen]. pitpit; [dicht op elkaar],
padit, ramram.
Dichtbij, ’ndeher, nandangi.
Dichtdoen, koepintoe (mintoe), koe-
toetoep (noetoep); [de oogen —],
koepitpit mata (mitpit mata).
Die, ë, a[h], ada[h].


DIEET.
— 19 —
DOORSCHEUREN.
Dieet, pantang.
Diet, [kalak] pinangko.
Dienaar [lijfknecht], djoeak-djoeak;
karah-karahen.
Dienst [verplicht werk], karahen.
Diep, ’mbagas; [van slaap], poeh.
Dier, roebia-roebia.
Dij, pa ha.
Dijk, tambak.
Dijkje [van een sawah], galoengi;
[langs een waterleiding], bakoel-
-bakoel.
Dik [vet], ’mboer, gopok, temboen;
[van een boom], ’mbelin; [van
kleeren e. d.]L mekapal; [van vloei-
stoffen], mededë, kenden.
Dikwijls, megati, mekatep.
Ding [als stopwoord voor iets dat
men niet noemen kan of wil],
kadih, apa[hj.
Dinges si kadih, si anoe.
Dinsdag, selasa [Mal ]; [3e, resp. de
10e, 17e en 24e van de Bataksche
maand], ’nggara, ’nggara sepoeloeh,
’nggara enggo toela,’nggara’mbelin.
Dlsputeeren, ergogo.
Dissel, belioeng, balioeng.
Dit -- deze.
Dobbelaar, perdjoedi.
Dobbelen, erdadoe; [spelen in het
algemeen], erdjoedi.
Dobbelspel, djoedi; rampah.
Dobber, goendang-goendang,
Dochter [anak] diberoe.
Doek [wit goed], dagangen; belatjoe
(zie verder op hoofddoek, borstdoek,
schouderdoek).
Doel [schietschijf], tandaj [bedoeling,
oogmerkl, ate, peraten; [waarom
men komt], tandangen.
Doeltreffend, mesinting.
Doen, koebahan (erbahan, mahan).
Doenlijk, terbahan, terdahi.
Doerian, doerin, taroetoeng.
Dof [van een geluid], erdeteng.
Dol, majangen.
Dolen, niar-niar.
Dolk, rentjoeng, keris, bawar.
Dollar, serpi, ringgit.
Dom, lenge, toempoel.
Dommelen, dommelig, ngantjoek,
moendoek-oendoek;_ even domme-
len, pedem-pedem leto.
Dompelen, koetjelep (’ntjelep); koe-
tjeloerken (’ntjeloerken).
Donder, lenggoer; [in de verte],
geroeh.
Donderbus, pengoeras.
Donker [avond], bén, gelap, bên oeari;
[duister], peteng, petir; [van kleur],
'mbiring; bij donker aankomen,
kegelapen.
Dood, mate, [zelfst. nw.],kematën; [het
hiernamaals], taneh kesalihen.
Dooden, koeboenoeh (moenoeh).
Doodgaan, mate ; [euph.J, moelih koe
Dibata, djoempa ras tendina.
Doodkist, pelangkah.
Doodsch [eenzaam], meloengoen,
mesoeni.
Doodsuur, sipat.
Doof, pasek.
Dooier, gersingna.
Doopen [indompelen], koetjelep (’ntje-
lep), koetjeloerken (’ntjeloerken);
[eventjes indippen], koetjaleh (’ntja-
leh).
Door, [bij p^ssief-constructies], wordt
niet vertaald; [langs], arah; door
en door, teroes; [aldoor], lalap.
(Zie verder de samenstellingen.)
Door [lek], telpoes, poeltak.
Doorboord, toepoek; [vol gaten],
merahang.
Doorbooren, koerakat (ngerakat),
koetoepoek (noepoek), koeremboek
(ngeremboek).
Doorbreken [onoverg., doorgebroken
van een gezwel e. d.J, poeltak;
[van een dijk, een heining],’mboer-
tas; [ergens doorheen breken],
koeboertas (moertas).
Doorbrengen [den nacht], erberngi;
[verspillen], koedjodjoken (’ndjo-
djoken).
Doorbuigen [in de knieën, als bij het
dansen], ngendek; [in het midden
—], lentoeng.
Doordat, perbahan, ibahan.
Doordrijven, koeseraken.
Doordringen, koeselat (nelat).
Doordringend [van een gek id],
megerning, mersik, mengirngir
Dooréén, singgoer; [verward], raboet;
[dooreengegroeid],pesawen-sawen.
Dooreenroeren, koeerboes (nger-
boes), koeboersih (moersih).
Doorgaan [gebeuren], soeroeng, sa-
hoen ; met iets doorgaan, koeoelihi
(ngoelihi); in één dag doorgaan
[zonder te overnachten], ermantas.
Doorgaans, semal.
Doorgang [portaal], labah; anak laoe.
Doorgraven, koepeltep[ken] (peltep-
[ken]).
Doorgronden, koeroemahi (ngeroe-
mahi); koeroepaï (ngeroepaï).
Doorbakken, koeretap (ngeretap);
koetampoel (nampoel).
Doorkruisen, koesiar-siari (niar-
-niari).
Doorloopend, lalap, la ’rngadi-ngadi.
Doorn, doeri.
Doornat, pajah; damar, erlemer.
Doornig, erdoeri.
Doorrijgen, koetoestoesi (noestoesi).
Doorscheuren, koerigatken (ngeri-
gatken).


DOORSCHIJNEND.
20 -
DRINKBAAR.
Doorschijnend, metjiho.
Doorslikken, koebendoet (men-
doet); koetelin (nelin), koetelen
(nelen).
Doorsnuffelen, koegargari (’nggar-
gari); koegadapi, ’nggadapi.
Doortrekken [ergens], koebentasi
(mentasi).
Doorwaadbaar, maras; doorwaad-
bare plaats, aras: lantasen.
Doorzijgen, koetapis (napis).
Doorzoeken [met de handen], koe-
gargari (’nggargari); koegadapi
(’nggadapi).
Doos [soort van — om kostbaarheden
te bewaren], kepoek.
Doovekool, ageng, arang.
Dooven [met aarde toedekken], koe-
seboe( neboe); [uitdooven], koepet-
peti (metpeti).
Dop [van een ei e. d.], koelit; [klap-
perdop], berkoe.
Doppen, koepoekoeï (moekoeï).
Dor. kerah; metartar; [verdord, ver-
flenst], meloes.
Dorp [gemeentel, koeta; [complex van
huizen], roemah.
Dorpsbestuur, pertoea-pertoea.
Dorpshoold, pengoeloe.
Dorpshuis, djamboer.
Dorschen [eigenlijk treden], koeerik
(ngerik).
Dorst, dorstig, moeas; ik heb dorst,
moeas koeakap.
Dos [tooi], oempan, paken.
Dosis [afgepaste hoeveelheid kruit,
medicijn], djangka.
Draad [van hout], oelar; [vezel],
anoes; [garen], benang; één en-
kele draad [van garen], idas;[van
touw], oetoer; [ijzerdraad], kawat;
[gevlochten zilverdraad], gelang
pioeh.
Draagbaar, [bijv, nw], terangkat,
terbaba.
Draagbuldel, koedjam.
Draagkleed [slendang], oeïs perem-
bah; penatang, andoehen.
Draagmand, amboeng, djangkat,
raga.
Draagstok, tandjan.
Draagvracht, babän.
Draagzak, kam pil.
Draaien [zich omwenden], koesoer,
erkoesoer; [als een tol], ergening;
ngertjet, gertjit; [wervelen], poe-
sing.
Draaikolk [lajo] poesingen.
Draaitol, gasing.
Draak, naga.
Drabbig, melket.
Drachtig, kandoengen, ’ngkawali
bana.
Draf [v. draven], pengandjak.
Dragen [in het algemeen van zware
voorwerpen], koeoesoeng (ngoe-
soeng); [brengen], koebaba (maba)
[ook van een naam, het levenslot];
koeembah (ngembah); [op het hoofd],
koedjoedjoeng (’ndjoedjoeng); [op
den schouder], koetoeak (ertoeak),
koepersan (mersan); [aan een draag-
stok op den schouder], koelandja
(ngelandja); [in een doek op den rug],
koetempi (ertempi), koeembahken
(ngerembahken); [onder den arm],
koekatjip (’ngkatjip); [op de armen
tegen zich aan], koeangkip (ngang-
kip); [op den schoot], koeabin
(ngabin); [op de handen], koetatang
(natang); [aan de hand], koekan-
tingken (erkantingken); [aan een
riem over den schouder], koeka-
dang (erkadang); [in den hoofd-
dpek achter het oor], koesoenting-
-soentingken (ersoenting-soenting-
ken); [in het om den middel
ingerolde kleed], koebentingken
(mentingken); [in een doek, waarvan
de einden samengeknoopt], koe-
timpoes (ertimpoes); [in een kleed
in den schoot],koekeldoengfngkel-
doeng).
Drakenbloed [rotansoort], djernang.
Dralen, langlang.
Drank, inemen.
Drassig, letjah-letjah ; paja, koebang.
Draven [in draf], ngandjak; [in ge-
strekten draf], rendang
Dreigbrief, poelas.
Dreigen, koeendam (ngendam); [met
den vinger], koeandjoe (ngan-
djoe).
Dreigend [van de lucht, het weer],
geltem
Drek, tai; [in samenstellingen], te.
Drempel, danggoelen.
Drenken, koeberêken mintjep (me-
reken mintjep).
Dreunen, erdengoeng, erdeboem, er-
dekoep.
Drie, teloe.
Drieërlei, teloe erbage.
Driehoek, teloe sagi.
Driehonderd, teloe ratoes.
Driemaal, teloe kali.
Driest, melasang.
Drievoudig, teloe kali ganda.
Drift, driftig, [me]roentoes.
Drift [in een rivier], aras.
Drijfnet, doran.
I Drijven, bombang, mombang; [vee
—1, koearak-arak (ngarak-ngarak).
Dringen, koeasak (ngasak); [tusschen
iets], koeselat (nelat); [dringend,
van een verzoek e. d.J, keskes,
meseksek.
Drinkbaar, terinem.


DRINKBEKER.
— 21
DWARSLIGGER.
Drinkbeker, tjaloeng.
Drinken, koeinem (minem); [van
vee], mintjep, ngintjep.
Drinkgeld [fooi, kleine gift], penoe-
koer ’mbako, penoekoer belo.
Drinkkan [voor palmwijn], kitang.
Drinkvat [in het algemeen], perine-
men, perpinemen.
Drinkwater, laoe inemen.
Droef, droefenis, tjêdaatë, megogo
ate.
Droefgeestig [van een geluid], me-
rindoe; [eenzaam], meloengoen.
Droesem, lemë.
Droevig = droef.
Drogen [in de zon], koedjemoer
(’ndjemoer); [vleesch drogen], koe-
beltoeï (meltoeï); [te drogen han-
gen], koekerahken (’ngkerahken);
[boven vuur], koetoehoerken (noe-
hoerken).
Dronken, maboek.
Droog, kerah, [van een veld ook] toe-
hoer; [van een rivier, een sawah ook]
dagal; [niet regenen], lego; [moei-
lijk door te slikken], metoer.
Droogleggen [gedeeltelijk een rivier],
ngareh; [een sawah], koekerahi
(’ngkerahi).
Drooglijn, pengkiren.
Droogrek [boven het vuur], para
toehoer; [voor het drogen en be-
waren van maïs], torongen.
Droogschuur [voor tabak op de
ondernemingen], bangsal.
Droogstok, lantaren.
Droogte [droge tijd], lego, lego oeari,
paksa lego.
Droom, nipi.
Droomen, ernipi.
Drossen, lompat, lintoen.
Drudenvoet, toempak salah.
Druilen, druilerig [van het weer],
dodo.
Druipen [lekken], tjires, naktak laoe.
Drulplijn [van het dak], paspasen,
teroeh paspasen.
Druipnat, paja, erlemer, damer.
Druipstaarten [v. e. hond], kerpoet.
Druipsteen, koempi (?).
Druk, het druk hebben, pitjet dahïn;
koeskas dahïn; [rumoerig], gedjek,
pinger; [v. e. markt], meriah.
Drukken, koedehken (’ndehken); [met
den voet], koeperdjat (merdjat);
[platdrukken], koepilnati (milnati);
[persen], koepeldas (meldas); neer-
drukken, koetindih (nindih); dood-
drukken [ongedierte met den na-
gel], koetindes (nindes); afdrukken,
koerekam (ngerekam).
Drukpers, rekamen.
Drukte, riah; [rumoer], gedjek.
Drup ]van de boomen], sarintangtang.
Druppel, taktak.
Druppelen, naktak; [de oogen in-
druppelen], koeanggih (nganggih).
Druppen [nog niet bepaald regenen],
rintik.
Dubbel, ganda, [erjlapis, doea lapis.
Dubbeltje [v. e. gulden], ketip; [v. e.
dollar], koepang, roe[m_]piah.
Duchten, ’mbiar, aroe atë.
Duchtig, mehantoe, kal, mekelek.
Dul, ’mbaso, mahoem.
Duidelijk, tangkas, terang.
Duif, ’ndoekoer; ’nderapati; poene.
Duiken, erkeneng.
Duim, ambal-ambal, kambal-kambal.
Duister = donker; [v. d. uitdrukking
v. h. gelaat], berdjoet.
Duivel, sëtan, si ibelis.
Duizelig, melimber, melawang; [door
zware tabak], sergïn.
Duizend, riboe.
Duizendpoot [de vergiftige], lipan;
[een onschadelijke], tangga-tangga_.
Dulden [willen hebben],’ koebere
(mere); [uithouden], koetahan; [ge-
duldig verdragen], koegengken
(’nggengken).
Dun [mager], kitik, kertang; [v. boo-
men e. dj, kitik; [van kleeren, pa-
pier e. d.], menipes; [v. vloeistoffen],
meliho; [slank, vooral van de vin-
gers], melajah.
Dunk, agak, een hoogen dunk van
zichzelf hebben, ngagahken bana.
Dunken, koeagak (ngagak).
Dunnen [uitdunnen, de geplante rijst],
koeoempat (roempat).
Duren [uithouden], tahan; lang duren
[langdurig], m^lawen, 'ndekah.
Durven, pangL
Dus, dagi, dage; [zoodanig], bagë.
Dutten, moendoek-oendoek, toen-
doeh-toendoeh.
Duur [kostbaar], meherga, mahal;
[tijdelijk duur, door schaarschte,
opgedreven v.d. prijs], derik ergana.
Duur [tijd], dekah.
Duwen [van zich —], koetoelak (noe-
lak; [voor zich uit, of op zij —],
koedjemba (’ndjemba), koerimba
(ngerimba); [naar benepen—], koe-
dehken (’ndehken), koetindih (nin-
dih).
Dwaas, mehado, adón; metiti.
Dwarrelwind, kalisoengsoeng.
Dwars, berteng, belbel; dwars tegen
iets in, soengsang.
Dwarslat [van een heining], bidang.
Dwarsligger [onder den vloer,
groote], awet; [kleine], goelang-
-goelang; [de zwareliggendebalken,
waarop het geheele huis rust],
sangka manoek; [de bovenste hier-
van], tahilen.


DWERGHERT.
— 22 —
ENKEL.
Dwerghert, napoeh, sipais; [een klei-
ner soort], kantjil; [de kleinste
soort], terep-terep.
Dwingen, koegegehi (’nggegehi).
Dysenterie, redjan; aan dyserentie
lijden, redjanen.
E.
Echo, oeliling, aloeling.
Echt, toehoe; mehoeli.
Echtgenoot, dilaki; hoelang, perboe-
langen.
Echtgenoote, diberoe ; ’ndehara; toe-
koer-emas; si man . . .
Echtscheiding, (zie op scheiden).
Eclips, [i]telin kala.
Eed, doehoem; boelawan.
Eedgenoot [bij het met zijn tweeën
zweren], kandoeng.
Eekhoorn, oeltis.
Eelt, kedal. |
Een, sada (se-, si-).
Eend, manoek itik.
Eenerlei, sada, bali, dês. soeboek.
Eenig, tonggal; sisa, si sada.
Eenmaal, sekali; [één enkele keer]
sekali embas.
Eens [op een keer], ibas sada oeari.
Eensgezind, sada oekoer; [van ge-
trouwden] simpaboe.
Eensklaps, rempet.
Eensluidend, roenroen, terdoen.
Eentoonig [doodsch], mengeingel,
meloengoen.
Eenvormig, dês, soeboek; sada roepa.
Eenzaam, mesoent, meloengoen.
Eer, poedji; moelia.
Eerbiedig, mehamat, medjemat; me-
hangke 'mbiar.
Eerder, eerst, lebën.
Eereplaats [in een huis], [arah] goe-
goeng.
Eerglster, doea-m-beingi.
Eerlijk, boedjoer, pinter.
Eerat. lebë, lebën; de eerste, si per-
lebe, si tangtangna; de eerste zijn
[metiets te doen.de ontginner enz.],
si ngeroengkah; de eerste dag van
de maand [v. d. week], aditia.
Eerstgeborene, si-n-toea.
Eertijds, noeria, nai.
Eetbaar, terpan.
Eetlust, eetlust hebben, pêt man.
Eeuwig, rasa lalap.
Effect, bekas.
Effectief, mesinting; terakap.
Effen [glad], melinang, meliK; [vlak]
kendit; tetap.
Egaal [egaal lang], tjimtjim, toemtoem;
seri.
Egel, 'ndoerin, landak.
Egge, roka.
Eggen, koeroka (ngeroka).
Eggig, ngiloe.
Ei, tinaroeh
Eierstok [v. e. kip], pira.
Eigen, kal; mijn eigen vader, bapa-
ngkoe kal; in eigen persoon, djine
(djinëken).
Eigenaar, empoe.
Eigendom, ad jan g.
Eigenlijk, kin.
Eigenschap, tempas; roepa.
Eik [soort van —], ketjing.
Eiland, poelo.
Eind [stuk, eindje], poentoeng
Einde, doeng[na[, pendoengi, peng-
keri; [uiteinde], tampoek; [levens-
einde], sipat.
Eindelijk, piah.
Eindeloos, la ’rdoengdoengen, la *rke-
ri-kerïn.
Elsch [vordering], ido.
Eischen, koedenden ('ndenden).
Ekster, pintjala.
El, esta.
Elegant [van postuur], lajah-lajah
tjoeliki, melipoer.
Elf, sipoeloesa.
Elk, teptep; [op personen slaande
wordt het veelal door een vorm
van het w.w. — voorv.si-------weer-
gegeven ; elk ging naar zijn eigen
huis, sidahi roemahna kerina];
sada... sada; sekalak... sekalak;
nonggal-nónggal.
Elkander, sapih, [wordt overigens
veelal door een bepaalden woord-
vorm — voorv. s i-, achtervoeg-
sel en — weergegeven ; elkander
beschieten, sibedilen].
Elleboog, sikoe-sikoe.
Ellende, kiniserän, kepitjeten.
Ellendig, medersa.
Elpenbeen, gading.
Els [priem], temper.
Émail [als op de tanden, op sommige
rotansoorten], roentih.
En, djanah; dingen, ningen; ras.
Eng, pitjet; [v. e. weg; engte], genting.
Enkel [v. d. voet], matawari-matawari.
Enkel [louter], pelin-pelin; [alleen],
ngentja, kentja; nari; enkel narig-
heid, mesera nari.


ENTEN.
- 23
FLATER.
Enten [inenten tegen de pokken], I
koetjongkil (’ntjongkil).
Epidemie, laja-laja (zie op cholera,
veepest)
Eri [van een huis, een dorp], kesain.
Erfenis, tading-tadingen, permaneh-
-manehen.
Erfstuk, poesaka [weinig gebruike-
lijk; men spreekt nog van roemah
poesaka, het voorvaderlijk huis]
Erg, mekelek; [van regen], medêr;
[van wind], metêr.
Ergerlijk, mereha, la tengka.
Ergernis, rongket.
Erkennen, koeakoe (ngakoe).
Ernst, ernstig, toetoes atê, noehit,
merhat.
Ervaren [ondervinden], koeakap; [ver-
nemen], koebegi (megi), k[oe]i-
dahken (ngidahken).
Eten [ww.], koepän (man); koepangan
(mangan).
Etmaal, sada berngi.
Etter, nanah; [in het oog], bisbis,
djikdjik.
Even [een oogenblik], kentisik; nog
even, sitik nari; zoo even, ’ndai
enda denga.
Even [v. e. getal], kêp.
Evenals, siperti; bali, desken.
Evenbeeld, het evenbeeld zijn van ...
roempat ras....
Evenknie, imbang.
Evenredig [goed geproportioneerd],
seroeman; seri.
Ever, oeïli.
Excentriek, djambar.
Excuus, ik vraag excuus, [sinjtabi
akoe.
Ezel, kalde.
F.
Faam, berita.
Fabel, toeri-toerïn.
Fakkel [een brandende —], kawat;
[een glimmende, niet brandende],
poeting-poeting; [fakkel der ho-
ningwinners], toenam.
Falen [niet doorgaan], soendat, la
soeroeng, la djadi, la sahoen, la
sêh.
Familiaar, meramah.
Familie [verwantschap], kadë-kade;
kaoem; soekoe-soekoe; [gezin],
djaboe; [een iets ruimer begrip,
omvattende de naaste familie-
leden], ripê.
Fatsoen [decorum], lagoe, kelagoên;
hangkë. •
Fatsoenlijk, erlagoe; mehangke;
mehaga.
Fazant, oeo.
Feest, kerdja, perlakón.
Feestdag [de eig. dag], mata kerdja.
Feil = fout.
Feit, feitelijk, kap (kapken), welks
oorspronkelijke beteekenis ver-
moedelijk is: ervaring, gewaar-
wording (vgl. akap); vandaar het
gebruik van kap waar men iets
mededeelt als gebeurd, als waar,
als stellig (dus veel in den ver-
haaltrant); ’f zs een feit, [’t is zoo],
bage me kap.
Fel [— branden], djingar garana; [van
de zonnehitte], telap.
Ferm [flink, gezond], boegis; [stoer,
gespierd], pesing.
Fiche [bamboestaafjes, die als zoo-
dinig dienst doen bij het kansspel],
goeal, djongkong.
Fier [waardig], metoenggoeng.
Fiets, garëta angin.
Figuur [versiering], roedang, boenga,
oekiren, loekis; [op de dapoer-
-dapoer van een huis], gerga;
voorts hebben verschillende vaste
motieven hun eigen namen:toelak
pakoe, ketadoe-ketadoe, poetjoek
merboeng enz. enz.
Fijn [teer, klein], kitik, meloemat,
[me]tjoer; [dun], menipes ; [in klei-
ne stukjes gebroken], meripoek;
[als meel], mahar.
Fijnhakken, koegatgati (’nggatgati);
[van vleesch vooral], koetjingtjangi
(ningtjangi).
Fijnkauwen, koemamahi (mamahi).
Fijnmaien, koegiling (’nggiling).
Fijnstampen, koepikpiki (mikpiki).
Fiks [welvarend], boegis; [voorlijk],
djengkas.
Filtreer en, koetapis (napis).
Firmament, langit.
Fixeeren [strak aankijken], koepe-
tjati, metjati; [van een slang, een
tijger], idjerat (’ndjerat).
Flarden [lompen], pertja-pertja;
tjaing-tjaing.
Flater, salah; lepak.


FLAUW
24
GEBAK.
Flauw [smakeloos, van spijzen en
specerijen], melantjë; [van betel-
kalk], malap; [flauw branden], me-
helhel; [half bedwelmd, als visch],
koleh; [flauw, van het gelaat, lus-
teloos], koleh, bondeng.
Flesch, katja.
Flets, melambê.
Flikkeren, erkilat.
Flink, boegis, medjoeah-djoeah.
Flitsen, kentjer, erkentjer.
Flonkeren, erkilat, milar-ilar.
Fluim, kahak.
Fluisteren, koesik-koesik.
Fluit, soerdam; [klein fluitje], ba-
loeat; [— bij een orkest, soort kla-
rinet], saroenê.
Fluiten [met den mond], ersiwel; [in
de keel als een goeroe bij het be-
zield worden], erdewal; [op een
fluit], ersoerdam, ersaroene.
Fluks, mintes.
Fokken, koeasoehi (ngasoehi).
Folteren, koegasgasi (’nggasgasi).
Fonds [kapitaal], pokok, moid-il;
[speelfonds], asam, têk.
Fonkelen, erkilat.
Fontenel, ’mboet-’mboet.
Fooi, penoekoer belo, — timbako.
Foppen, koeoto-otoï (ngoto-ngotoï).
Forceeren, koeseraken.
Formeeren [scheppen], koetepa(ne-
pa); koetembe (nembë).
Forsch [grof], ’mbelgah.
Fort, bëntëngj kota.
Fout, salah; lëpak.
Fraai, rnerandal, medjile.
Framboos [soort van —], koepi-
-koepi.
Frambozenuitslag, poeroe.
Franje, amboe-amboe, ramboe-ram-
boe.
Frisch [verseh], ’mbaroe; ngoeda;
[nog groen], meratah; [koud], ber-
geh; [gezond], boegis, bengis.
Front [van een huis], ajo; [voorhoofd],
* perdempaken.
Fronzen, gefronsd, meringoet ajo.
Fuik [als de onze ongeveer], boeboe
[klein soort], toear.
G.
Gaat [van sirihbladeren e. d.J, tjawir.
Gaan [weggaan], lawes; [loopen], er-
dalin (erdalan); [naar huis —],
moelih; koe roemah; [om iets —],
koelegi (ngelegi).
Gaanderij [soort van — aan de voor-
en de achterzijde van een huis],
toerë.
Gaandeweg, piah-piah.
Gaar, tasak.
Gaarne [— lusten, willen], pêt,’nggït
’nggemes; [begeerig], merintjoehj
iemand gaarne mogen, geget atë,
Gadeloos, la terimpet.
Gadeslaan [een vertooning], koedë-
dah (’ndedah); [van een hoogte
iets —], koetatap (natap).
Gaffel [vertakking], toepang.
Gal, pegoe.
Galon, sodja.
Galoppeeren, ramboeng-amboeng
nahe
Gang [iemands wijze van loopen],
pengodak; één gang [één keer
halens], sinolih.
Gangbaar, lawes, lako.
Gangpad, anak laoe.
Gans, kangsa.
Gansch, keri; kerina; [in zijn geheel],
kiboel.
Gapen [gaperig, geeuwen], kehaja-
men; [wijd open staan], nganga;
[van een wond], tjelar; [van den
grond, door een aardbeving], me-
temboek.
Gaping [reet, e. d.], renggang-reng-
gang.
Garen, benang.
Garenwinder, kfoengen.
Garf [schoof], raden.
Garnaal, odang.
Garneeren [met galon], koesodja (?)
Gast, temoee; ergens gast zijn,
kesilang.
Gastheer, silangen, kesilangen.
Gastvrij, medjamoe.
Gat [kuil], loebang; zaaigat [met een
pootstok gemaakt], lebeng; [met
de hand gemaakt], loeboek; [hol],
liang; [achterste], pa[n]tat.
Gaterig [hol van een slecht weefsel],
meriri.
Gauw, lampas, pedas; gauw wat!,
kotep!
Gave, pemerë; ngaroeh.
Gebaand [open van een weg], me-
lambas.
Gebak [van rijstmeel], tjimpa; [van
kleefrijst, in een blad gevouwen],
tjimpa lepat.


GEBED.
25
GELAAT.
Gebed, toto, pertotón; [prevelformule],
tabas.
Gebeente, toelan-toelan. _
Gebeten [op iem.], tjian atê; segat atë.
Gebeuren = doorgaan; het ge-
beurde dat..., djadi...; soeng...;
’mbera....; zonder dat het ge-
beurt, so 'mbera; dat het niet ge-
beure, ’mbera ola.
Gebied [machts-], gemgemen; [stroom-
—1, si ngaloer.
Gebieden [gelasten], koesoeroeh
(ersoeroeh, noeroeh); [regeeren],
koegemgem (’nggemgem); koera-
djaï (ngeradjaï).
Gebinte, rangka.
Geblaard, meletoep.
Gebladerte, boeloeng-boeloeng.
Gebod, pedah, kata, parëntah.
Gebogen, bengkoeng; [een boog vor-
mend], melengkoeng; [van buffel-
hoorns], këloeng, lempe.
Gebonden, teriket.
Geboorte, toeboeh.
Geboorteland, taneh pengoelihen.
Geboren, toeboeh.
Gebrek, kekoerangen; [fout], pan-
dangen.
Gebroken [van rijstkorrels], getem.
Gebruik [landsgebruik, zede], bitjara,
basa; [gebruik dat men van iets
maakt, nut, enz.], goena, lakón;
welk gebruik maakt men er van,
[waar dient het toe], kai lakónna;
[wat gebruikelijk, gewoon is, dage-
lijksche gewoonte], semal.
Gebruiken, koepakë (makë).
Gedaan [uit, afgedaan], enggo ; doeng.
Gedaante, roepa.
Gedachte, oekoer._
Gedachteloos, lale, lolah.
Gedachtig [iets — zijn], koepinget-
-inget; inget-inget.
Gedeelte = deel.
Gedeeltelijk, dëba, sitengah ; lit si...
Gedegen [van metalen], kimpal.
Gedenken, koepinget-inget (pinget-
-inget).
Gedenkstuk [aandenken aan iemand],
peringet-ingeten; tanda.
Gedeukt, pikak; kelsoe, kelbap, kel-
boek.
Gedicht [liedje],endë-endën ;’ndoeng-
-’ndoengen.
Gedijen [van kinderen, goed groeien],
medjoee; lampas ’mbelin.
Qeding, ranän.
Gedobbel [dobbelpartij], djoedi.
Gedrag, lagoe-langkah ; tingkah (dit
veelal in ongunstigen zin).
Gedragen, zich goed gedragen, me-
hoeli lagoe-langkahna.
Gedrang [elkander verdringen], sia-
sak-asaken.
Gedrukt [bedroefd], meriso.
Geducht, melaga[h].
Geduldig, megenggeng oekoer.
Gedurende, tengah; sangana; [zoo
lang als], kidehah, kinahoen.
Gedurig [herhaaldelijk], moelih-oelih,
roesoer-oesoer; roenoet-oenoet;
[aldoor], lalap.
Gedwee, melemoek.
Geel, gersing, megersing; [v. rijpheid,
v. sommige vruchten], 'rnberno.
Geelkoper, gelang-gelang.
Geelworiel [kurkuma], koening.
Geen = niet.
Geeselen, kotligas (ngeligas).
Geeselroede, pertaka.
Geeselstriem, lintang.
Geest [booze_ geest; geest v. gestor-
venen], bëgoe; [van den mensch;
hiervoor is geen vaststaand woord;
de verschillende geestelijke func-
ties worden (naar haar aard) toe-
geschreven aan de:] oekoer, ate;
[levensgeest, adem], kesah, nawa;
[het wezen], tendi, toendi.
Geestendom, geestenwereld, be-
goe.
Geestig [luimig], mekanam.
Geeuwen, kehajamen.
Geeuwhonger, de geeuwhonger heb-
ben, loemben
Gehaast, terajak, meroedoe, teroedoe.
Gehakt [fijngehakte bladeren en
vleesch als toespijs], tjingtjang. _
Gehecht, gehechtheid, keleng [ate].
Geheel [in zijn geheel], kiboel; [in
eens, in zijn geheel afdoen], deris.
Geheim [verborgen], tjeboeni.
Geheimzinnig, medjin, medjërat.
Gehemelte, langit-langit.
Geheugen, penginget.
Gehoor, pemegi.
Gehoorzamen, koebegiken (megi-
ken).
Gehucht [nederzetting uit een ander
dorp], doesoen.
Gehuwd [v. e. man], empo, ngempo;
[v. e, vrouw], tersereh, redjaï; [in
het algem.], ringan, erdjaboe.
Geil [v. e. vrouw], gatelen ; [v. e. man],
melasak.
Geit, kambing.
Gejaagd, terajak.
Gejubel, soerak; alep-alep.
Gek, adón; titin.
Gekeuvel, koean-koeanen; tjakap-
-tjakap.
Gekleed, roeïs.
Geknakt, poetik, poedoek.
Gekrookt, tersoelimpek, bangkir.
Gekruid, sering, nering; ketoe, san-
toek.
Gekruld [v. haar], perngoet.
Gelaat, ajo.


GELACH.
- 26 -
GESCHIEDEN.
Gelach, tawa.
Gelasten, koesoeroeh (noeroeh); koe-
kataken (ngataken); koepedahi
(medahi).
Geld, doeït, emas, serpi.
Gelden, geldig, atan, masin kata;
[bij spelletjes], asi.
Geldschieter, peroetangen.
Geleden [voorbij, vóór], enggo.
Geleding [van bamboe e. d.], ngawan ;
[van het lichaam], boekoe (zie ook
op gewricht); [van een lintworm],
djangat-djangat.
Geleerd, beloeh, pantas.
Gelegenheid, sempat, sampang; bij
gelegenheid, nampang-nampang.
Geleide [gevolg], karah-karahen.
Geleidelijk, mandjar-andjar, [v. e.
helling], mandê-andë.
Geleiden, koetaroehken (naroekhen);
[aan de hand], koetegoe (negoe).
Gelid; in 7 gelid, sempa.
Geliefd [favorite], kesajang, si boeah
ate.
Gelijk, seri, dês, soeboek; [van leef-
tijd], bekbek; [van lengte], tjim-
tjim,toemtoem; [vlak], kendit; [als],
bagi, siperti; [te gelijk], radoe;
gelijk hebben, toehoe.
Geli|ken [op], roempat [ras].
Gelijkenis [hetzelfde voorkomen],
oempat; [vergelijking], oempama.
Gelijkluidend [van een verklaring],
roenroen, terdoen.
Gelijkmaken [effenen], koepeseri
(peseri).
Gelijksoortig, sama, adoemfna].
Gelijktijdig [aankomen], ras, radoe;
[op denzelfden tijd vallend], toe-
poeng, rembang; pahë.
Gelijkzijdig, sagi.
Gelofte, koenë-koenë; boelawan.
Geloof, gelooven, têk.
Geluid, kata, sora.
Geluk [zegen], toeah.
Gelukken [slagen], djadi, sahoen, soe-
roeng.
Gelukkig [gezegend], ertoeah; [het
treffen], sangap; [bij de vangst, op
de jacht], roelih.
Gemachtigde [in het algem.], djamin ;
[bij een huwelijksaanzoek], te-
langkë.
Gemakkelijk [te verrichten], soenah ;
[te verkrijgen], moerah; [gemak-
zuchtig], tjiroenggoek.
Gember, bahing.
Gemeen [plat, vuil], tjaram.
Gemeen [het algemeen, de menigte],
kalak si-n-terem.
Gemeenschappelijk, ras.
Gemeente [dorp], koeta.
Gemeenzaam, ’mbatjar; meramah.
Gemengd, singgoer.
Gemoed, atë, peratën.
Gemoet, te gemoet gaan, koealoalo
(ngalo-ngalo).
Gemompel, djoengoet-djoengoet.
Genaamd, tergelar.
Genade, lias; perkoeah atë.
Genaken, koedeherl (’ndeheri).
Geneesmiddel, tambar.
Geneesheer [inlandsche], goeroe,
goeroe penawar; [Eur. dokter],
lotor.
Genegen, keleng, keleng, atë
Genezen [beter geworden], malem;
[beter maken, vooral het gemoed],
koepepalem (pepalem); [met me-
dicijnen behandelen], koetambari
(nambari).
Genoeg, bias, tjoekoep; genoeg van
iets hebben, ledja.
Genoegen [genoeglijk], 'ntabeh atë.
Genoot, teman ; [stamgenoot], senina.
Geoorloofd, tengka; bantji, dantji,
boedjoer.
Geopenbaard [door een geest], ter-
sendoeng.
Gepaard [paarsgewijs, als mannetje
en wijfje], erdjodoe-djodoe.
Gepast, patoet, aroes.
Geplas [in het water plassen], ka-
timboeng.
Gepoft [van mais e. d.J, betjih.
Gepresseerd, terajak, teroedoe.
Geraakt [getroffen], kena, [uit zijn
humeur], bentjeng.
Geraamte, toelan-toelan; [van een
huis], rangka.
Geraas, sora; gedjek.
Gerecht [rechtbank], bale, kerapaten.
Gereed [af], doeng; [toegerust]
sikap.
Gereedmaken [toerusten], koesi-
kapken.
Gereedschap, perkekas, sindjata,
perpentja.
Geregeld [in orde], djorë, torë.
Gering [weinig], sitik; [klein, nede-
rig], kitik, ketik.
Geringschatten [licht over iets den-
ken], mapas-mapas oekoer.
Geronnen [v. bloed], koempa-
Gerookt [v. vleesch, visch], sale.
Gerucht, bertik-bertik.
Gerust [rustig, op zijn gemak], koe-
koet, teneng; [gerustgesteld],saber.
Geruststellen, koesaberi (naberi).
Geschaard [van een mes], toebing.
Geschakeerd, merengget.
Geschenk, pemerë, ngaroeh; [cadeau-
tje], piring-piring.
Gescheurd [v. kleeren], merigat; [v.
hout], meregat.
Geschikt [passend], pajo.
Geschieden = gebeuren; het zal
geschieden, dantji.


GESCHIL.
27 -
GEWETEN.
Geschil [rechtzaak] ranän; [woor-
dentwist], dawa.
Geschubd, ersisik.
Geslacht [stam], merga; [—van moe-
derszijde], bebere; [deel van een
stam; een familiegroep], roemah
[menschenleeftijd], soendoet; [na-
komelingschap], kesoersoeren, pi-
rah ; [mannelijk geslacht], dilaki;
[van beesten een enkele maal],
djantan (maar in veel gevallen een
afzonderlijke benaming); [vrouwe-
lijk —], diberoe; [van dieren], beroe-
-beroe.
Geslepen [listig], ’mbitjoek.
Gesloten [van een deur], pintoe; [in
het algem.], toetoep, [van een weg
voor het verkeer ook], toempat;
[met een slot], koentji; [van een
bloemknop] koepkoep; [van de
oogen], pitpit; [van den mond],
tjingem.
Gespannen [strak], keteng, gesteng;
[van een strik of val], togeng.
Gespierd, pesing.
Gespikkeld, meroentik.
Gesprek, tjakap, tjakapen.
Gestadig [langzaam], mandjar-andjar;
[aldoor], lalap
Gestalte, roepa.
Gestarnte, bintang, perbintangen.
Gestand; zijn, woord gestand doen,
'ngkoendoeli sora.
Gesteldheid [van een zaak enz.],
ketjibal,_bangoen.
Gestoei, bëbë.
Gestold [van olie e. d.], medem.
Gestolen, bene.
Gestreept [rood en zwart als tijgers],
mekoering; ertoran.
Gestremd [van melk], kenden.
Gestreng, meringging.
Getakt, ertoepang, erdahan.
Getal, beligän, bilangen; [cijfer],
nombor.
Getand, ripen.
Getijde, [voor iets, bijv. v. vruchten,
het voorkomen van insecten], paksa,
nembas.
Getroffen [geraakt], kena.
Getrouw, tetap.
Getrouwd [van een man], empo;
[van een vrouw], tersereh; [in het
algem.], ringan, erdjaboe.
Getuige, si ngidahsa; [si]tarën[na];
saksi (overgenomen uit het Mal.).
Geul, parik.
Geur, baoe [bo]; [aangename geur],
riem.
Geurig, ’ntabeh bona; meriëm; [van
smaak, als nieuwe rijst], medjekat.
Gevaar, gevaarlijk, kebiaren.
Gevaccineerd, enggo ijtongkil; eng-
go itjatjar (Mal.).
Geval, ranän; pekara; in geval dat,
[voorwaardelijk], koenë; [veronder-
stellend], bitjara.
Gevangen [in de gevangenis], [ter-]
toetoep; [krijgsgevangen], taban.
Gevangene [in de Eur. gevange-
nissen], kalak toetoepen, kalak
rante, kalak seterapen; [krijgsge-
vangene], kalak tabanen.
Gevangenis, toetoepen.
Gevangennemen,koetangkap (nang-
kap); [krijgsgev.],koetaban (ertaban).
Gevat [slagvaardig], keras; beloeh
ngerana.
Gevederd, remboeloe.
Geveinsd, pekoelah-koelah.
Gevel, ajo. _
Geven, koebere[ken] (mere[ken]).
Gevest, soekoel.
Gevlamd [als hout], ertabë.
Gevlekt [van paarden, runderen],
mekambing; [wit en zwart ge-
spikkeld als kippen], meroentik.
Gevleugeld, erkabeng.
Gevoel, pengakap.
Gevoelen [meening], atë; oekoer;
van gevoelen zijn, koeakap; zoo
is mijn gevoelen, bagë koeakap;
ook: bagë atëkoe;bage oekoerkoe.
Gevoelloos, la erpengakap; [onver-
schillig], dês ate.
Gevolg [van iets], bekas; [slechte
gevolgen], kinata; [stoet], karah-
-karahen.
Gevorkt, ertoepang.
Gewaad, oeïs, paken.
Gewaagd [gevaarlijk], [lit] kebiaren.
Gewaarworden [i. h. algem.], koea-
kap ; [zien], koeïdah (ngidah).
Gewag; gewag maken van iets, erkata;
koesinget (ersinget).
Gewapend, ersindjata, erpiso; (euph.)
ripen.
Gewas, sinoean-sinoean.
Geweeklaag, tangis, andoeng.
Geween, tangis, andoeng.
Geweer, bedil.
Geweerkogel, timah [bedil], pëloer.
Geweerloop, raras.
Gewei, tandoek.
Geweld, gegeb, kilang; geweld plegen
[knevelen], koekilangi (’ngkilangi).
Geweldenarij, kilang.
Geweldig, merawa; me1aga[h].
Gewend [gewoon zijn], semal; [ver-
trouwd, vertrouwelijk, enz.], me-
ramah; [van dieren ook], lemoek.
Gewennen [doen wennen], koepe-
semal (pesemal).
Geweten, [hiervoor bestaat geen
woord; het onrustig geweten wordt
wel weergegeven met] bera-bera
poesoeh; [ook spreekt men van]
si la idah (dien men niet ziet).


GEWEZEN.
28
GLIPPEN.
Gewezen [oud-], toea; [vroegere],
[si] nai.
Gewicht [zwaarte], berat[na]; [fig.
groote beteekenis, waarde], er-
ga[na]; [gewichten], [batoe] tim-
bangen.
Gewichtig, ’mbelin, meherga; [drin-
gend], pitjet.
Gewijd [tot een bijzonder „gods-
dienstig” doel], tegas; kahoel;
[heilig], reboe.
Gewikst, pantas, ’mbitjoek; beloeh
ngerana.
Gewild [aftrek vinden], lako ; lawes.
Gewillig [v. e. kind], melias.
Gewis, toehoe; toehoe-toehoe.
Gewond, loeka, kena loeka; [door
een van zelf ontstane wond], oe-
gahen.
Gewoon [— zijn iets te doen, enz.],
semal, bëbas; [alledaagsch, ordi-
nair], toea-toea; [familiaar, gewend
geraakt], meramah.
Gewoonte [zede], basa, bitjara;
[iemands gewoonten] semal; dat
is eenmaal zijn gewoonte, [zoo is
hij het gewend], semalna ng’e.
Geworteld, roerat.
Gewricht [geleding], boekoe, boekoe-
-boekoe; [in zeer algemeenen zin:
allerlei onderdeden v. h. lichaam],
ringring.
Gezag, koeasa (Mal.); keradjän, gem-
gemen.
Gezamenlijk, ras.
Gezang [het zingen], perendë ; [liedje],
endë-endën.
Gezant, persoeroehen, soeroeh-soe-
roehen.
Gezegde, kata, perkatän (zie ook op
zeggen).
Gezegend, ertoeah.
Gezel, teman; arón.
Gezellig, meriah.
Gezicht [gelaat], ajo; [gezichtsvermo-
gen], pengidah; [wat men ziet],
pengenehenen; [ruim uitzicht], ta-
tapen, penatapen.
Gezin, djaboe; ook (Mal ?) tangga.
Gezind [om iets te doen], ’nggit;
merintjoeh.
Gezond [niet ziek], medjoeah-djoeah;
[krachtig, welgedaan], boegis,
bengis.
Gezonken, gedap; [van vaartuigen
ook], karam.
Gezwel, bareh; [een groot —],aloem-
-aloem.
Gezwollen [opgezet], besar; [van
den buik door waterzucht], boe-
soengen.
Gichelen, mikel-ikel.
Gids, si naroeh; [hij die vóóraan gaat],
pernamoer.
Gier [in de verhalen, zooveel als de
griffioen], manoek si goerda-goerda,
of — si goerdi-goerdi.
Gierig, mediker, poeloek, degil.
Gierst, djaba.
Gieten, koetoeang (noeang).
Gietsel, penoeangen.
Gift, giftig [medicijn], ratjoen; [van
slangen e. d ]. bisa; [geschenk],
pemere.
Gij, kam; [onbel. of vertrouwd.],
[eng]ko; [beleefd, vooral vrouwen
onder elkaar], kena.
Gijzelen, koeiket (ngiket); koeteken
(neken).
Gillen, ’nderkoeh, serko, perak.
Ginds, idja, idja-h-ada[h].
Gindsch. adah.
Gis, agak
Gispen, koepandangi (mandangi).
Gissen, koeagak (ngagak).
Gissing, agak; naar gissing, agakna;
agak-agak.
Gist, lerne; ragi; [gegiste doerian],
djeroek.
Gisten [mousseeren], gedjek.
Gister, rebi (’nderbl).
Gisteravond, rebi nai.
Gisternacht, berngi rebi.
Gisterochtend, rebi erpagi-pagi.
Glad [glibberig], medalit ; [slijmerig],
melinder; [vlak, glanzend], melik;
melinang; [goed geschaafd], liat,
tjalat.
Gladschaven, koekoesa (’ngkoesa).
Gladstrijken [de biezen voor het
vlechtwerk], koekiasi fngkiasi);
[zich de veeren —], ngajan-ngajan,
tjilikas.
Glans [van de zon, avondrood e d.],
kinalsal, sinalsal; [glinstering],
kilat.
Glanzen, glanzend, erkinalsal; er-
kilat-kilat; milar-ilar.
Glas, katja.
Glaskoraal, oeram.
Glazemaker [insect], siri-siri.
Glazuur, roentih.
Gleuf, parik.
Glibberen, soendalit.
Glibberig, medalit.
Glijden [uitglijden], soendalit, tjeloes;
[voortglijden], moler.
Glimlachen, tjirem.
Glimmen, glimmen [glad], meli-
nang; [gloeiend], merara; [heel
flauwtjes branden van een lamp],
mëdik-ëdik; [van vuur], merinto-
-rinto.
Glimworm [soort v. —], katikeran.
Glinsteren, erkilat-kilat; milar-ilar.
Glippen [uitglijden], soendalit; [neer-
glippen, afgeslipt, bijv. v. e. te korte
plank over een sloot], selpat.


GLOED.
29
GREINTJE.
Gloed, rara; [warmte], las.
Gloeien [gloeiend rood], merara.
Glooien, glooiend, merebë; [van
een dak], nider.
Glooiing [helling], rebën; [zachte
glooiing aan den voet v. e. berg],
ande-andë.
Gluipen, menggep-enggep.
Gluren, noengkir.
God, dibata; de góden, dibata; nini
empoeng.
God beware! [een uitroep, die on-
geveer in gebruik overeenkomt
met deze is:] piher tendi; koeroe-
mah tendi.
Godsgericht [eed], doehoem; door
een Godsgericht getroffen, kebila-
ngen, ketoelahen.
Godspenning [voorschot op aange-
nomen werk], tjingkeram.
Goed [mooi], mehoeli; [zedelijk goed],
boedjoer; [medelijdend], erkoeah
atë; [goed zittend, passend], pajo;
als uitroep: 7 is goed!, dantji!
Goed [goederen], barang, barang-ba-
rang; [huisraad e.d.],oegas-oegasen;
[rijkdommen], erta-erta; boeaten.
Goed [witgoed, stof], dagangen.
Goed af zijn, sangap.
Goedkoop, moerah.
Goedmaken [in orde brengen], koe-
pedjore (pedjore), koepekena (pe-
kena); het goed maken [welvarend
zijn], medjoeah-djoeah.
Goedsmoeds, ’nggedang atë.
Goedvinden [zelfst. nw.], tabeh atë ;
als gij 7 goedvindt, di ’ntabeh
atëndoe, di mehoeli akap kam.
Golf, galoembang, riak.
Golven, golvend [van een land-
streek, min of meer geaccidenteerd],
bongkak-bangkik; [beven, als door
een aardschok], mioeng-ioeng; [van
lang haar], maringgoejoeng.
Gom [plantengom], getah; [lijm, om
vogels te vangen], poeloet.
Gomlak, ’mbalo.
Gong, goeng.
Gonzen [v. insecten], erdeting; erde-
ngoeng.
Gooien [met steenen e. d.], koebenter
(menter), koeterih (nerih); [weg-
gooien], koeabekken [-aboekken],
(ngabekken, enz.); koeambengken
[-amboengken], (ngambengken,
enz.); [spec, opgooien, omhoog-
gooien], koeamboengken; [bij spel-
letjes, om te weten wie beginnen
moet], ramboeng koelit; [als nutte-
loos weggooien], koeboeang (moe-
ang); [de dobbelsteenen — ram-
pah —], koekertoek (’ngkertoek).
Goot [soort goot in het huis], anak laoe;
[geul, sloot], parik, paroengen.
Gordel, gendit; pementing; [soort
patroongordel], soelëmpang.
Gordelriem, gendit.
Gorden [zich gorden; het kleed stijf
om het m[ddel_toehalen], menting.
Gordijn, kirë-kirë.
Gorgel [keel], kerahoeng; [keelholte],
kalah-kalah.
Gorgelen [den mond spoelen], tjiroek-
roek; koeroekroeki (ngeroekroeki).
Goud, gouden, emas.
Goudmijn, pengkoeroeken emas.
Goudsmid, pandë emas.
Goudstuk, oeang emas.
Goudwasschen, ngindang.
Graad; in hoogen graad, mekelek,
kal; [rangl, pangkat.
Graag [gaarne iets doen], merintjoeh,
nggit; [goeden eetlust hebben],
pêt man.
Graan (alg. naam ontbreekt); [uit het
Mal. overgenomen: gendoem]; be-
halve rijst (pagë), gierst (d j a b a)
en maïs (d j a o e n g) heeft men
nog een paar korensoorten als
dawa, tjingkeroe, bero.
Graat [v. e. visch], doeri.
Grabbelen [graaien], tjigargar.
Gracht, parik.
Graf, loebang; [opgehoogd —],koeboer.
Grafhuisje, sapo-
Gramschap, [per]tembeh.
Graniet, batoe gingging.
Grap, djagar.
Grappig, man tawän.
Gras [i. h. alg.], doekoet; voorts een
menigte soorten als: roempoetmanis
(of — mamis); taloe dagang; pagë-
-page ; asoe-asoe; kembili-kembili;
risik; singkoet; rih ; sanggar; beski;
[gras als voedsel], gagaien.
Grasland [steppe, als bijna de ge-
heele Hoogvlakte], ’mbal-’mbal.
Grasnet, rimpi, rambat.
Gratie, lias.
Gratis, la ertoekoer.
Grauw [als sommige paarden], me-
tjimpa djaba (zie voorts op grijs).
Grauwen [snauwen tegen iemand],
koeperngasi (merngasi).
Graveeren, koegaris (’nggaris).
Graven, koekali (ngali); koekoeroek
(’ngkoeroek).
Grazen, ’nggagat; [het gras met de
tong omvatten en afrukken], iram-
boes (ngeramboes).
Greep [gevest], soekoel; [steel] tangke;
[spec, van een bijl,een belioengookl,
sengkir; één greep [een handvol],
si-ng-gelem; si-ng-keraoek (van
raoek); [tusschen duim en wijs-
vinger], si-n-djempoet.
Greintje [klein beetje, griezeltje van
sirihkalk], si-m-palit.


GRENDEL.
- 30 -
HAARWRONG.
Grendel, eroek-eroek, kaloe-kaloe.
Grendelen, koeeroek (ngeroek).
Grens, baleng; [overdr.],sibar,djangka;
leeftijdgrenssipat, sidik.
Grenzen; aan elkaar grenzen, er-
demoe.
Greppel, parik, dalin laoe.
Gretig, merintjoeh; [gulzig], rangap-
Grief [tegen iemand], oekoer; [hart-
zeer], tjeda ate.
Grieven, tama oekoer; laat het u niet
grieven [neem het niet kwalijk],
ola tama oekoerndoe.
Griezelen [van iets], tjiga ate.
Griezelig, medjin, medjerat.
Griffioen [de vogel Grijp], manoek si
goerdi-goerdi, of si goerda-goerda.
Grijnzen [tegen iets —], koesoengili
(noengili)-
Grijpen, koedjemak (’ndjemak); koe-
tangkap (nangkap); koetjikep (‘ntji-
kep).
Grijs, mekelaboe; [— v. haar], oebanen.
Grijsaard, kalak oebanen.
Grijsheid, oeban.
Gril, oekoer (langkah) la tetap.
Grillig [zonderling v. vorm], gandil;
[wispelturig], la tetap, la noehit;
mboeesa oeti-oetin; medjanto.
Grimmig [stuursch v. h. gelaat], ber-
djoet.
Groef, parik-
Groeien [opschieten], toerah; goed
groeien [van kinderen], lampas
’mbelin.
Groen, meratah; mehidjo.
Groente [rauwe groente], oelam ; [i. h.
algm toespijs], goele-goelën ; beng-
kaoe; groente zoeken, ’ntjaleng.
Groep, terpoek; in groepjes, erter-
poek; roegoen-oegoen ; een groepje
boomen, kajoe si-m-poelón.
Groepeeren [zich-], roegoen-oegoen.
Groet [onze groet kent men niet, maar
men bezigt tegenwoordig wel t a b i,
s i n t a b i; de Bataksche groet is
feitelijk het elkaar aanspreken enz.,
ertoetoer].
Grof, ’mbelgah; [van een woord of
gezegde], kasar, kemali.
Grommen [als tijgers e. d.], ’nde-
ngoem.
Grond, taneh; [reden, oorzaak, begin
enz.], moela, sabap, bena, oerat.
Gronden [stichten], koepanteki (man-
teki).
Grondig [iets kennen], tetap ; grondig
iets onderzoeken; grondig te werk
gaan, koeoerati (ngoerati).
Grondslag [fig.], palas, lapik
Groot [in het algemeen letterl. en fig ],
’mbelin; groot van_ stuk [van de
rijstkorrels], metelge; [volumineus],
galang, kegalangen ; [lang van per-
sonen], [mejgandjang.
Grootbrengen [opvoeden enz.], koe-
asoehi (ngasoehi).
Groothouden [zich — ; zich bedwin-
gen], ngerem (van erem).
Grootmoeder, nini toedoeng.
Grootouders, nini.
Grootsch, megah.
Grootspreken, lempoer kata.
Grootvader, nini boelang.
Grot, liang; goeha.
Gruis [van rijst e. d.], beoing.
Grulzelement, in gruizelementen,
meripoek; dames.
Grut [klein goedje], si metjoer-metjoer,
si keloemat-keloemat.
Gruwen [van iets], tjiga ate.
Guit, perdjagar.
Guitig, djagar-djagar.
Gul. medjamoe; melias.
Gulden, roe[m]piah.
Gulzig, rangap, metobar, melobar, me-
toelngas.
Gulzigaard, si iaga man.
Gunst [aanbeveling, die men bij iem.
vindt], pertempilen; waardoor staat
ge bij hem in de gunst, kai pertam-
pilenndoe man bana? [genade],lias.
Gunstig [van een dag e. d.], mehoeli;
gunstig gezind, melias.
Guur, berngap, ’mbergeh.
Haag, bidë.
Haak, kawit; [vischhaak], kawil.
Haan, saboegan; [vechthaan], saboe-
ngan.
Haar [vooral hoofdhaar, lang haar],
boek; [beharing], boekboek; [van
dieren ook], ’mboeloe; [fijne haar-
tjes als op bamboe, rijst enz.], regen.
Haar [bez. vnw.], -na; [pers, vnw.],
== hem.
H.
Haard, dapoer.
Haardsteenen, dalikan.
Haarlok, djambi-djambi.
Haarloos, la ’rboekboek; soelah.
Haarpen, silik-silik.
Haarsnijden, ergoenting, erdjampoel,
[iemand het haar — ], koegoenting
fnggoenting); koedjampoel (’ndjam-
poel).
Haarwrong, lajam; Iajam-lajam.


HAAS.
— 31 —
HE.
Haas [van een slachtbeest], ginem-
pang.
Haastig, meroedoe.
Haat, tjian ate, segat atë; ingekan-
kerde haat, elem-elem.
Hachelijk, pit]et.
Hagedis [huishagedis], tjiktjak; [brui-
ne —], ilik, osar, kosar; [in de taal
der goeroe’s e. d.], beraspati.
Hagel, [oedan] baho; [kl. kogeltjes],
penaboer.
Hak [hiel], toekoel-toekoel; [werktuig],
tjoean-tjoean, tjangkoel.
Hakblok, sangkalen.
Haken [blijven —], sampe, tersang-
koet.
Hakkelen [stotteren], beret-bereten,
erkoedjetdjet.
Hakken, koetakil (nakil).
Hakmes, sekin.
Heks el [van groenten en vleesch],
oera-oera, tjingtjang.
Halen, koelegi (ngelegi); [naar zich
toe —], koeawin (ngawin).
Half, tengah; een half [de helft], si-
tengah; si-m-belah; een halve dollar,
si-m-beka, sidjampal.
Halfdroog [van brandhout], koela-
-koela manoek.
Halfgaar, membal.
Halfrijp, mengkal.
Halfweg, i tengah-tengah daiin.
Halm, tangkê page.
Hals, kerahoeng.
Halsband [als van geiten e. d.], koe-
lang-koelang.
Halsketting, boera-boera [si mata];
sengkoek-sengkoek; berahmeni.
Halsstarrig, mekelkel.
Halster, tinali [rantë] koeda.
Halte, pengadi-ngadin.
Halveeren, koeperdoea (perdoea);
koebelahi (melahi).
Hamer, perpaloe, paloe-paloe; [een
punthamer], toen da; [bijz. soort
bij ’t smeden van polsringen ge-
bruikt], keroeng.
Hamerslag [fijne ijzerdeeltjes], binar.
Hand, tan, tangan.
Handbreed [te], tetap; één hand-
breed, si-n-tepap.
Handel, binaga, perbinagän; handel
en wandel, lagoe-langkah.
Handelaar, perbinaga.
Handelen [handel drijven], erbinaga.
Handeling, lagoe; langkah; tingkah.
Handelswaar, [si man] dajän.
Handgeld, djoedjoengen.
Handgemeen, rëgap-ëgap, singgoe-
poek.
Handig, pantas; tjerdik.
Handtastelijk, mekoeït, megalmit.
Handvat, soekoel; sengkir; tjikepen,
pentjikepen.
Handvol, één handvol, si-ng-gelem,
si-ng-keraoek.
Hanekam, berembing, berimbing.
Hanengekraai, tekoeak manoek.
Hanengevecht, saboeng.
Hanespoor [de natuurlijke], tadi;[de
kunstmatige, een meisje], tadji.
Hangen, hangende, gantoeng, tjang-
goen.
Han teeren, koetjikepi (’ntjikepi).
Hap, één hap, si-ng-kebabah.
Happen [naar lucht, als visschen in
bedorven water], noelkam (van
soelkam); [als een hond], noelkap
(van toelkap).
Hard, mersik, piher.
Harden [van metalen], koesepoeh
(nepoeh).
Hardhoorlg, metoli.
Hardlijvig, penet.
Hardnekkig [van een ziekte], erden-
den, erdoendoen.
Hardvochtig, degil; megasgas.
Harig, erboekboek; [met fijne haartjes
als sommige planten], meregen;
[langharig], medjaboet.
Hark, kaïr, padoek-padoek; [groot
soort, een egge], roka.
Harken, koekaïri (’ngkaïri); koeroka
(ngeroka).
Harmonleeren [gelijk van opvatting
zijn], seroeng.
Harpoen [soort van —], tempoeling.
Hars, damar; [welriekende —, benzoë],
koemenen.
Hart [het eigent hart], poesoeh; [ge-
moed, het binnenste], ate; [van
boomen], teras; [pit, merg van
sommige planten], oenoeng.
Harteleed, tjëda atë, ate mesoeï.
Hartelijk [vriendelijk enz], mesoe-
pan, metjoepan; medjamoe; medês
oekoer.
Harteloos, degil.
Harten [in het kaartspel], lekoek.
Hartig [goed gekruid], nering; [zout],
masin.
Hartklopping, debet-debet poesoeh.
Hartstochtelifk [iets doen, bijv,
rooken, spelen], mehantoe; [driftig,
geil], merawa, melasak.
Hartzeer, tjëda ate, ate mesoeï.
Haspel, oentë-oentë; sapen (sampën).
Hatelijk, mesaksak.
Haten [haatdragend], boekboek atë,
tjian atë; koeelem (ngelem).
Have, adjang, si keradjang; oegas-
-oegasen.
Haven, laboehen.
Hazardspel, djoedi.
Hazenlip, toebing.
Hazenslaapje, pedem-pedem lëto.
He [uitroep van verbazing enz ], ah!
[niet waar?], arih?


HEBBEN.
32
HEREENIGEN.
Hebben; hiervoor is geen woord; het
wordt omschreven, bijv, door het
voorvoegsel er-, of door het woord-
je lit, aanwezig; ik heb geen mes,
la akoe erpiso, la lit pisokoe.
Hebzuchtig, mediker, degil.
Hecht, ’ntegoeh, tokoh, tegap.
Hechten [aan iets; gehecht zijn], le-
ket; koekeleng (erkeleng); [zich—
aan], tangkel.
Heden, sendah; heden ten dage, gen-
doari, goendari.
Hedenavond, nahan, kari nahan.
Hedenmorgen, erpagi pagi ’ndoebe.
Heel [niet stuk], kiboel; [zeer], kal,
mekelek.
Heelal, si nasa lit.
Heelen [beter worden], madän;
[overg.], koemalemken (malemken),
[fig], koealemi (ngalemi).
Heelkundige [inl. — ], goeroe.
Heen [naar toe], koe.
Heen en weer, moelih-oelih; op één
dag heen en weer gaan, ermoelih.
Heengaan, lawes; [verhuizen uiteen
dorp], ’mboero; [vervliegen van
den tijd], sajep.
Heenkomen; geen heenkomen hebben,
mamboer [metoemboer] perdalin,
ma ergoelamit; ladjang.
Heentrekken, berkat.
Heenvliegen, koekabangi (’ngka-
bangi).
Heer [Europeaan], toean; [titel van
hoofden], toehan (dit woord wordt
door de Christenen ook voor „de
Heer” gebezigd); [meester], empoe;
heer des huizes, si mada roemah;
empoe roemah.
Heerendienst, karahen, arahen.
Heerlijk [aanzienlijk], ’mbelin, me-
hoeli, moelia, meparas, metoeng-
goeng, melias.
Heerschappij, kiniradjän, gemgemen.
Heerschen [over], koeradjaï (nge-
radjaï), koegemgem (’nggemgem).
Heerweg [groote weg], pasar (uit
het Mal. overgenomen?)
Heesch, pero.
Heet [warm], melas; [scherp], meser;
[speciaal voor betelkalk], ’mbetoe.
Heeten, tergelar.
Hefboom, perongkil, pemenggal.
Heffing [belasting], tara; teragoe.
Heft, soekoel.
Heftig [driftig], merambit.
Heg, bidê.
Hei [uitroep], ë, o, oa.
Heil, toeah.
Heilbede, berkat (Mal.?), pasoe-
-pasoe.
Heilig, reboe; tegas; kahoel; [bij de
Christenen] badia (aan het Tob.ont-
leend).
Heiligen [voor een bepaald gebruik
afzonderen], koekahoelken (’ngka-
hoelken).
Heilzaam [van een geneesmiddel],
mesinting, ’ndjalap.
Heimelijk, nangko-nangko; erboeni-
-boeni.
Heimwee, tedeh ate, sikel ate.
Hek, bidë.
Hekel [afkeer], tjiga atë; een hekel aan
iets hebben, ook: mekisat; [speciaal
aan werken], ’mbitjoek erdahin.
Hekelen, koepandangi (mandangi);
[bedektelijk, door zinspelingen],
koesaling (naling).
Hel, naraka (overgen. uit het Mal.).
Helaas, andiko.
Helder [duidelijk], terang; [doorzich-
tig], metjiho.
Helderziend, terang [metjiho] pengi-
dah.
Helen, ngasi-ngasi.
Helft [de helft], si-m-belah, sitengah.
Hellen, hellend, merebë; [van een
dak], nider.
Helling, reben; [van een berg, plaats,
waarlangs men hem beklimt],
nangkeng-nangkengen.
Helpen, koesampati (nampati); [spe-
• ciaal met geld], koetolong (nolong).
Hem [3e nv.], [man]bana; [4e nv. lijd.
voornw.J, ia, -sa (dit vooral na de
voorzetsels: kata, empak, tarë,
idoer); ik zeide tot hem, ningkoe
tarësa.
Hemel [uitspansel], langit; [van een
slaapplaats], langit-langit; [van wit-
goed], kidjang-kidjang.
Hemelsblauw, meratah.
Hemelstreek; de acht hemelstreken,
dësa si oealoeh.
Hemmen [„hm” „hm” zeggen], ragam.
Hengel, kawil; doekdak.
Hengelaar, pengkawil.
Hengelen, koekawil (’ngkawil).
Hengelstok, pemoran.
Hengsel, tjikepen.
Hengst, sangkar.
Hennep [soort —?], koerri.
Her [geleden], enggo; lepas; jaren
her, enggo piga-piga tahoen.
Her- [voorvoegsel], wordt in zeer veel
gevallen door het bijw. ka, weder,
wederom, ook, weergegeven; ook
wel door m o e 1 i h (terugkeerend,
herhaaldelijk) en door den ver-
voegden vorm van n g o e 1 i h i
(koeoelihi, enz.).
Herdenken, koepinget-inget (pinget-
-inget).
Herder [kalak] permakan.
Hereenlgen, koepersada (persada),
[verzoenen ook], koeperiahken
(periahken).


HERHALEN.
33
HOK.
Herhalen, koeoelihi (ngoelfhi); [na-
doen, navolgen], koeoesihi (ngoe-
sihi).
Herinneren, koeïnget (nginget).
Herkauwen, ipetegeti (petegeti);
tolenken (petolenken).
Herkauwensmaag, temporong.
Herkennen, koetandaï (nandaï).
Herkenningsteeken, tanda; salep.
Herkomstig, i . . . nari; idoer . . .
nari.
Herleven, moelih ’nggeloeh.
Hernemen [antwoorden], erdjabap;
ningkoe ka, nindoe ka, nina ka,
enz.
Hernieuwen [herhalen], koeoelihi
(ngoelihi; [verwisselen], koesam-
bari (nambari); [speciaal de stijlen
of neuten v. e. huis), koeoemban
(ngoemban).
Herrie, goentar.
Herroepen, sambar kata.
Hersenen, oetoek.
Hersteld [beter], enggo malem.
Herstellen [vernieuwen, enz.], koe-
pehoeli (pehoeli[ken]); koepekena
(pekena).
Hert, belkih.
Hertenstrik, gêng; bet]ik.
Hervatten [een werk, dat men heeft
laten liggen], koeoembahi (ngoem-
bahi); [een verhaal, enz.], koeoem-
poet (ngoempoet)-
Herwaarts, koedjenda.
Hetzij, tah, entah; hetzij . . . hetzij,
tah . . . tah; boedjoer ... boedjoer
(pinter); soeboek . . . soeboek.
Heugen; het heugt mij, enz., koe-
inget (nginget), enz.
Heugenis, ingeten.
Heul [hulp, vooral fig.l, penalemen.
Heulen [met], ertaki [ras]; erpekat.
Heup; geen afz. woord; men bezigt
awak [middel, lendenen]; de uit-
steeksels aan het heupbeen, sening-
-sening.
Heusch [beleefd], erlagoe; mehang-
ke; [werkelijk], toehoe; ktn; nge;
’tjs heusch zoo, bagë toehoe; ba-
ge kin; ’t is heusch mooi, mehoeli
nge.
Heuvel, oeroek-oeroek; goeng; boen-
toe-boentoe.
Hevig [v. d. wind], metêr; [v. d. regen],
medêr; [in het algem.], mekelek;
mehantoe,
Hiel, toekoel-toekoel.
Hier, idjenda; hier [pak aan!, endi];
[geef op!], enta!; kom hier!, mari,
ariko; zie hier, enda; nendah;
hierheen, koedjenda; hiervandaan,
idjënda nari.
Hiernamaals [het —], [taneh] kesa-
lihen.
Hij, ja; hijzelf, ia, ia djinefken]; ook
[maar niet beleefd] dagingna (dit
in tegenstelling met iets van hem,
bijv.: zijn brief is er al, hijzelf niet,
soeratna enggo sêh, dagingna läng).
Hijgen [buiten adem zijn], kelsehen,
mengkah-engkah.
Hij sehen [trekken], koerintak (nge-
rintak); [meesleuren], koesaren
(naren)
Hik; de hik hebben, hikken, selketen.
Hinderen [hinderlijk, lastig voor het
gevoel], medongker, medinggel;
[iemand storen, lastig vallen], koe-
siksa (niksa); koeambat-ambati
(ngambat-ngambati); [stout zijn van
kinderen], degil.
Hindernis, dongkel; (fig. ook[ abat.
Hinken [kreupel loopen], mëndoe-
-endoe.
Hinneken, erngihngih, erdengih-
-dengih. _
Hippen, menggal-ënggal.
Hitte, las.
Hobbelig [oneffen van den grond],
pertoeh.
Hoe, koega, koetera; hoe /nnf [opden
dag], katawari.
Hoed, tengkoeloek; topi (Mal.).
Hoedanig, koega, koetera.
Hoedanigheid, tempas.
Hoeden [vee], koepermakan (erma-
kan); koeembari (ngëmbari).
Hoeder, [kalak] permakan.
Hoef, tjekili.
Hoegenaamd; hoegenaamd niets,
tengteng kai pe lahang.
Hoek, soeki; een uitspringende
hoek, sikoe; [kaap], djoeng, tan-
djoeng.
Hoektand, sawit.
Hoelang, asakai dekahna.
Hoen, manoek beroe-beroe.
Hoendermaag, bilalang.
Hoendernest, sagak, tjagak; gargar.
Hoepel [smalle band om iets], rem-
poe; [ring om den mond van een
fuik, e. d.J, bingke; [om een rijst-
bewaarplaats, k e b e n], timbo.
Hoer, beroe djalang; perdjantan, be-
roe denggal.
Hoest, batoek.
Hoesten, ’mbatoek.
Hoeveel [how much], asakai; [how
many], piga.
Hoeven; het hoeft niet, ola gia; ma
pada.
Hoewel, pe, gia.
Hot [om iets, bijv, om de tepel], da-
poer-dapoer; [erf], kesain; [aan-
plant], taloen, peken.
Hoffelijk, ’ndebi
Hok [i. h. algem.], karang; [hoender-
hok], lipo, kerban.


HOL.
- 34
HUIDUITSLAG.
Hol [grot], goeha, liang; loebang.
Hol [bijv, nw.], [niet massief], me-
roeang; [van weefsel], meriri; [con-
caaf], kelboek, keltoeng.
Holland, taneh belanda.
Hollander, oerang belanda, toean-
Hollen; op hol zijn, erdiama; ram-
boeng-amboeng nahe.
Holoogig [v. e. zieke], koeho; kerno.
Holrond, keltoeng.
Holte [kuiltje], ioeboek. loebang; [van
een boom], roeang-roeang.
Hommel [een groote zwart-blauwe
—], bereng-bereng.
Hond, biang; [in sommige verhalen,
in eigennamen, en ook als scheld-
woord], andjing.
Honderd, ratoes, si ratoes; in 't hon-
derd loopen, ratoek.
Honderdduizend, këwan, si-ng-
-këwan.
Honderden, [me]ratoes-ratoes.
Hondsdolheid; aan — lijden, ma-
jangen.
Honger, lehe; ik heb honger, melehë
koeakap, melehë beltekkoe.
Hongersnood, kelehën.
Honig, honing, tenggoeli, [teng-
goeli] lebah; de beste —, kepala
lebah.
Honigraat, tjambang.
Honig winner, pawang.
Honk, tjendoeng, pertjendoengen.
Hoofd, [lichaamsdeel], takal [doch
vroeger ook blijkens enkele aflei-
dingen en samenstellingen oeloe];
[dorpshoofd enz.], sibajak, pengoe-
loe, radja.
Hoofddeksel, tengkoeloek.
Hoofddoek [der mannen], boelang,
boelang-boelang; [der vróuwen],
toedoeng; [tulband], serban.
Hoofdeneinde, [arah] kalang oeloe.
Hoofdpersoon [bij een plechtigheid
e. d.], soekoet.
Hoofdplaats, perbapän; [voor de
Timoersche streken], pematang.
Hoofdsom, pokok, pangkal.
Hoofdstuk [afdeeling i. e. poestaka],
bindoe.
Hoog, megandjang; [boven de omge-
ving uitstekend], tindjo; [in plaats-
namen ook, tinggi; [van water, van
een gezwollen rivier], ’mbelin.
Hoogbejaard, tjawir metoea.
Hoogdag [de eigenl. feestdag], mata
kerdja.
Hoogharttg. medjenggi.
Hooglander, oerang goegoeng.
Hoogmoedig, megah, ngerah, me-
djenggi.
Hoogstammlg, melëdang
Hoogte [van iets], gandjang; [heuvel],
oeroek; ter hoogte van, nandangi.
Hoogtepunt [ook fig.], tampoek, het
— bereikt hebben [van een ziekte],
nampoeki.
Hoonen, koegombangi (’nggombangi).
Hoop [stapel], goengoenen; [zekere
vorm van opgestapelde rijstaren],
pinoeh; [kleine hoop, opper], rantjë.
Hoop [verwachting], arap, pengarapen;
[toevlucht], penalemen, penoen-
dalen.
Hoorbaar, terbegi.
Hooren [het zintuig van het gehoor
hebben], erpemegi; [iets—],koebegi
(megi); [gehoorzamen], koebegiken
(megiken); [opzettel. hooren, luiste-
ren], koedengkeh (’ndengkeh).
Hoorn, tandoek.
Hoos [waterhoos, windhoos], binda-
was; kalisoengsoeng
Hoovaardig, megah.
Hoozen, koetjotjoï (’ntjotjoï).
Hopen, ngarap; ernalem koe ....
Horde [soort gevlochten vlierinkje],
para toehoer.
Horloge, djam.
Horoscoop, rasin.
Horzel, oentoeng-oentoeng
Houden [vast —], koedjemak (’ndje-
mak); koetegoe (negoe); koetji-
kep (’ntjikep); koegelem ('nggelem);
[gevangen —], koetahan (?); [te-
genhouden aan een touw, een
kleed], koetagang[i] (nagang[i]);
[uithouden, kunnen dragen, sterk
genoeg zijn], tahan; houden van,
koekeleng (erkeleng); [lusten],pêt.
Houding [lichaamshouding], pengo-
dak; [gedrag], lagoe, lagoe-langkah.
Hout, kajoe; perkajoe; [om te branden]
ranting; [een brandend stuk —],
serpoe.
Houtduif, poene.
Houtskool, ageng; a rang.
Houtspllnter, tonggar-tonggar; rem-
pak
Houtworm, boerboer; door de —
aangetast, boerboeren.
Houvast, tjikepen; [leuning bij h. dor-
schen, h. treden der gambir], ajamen.
Houwen, koetampoel (nampoel).
Huichelen, pekoelah-koelah.
Huid [huidskleur], koela; zwart v. huid,
’mbiring koelana ; [de eigenl. huid],
koeling, koeling-koeling; af ge-
stroopte huid, boekbak; huidje,
[dun vliesje van sommige vruchten
en zaden], ’nggelam.
Huidig, goendari, gendoari.
Huiduitslag [in het algemeen], oegah
(oegahen); verschillende soorten:
[kleine roode puistjes], roetoe (me-
roetoe); [soort schurft], koedis, koe-
dil; [ringworm], koerap; [schurfte,
d. bij honden], darang.


HUIDVLEK.
- 35 -
INBUIGEN.
Huidvlek, [witte —1, pano.
Huif [vrouwenhoofddoek], toedoeng.
Huig, kalah-kalah.
Huilebalk, pertangis.
Hullen, tangis, ngandoeng; ’nderkoeh,
serko.
Huls, roemah; [tijdel. huis van min
deugdzaam materiaal], teratak.
Huisgenoot, kalak seroemah.
Huisjesslak, të-m-bintang.
Huisraad, perkekas roemah, oegas-
-oegas[en].
Huisvloer [van hout], papan; [van
bamboe, niboeng e.d.], lantë.
Huiswaarts, koe roemah.
Huiveren, girgir.
Huizen [wonen], ringan.
Hulde, sembah.
Hulp, penampat; [in geld ook] peno-
long; [fig. iemands hulp zijn], pe-
noendalen, penalemen.
Hulpeloos; hulpeloos achterblijven
[als weezen], tading meloemang.
Hulsel, baloet, pemaloet; boengkoes;
pemingkes; [waarin de majangkolf
zit], selodang.
Hun [pers, vnw.], [man] bana; [bez.
vnw.] -na.
Hunkeren [naar iets], merintjoeh kal.
Huppelen, lompat-lompat.
Huren, koesëwaken (newaken).
Hurken, soeksoek.
Hut, sapo, baroeng-baroeng.
Huur, sewa.
Huwbaar, pangke, ’mbelin.
Huwelijk, kerdja empo.
Huwelijksgift [bruidschat], toekoer,
peroendjoek, oendjoeken, emas;
[uitzet dat het meisje wel eens
meekrijgt], tempah.
Huwen [v. d. man], koeempoï(ngem-
poï), v. h. meisje], tersereh koe...
I,
IJ.
Idee, peroekeren, peratën; hij kreeg
een idee, toerah peratënna.
Identiek, sada, soeboek.
Idioot, lali-lali, metiti.
Ieder [als in: iederen dag], teptep,
tjap-tjap; [v. personen veelal],
nonggal, nonggal-nonggal, nonggal
kalak, sekalak-sekalak; iedereen
[wie ook], ise pe; ieder voor zich
wordt ook door een bijzondere con-
structie weergegeven: ieder droeg
zijn eigen geweer, sibaba bedilna
[kerina].
Iedereen [wie ook], tah isë; ise pe;
ise gia; [allen], kerina.
Iegelijk; een iegelijk, isë pe.
Iemand, kalak, sekalak, kalak ë; lit
si ...; er is iemand gekomen, rêh
’ndai kalak; iemand heeft van mijn
rijst genomen, pagëkoe iboeati ka-
lak ë; er is iemand die het gezien
heeft, lit si ngidahsa.
Iets [zeker iets, eenig ding], kai-kai;
[een weinig], sitik-sitik; [een deel
er van], dëba; geef [mijJ er ook
iets [van], bangkoe pe deba.
Ietwat [voor een bijv, nwj, wordt
veelal weergegeven door de ver-
dubbeling van het bepaalde woord:
ietwat zuur, matjem-matjem.
IJdel [nutteloos], sia-sia ;_[van opschik
houdend], medjilë-djile atëna; [ver-
waand], djingar.
IJ1 [wijd uit elkaar], merakrak; [van
de korrels van zekere rijstsoort],
djeranga; [dun v. zaaisel e. d.],
merampis; [v. weefsel], meriri.
IJlen [in den slaap, door koorts],
tjengamen, goeamen, djelamdja-
men ; [zich spoeden], ngajak, kiam.
IJllngs [wordt gewoonlijk door een tus-
schenwerpsel weergegeven], tjas!
IJver, djingkat.
Ijverig, medjingkat.
Ijverzuchtig, mekedoea; metjem-
beroe.
IJzer, besi.
Ijzerdraad, kawat.
Ijzerroest, të-m-besi.
Ik, akoe; [verkort, bij de vervoegde
w.w.] koe-.
Immer = altijd.
Immers, kap; kin ; kepe.
Impotent, la ngasi, la ’nggasang,
In, i, ibäs (koebäs); tarë.
Inblazingen, adjar-adjaren.
Inborst, tempas.
Inbreker, gadap-gadap.
Inbrengen [bij het huwelijk iets —,
van de vrouw], ertempah; [iets
ergens —], koeasakken (ngasakken).
Inbreuk; inbreuk maken, [op een ge-
woonte, afspraak e.d.], koetjëdaken
(’ntjëdaken).
Inbuigen [naar beneden doorgebo-
gen], keltoeng.


INCOMPETENT.
- 36 -
INMENGEN.
Incompetent, la atan, la masin kata;
la ngasoep.
Indachtig; iets — zijn, koepinget-
-inget (pinget-inget).
Indammen, koetambaki (nambaki).
Indecent, merêha: kemali; kemboeng.
Inderdaad, toehoe- kap, kapken;
kin; nge.
Inderhaast, teroedoe.
Indertijd, ndoebê, nai.
Indien, di, adi (locaal; de); [in geval
dat], koene; [i. e. veronderstelling],
bitjara.
Indigo [de plant], sarap [Indigofera
tinctoria]; silawen [Marsdenia tinc-
toria]; [de verfstof], telep.
Indijken, koetambaki (nambaki).
Individu, kalak.
Indolent, ’mbetat.
Indommelen, ingedommeld, [ter-]
toendoeh-toendoeh.
Indompelen, koetjelep (’ntjelep).
lndoopen [als in saus e. d.], koetja-
leh (’ntjaleh).
Indrijven, koeasakken (ngasakken).
Indringen [tusschen iets, tusschen
de menschen], koeselat (nelat).
Indringerig, melasang.
Indrinken [opzuigen, als vloeipapier
e. d.] neptjep; koesiroep (niroep).
Indruischen, isoengsang (noeng-
sang).
Indrnk [van iets], bekas; [van hand
of voet ook] tapak.
Indruppelen [in het oog], koeanggih
(nganggih).
Ineengedoken, menggep ; [van zieke
vogels], kerbê.
Ineengedraad [van garen e. d.],
pioeh.
Ineengegroeid [als een warnet van
rotan e. d.], pesawen-sawen.
Ineenkrimpen [samenschrompelen],
kerpoet.
Ineenstorten, rontas, roentoeh.
Ineenvloeien, toemboek.
Ineenvoegen, koesendep (nendep).
Inenten, koetjongkil (’ntjongkil);
koetjatjar (’ntjatjar) (Mal.).
Influisteren, koekoesikken ('ngkoe-
sikken).
Iniormeeren [naar een misdrijf],
ernoengnoeng; koenoengnoengi
(noengnoengi); [vragen], koesoeng-
koen (noengkoen); [berichten in-
winnen, poolshoogte nemen bij de
ouders van een meisje], koeïndang-
-indangi (ngindang-ngindangi).
Ingaan [ergens in kunnen], siat; [bin-
nengaan], bengket, koebäs; koe-
bengketi (mengketi).
Ingang [toegang tot een dorp], pintoe
lawang; kerabangen; ingang vinden
[van een woord], siat, tangkel.tampil.
Ingenomen [— zijn met iets], ngena
ate; ’ntabeh ate.
Ingescheurd, tjopar-tjapir; metëgas
[van hout], sebek.
Ingesloten [van een landschap door
bergen], kinemkem.
Ingesneden [van bladeren], ertjarik-
-tjarik.
Ingetogen, tajan.
Ingeval, koene
Ingevallen [v. e. huis], roentoeh.
Ingevolge, erkitêken, erdandanken.
Ingewanden, bitoeka, toeka.
Ingewikkeld [verward, gecompli-
ceerd], la ’rtoeri-toerin; [in ver-
warring brengend], goeloet.
Ingezetene, anakroemah;anah boeah.
Ingrediënten, poeloengen.
Inhalen [plechtstatig], koealo-alo
(ngalo-ngalo); ingehaald worden
onder weg, toendoek; [binnenhalen,
wat bijv, te drogen hangt], koeakin
(ngakin).
Inhalig, metelin.
Inhoud, isi, nakan.
Inhouden [iets—], risi;isin ; [achter-
houden, tijdelijk bewaren], koeaha-
ni (ngahani); [zijn lachen —; zich
bedwingen], koeerem (ngerem).
Inhoudsmaat, als zoodanig kent
men feitelijk alleen de rijstmaten;
eenheid is de t o e m b a (plm. 2 L.]
= 4 gantang; een gantang is
zooveel als één volwassene voor
een maaltijd noodig heeft. De ove-
rige benamingen zijn hoeveelheids-
benamingen:: si nalih = lOtoem-
ba; si-m-pelgan = 20 toemba;
si karoeng = 30 toemba; si-
koentja = 100 toemba; en onder-
deden van de gantang: si- n-tj oe-
pak = 1/2 gantang; si 1 a j ap =
1/4 gantang.
Inkepen, koepengkahken (meng-
kahken).
Inkeping, pengkah, tanggam.
Inkoken [slinken bij het koken], neh-
seh (sehseh).
Inkrimpen [van hout, een gezwel,
e. d.J, kesip.
Inkt, mangsi; tinta (Mal.).
Inleggen [in houtwerk, e. d.J, koe-
soembi (noembi).
Inlegsel, soembi.
Inleveren, koeendesken (ngendes-
ken).
Inlichten [over iets —], koeterangken
(nerangken).
Inlichting, keterangen; berita.
Inlossen, koeteboesfi] (neboes[ij).
Inmengen [zich mengen in,tusschen-
beide komen in een geschil], koe-
telahi (nelahi); [meedoen aan],
singgoer.


INMENGING.
- 37 -
IVOOR.
Inmenging [interventie], telah-telah.
Inmiddels, sangana e, toepoeng ë.
Innemen [een plaats —], koeïani
(ngiani); [medicijn —koepän
(man); [iemand voor zich weten
te winnen], koeboeatoekoer (moe-
at oekoer).
Innemend, gajang, ’mbatjar; djehe ;
beloeh moeat oekoer kalak.
Innen [schuld, belasting], koealo
(ngalo).
Innerlijk [gemoed], ate, oekoer; [ie-
mands diepste wezen], tjininta.
Inpakken, koebaloet[i], (maloetfi]);
[zout in bladeren pakken], koebing-
kes (mingkes); [zijn plunje—.om-
dat men op reis gaat of gaat ver-
huizen], noesoen.
Inpikken [onbeheerd goed zich toe-
eigenen], koekoelih (’ngkoelih).
Inpompen [iem. iets —], koepasoek-
ken (masoekken).
Inrekenen [onbeheerd goed], koe-
koelih (’ngkoelih); een. persoon in-
rekenen, koeïket (ngiket).
Inrichten [regelen], koeatoerken (nga-
toerken), koedjoedjoerken (’ndjoe-
djoerken).
Inroepen [de hulp van dorpsgenooten,
onderdanen], koeseraja (neraja).
Inruilen, koepetoekar (petoekar).
Inruimen [een huis —], koepeloemë
(peloeme).
Inschenken, koetjoertjoerken
Cntjoertjoerken); koetjoerahken
(’ntjoerahken).
Inscheuren [van hout bijv.], nebek
(van sebek).
Inschuld, ido.
Insect [geen alg. naam; het woord
dat het best hiervoor passen zou
is kelting-kelting — van
kelting = insnoering, ingesnoerd —,
maar dit is reeds de naam voor
een bepaald insect]; zie verder op
bij, vlieg, tor, enz. enz._
Insgelijks, bagë ka, bage pe.
Inslaan [inslaand van een woord,
gezegde], pasoek; [ingeslagen van
den bliksem], kena perkas, idoem-
pang perkas; [van een kogel], er-
depak.
Inslag [bij het weven], pakan.,
Inslapen, terpedem[ken].
Inslikken, koetelin, koetelen (nelin,
nelen); koebendoet (mendoet).
Insmeren [met medicijn], koealoeni
(ngaloeni), koegoesgoesi (’nggoes-
goesi).
Insnoering, kelting.
Inspannen [zich —], koeseraken
[om iets te leeren], ngerapat, koe-
perapat-rapat (perapat-rapat).
Inspanning, gegeh; kesah; met in-
spanning, asa kesah, asa gegeh.
Inspuiten, koegoemba (’nggoemba).
Instaan [voor iem.], koedjaminifndja-
mini); [voor iets; het op zich nemen],
koetanggoeng (nanggoeng); meteh.
Insteken [de hand in iets steken],
koetjekoeh (’ntjekoeh); iemand iets
insteken, koeadjar-adjari (ngadjar-
-ngadjari); ingestoken, aroek.
Instellen [in ’t leven roepen], koe-
boeboeh (moeboeh).
Instelling, atoeren, peratoeren;
[overgeleverde —], bitjara.
Instorten, roentoeh, rontas; [v. d.
grond], metemboek.
Intact, sangkep.
Interest, boenga, perboengän.
Interval; bij intervallen voorkomen,
[als sommige dieren, ziektever-
schijnselen], ernembas; erkelang;
[van pijn vooral], erpenembeh.
Interventie, telah-telah.
Intusschen, sangana e.
Inviteeren, koedilo (’ndilo).
Invloed; van invloed zijn op [er iets
toe doen], ’ndobah, mobah; invloed
oefenen [merkbaar zijn], terakap.
Inwendig, ibäs.
Inwerken [in bijgeloovigen zin],koe-
roelahi (ngeroelahi).
Inwijden [een huis, een markt],
mengket [roemah, enz].
Inwikkelen, koebaloeti (maloeti),
koeboengkoesi (m< engkoesi); [van
kleine voorwerpen], koebeloegoeï
(meloegoeï).
Inwilligen, koebere (mere).
Inwonen, kesilang ras • . .
Inzakken [met den voet in den
grond], terlemboes; [van den grond],
metemboek.
Inzamelen, koepepoeloeng (pepoe-
loeng).
Inzet, taroeh, pasangen; asam.
Inzetten, masang, [overg.] koepasang
(masang).
Inzicht [in een zaak], oekoer; penatap.
Inzien [erkennen], koeakoe (ngakoe).
Inzinking [van den bodem], kelneh-
-kelneh.
Inzoet, lësam.
Inzouten, koesiraï (niraï).
Inzuigen, koesiroep (niroep).
Inzwachtelen, koebaloeti (maloeti).
Ivoor, gading; [van den neushoorn],
soengo.


- 38 -
KABOUTER.
Ja, oee; [als soort van uitroepl, iah;
(overigens wordt op een gedane
vraag meestal — indien bevesti-
gend — geantwoord met herhaling
van het hoofdwoord der vraag).
Jaar, tahoen.
Jaargetijde [seizoen van iets, bijv,
van doerians], paksa; het droge
jaargetijde, paksa lego.
Jaarlijks(ch), teptep tahoen; si ta-
hoen sikali.
Jacht, perboeroên.
Jachtwerk [spoedwerk], perajaken.
Jagen, erboeroe ; jagen op iets, koe-
boeroeï (’mboeroeï), koepeboeroeï
(peboeroeï),koeperboeroeï(perboe-
roeï).
Jager, perboeroe.
Jak, badjoe; badjoe-badjoe.
Jaloersch. metjemberoe; mekedoea.
Jammer [ellende], kiniserän; 7 is
jammer!, andiko!
Jammeren, ngandoeng.
Japan, [taneh] djepan; Japansch, Ja-
paneesch,doepan; Japanees, [oerang]
djepan.
Jas. badjoe.
Jasmijn, [boenga] meloer.
Java, [taneh] djawa; Javaan, [oerang]
djawa.
Jawel, oeë; boedjoer.
Jegens, ngenehen [letterl. ziende opl.
Jeugd [de jeugd, al wat kind is],
danak-danak, si medanak; oerang
riak.
Jeugdig, ngoeda.
Jeuk, gatel.
Jeuken, megatel, megamang, meser-
mo; [een weinig —], ’nggoermit.
Jicht, sakit poestap.
Jij, jou, ko, engko; [datief en na het
voorz. man], bam[oe].
Jok, jokkernij, boeal-boeal[en],goe-
ak-goeak.
Jokken, boeal-boeal; [schertsen],
djagar-djagar.
Jolig [uitgelaten], gemar.
Jong, ngoeda.
Jong, [van beesten], anak.
Jongedochter, si ngoeda-ngoeda.
Jongeling, anak perana; perdjam-
boer.
Jongen [een jong werpen], moerik,
noebis.
Jongen [tegenover meisje], [anak]
dilaki; (euph.) matawari.
Jongensgek, perdjantan.
Jonger [leerling], adjar-adjar, si
’nggoeroe man . . .
Jongere broeder [zuster], agi.
Jongs; van — af, kitik nari.
Jongetje, danak, danak-danak; si-
tongat.
Jongmeisje, siberoe.
Jonkvrouwelijk, si so keliamen.
Jour, ä jour [van vlechtwerk], ra-
wang.
Jouwen [uitjouwen]; men doet dit
door het roepen van ë 1 e, zooveel
als ons: sliep uit.
Jubelen, ersoerak, ralep-alep.
Juffer, mejuffer [in beeldspraak, in
godennamen], sidajang.
Juichen, ersoerak, ralep-alep; nge-
hilë.
Juist, toehoe; pajo; [juist treffen op
of samenvallen met], pahë; rem-
bang; toepoeng (noepoeng); [juist
aan het . . ., juist bezig], tengah.
Juk [ploegjuk), ioga; [de vork die op
den nek rust], kangkoeng; [draag-
stok], landjän; onder het juk [i n
de verdrukking], meling.
Juweel, mata ëntan.
K. •
Kaaiman, boeaja.
Kaak [eigenl. kaak, het tandvleesch],
’nggoesi; [de wang], koeroem;
[de onderkaak, kin], isang.
Kaal [niet behaard], soelah ; la ’rboek-
fel boek; [afgevreten, afgegraasd v. e.
vlakte], palpal; [v. planten], poelpoel;
[niet begroeid v. d. grond], mesai.
Kaap, tandjoeng.
Kaars [soort v. damarkaars], seringen.
Kaart; kaartspel, pako.
Kaarten [kaartspelen], erpako.
Kaas, kedjoe (overgenomen uit het
Mal.); [gestolde melk], tinemboe.
Kabbelen, miling-iling.
Kabouter, kemang.


KAF
- 39
KERVEN.
Kaf [leege rijstkorrels], lapoeng;
[zemelen], segal.
Kakelbont [van een haan], korëk.
Kakelen, katëkat, gegih.
Kakken [plat], tjiret.
Kakkerlak [de gewone], ipes; [zekere
grijze soort], lipas.
Kalebas, taboe; [een uitgeholde, als
watervat dienende], taboe-taboe.
Kalender, tjoetjoek-tjoetjoek; katika;
oeari teloe poeloeh.
Kalt, anak lemboe. anak kerbo.
Kalk, kapoer; kalk op een sirihpruim-
pje doen, koekapoeri (’ngkapoeri).
Kalkdoosje, kerandam.
Kalkkoker, tagan.
Kalm, teneng, tetap, koekoet.
Kalmus, djerango.
Kalotje, tengkoeloek.
Kalven, noebis. ,
Kam, soeri-soeri.
Kameleon, bindoran.
Kamer, bilik.
Kameraad, teman ; [speelnootje, ook
soort van kamenier of lijfmeisje bij
vorstelijke dochters] si kandoe;
kandoe-kandoe.
Kamfer, kapoer baroes.
Kamizool [baadje zonder mouwen],
badjoe pokok.
Kammen [zich —], ersoeri.
Kamp [gelijk op], radoe.
Kandelaar, pertendangen.
Kanon, meriam.
Kansspel, djoedi.
Kant [zijde], doeroe, tepi; de vlakke
kant van een mes, palpal; de hooge
kant [oever] van een rivier, tebing;
de scherpe kanten [ribben] als van
een kubus, e.d., biding; de kanten
[randen] van een tafel e. d.,
oempë-oempë; [te dicht] op den
kant [rand], moempë.
Kantelen [omgekanteld], tombang
toengkas.
Kantoor [inz. ^bureau dér regeerings-
ambtenaren], kantor.
Kapel [vlinder], kaba-kaba.
Kapen, koekilep (’ngkilep).
Kapitaal, pokok, pangkal; [speel-
kapitaal inzonderheid], tëk; asam.
Kapitein [v. e. vaartuig], nakoda.
Kapmes, sekin.
Kapok, boenga; de kapokboom, ka-
boe-kaboe
Kapot, petjah; tjeda.
Kappen [boomen vellen], koetabah
(ertabah, nabah); [takken afkappen],
koetebas (nebas); [struikgewas e.d.
omkappen], koerandangi (ngeran-
dangi); [een weg kappen], koerentes
(ngerentes).
Kappen [zich —, het haar opmaken],
erlajam.
Kar, gareta.
Karat, gendi; [v. d. kalebas], taboe-
-taboe.
Karakter, tempas; oekoer.
Karig [schriel], kedik, kedit; [niet
geheel genoeg], mangkar, mersoek.
' Karwats, pertaka.
: Karwei, dahin.
i Kat, koetjing.
Katoen [de katoenstruik], kembajat;
katoenen stof, dagangen; [lampen-
katoen], soemboe.
1 Kauwen [op iets], koengatngati
(ngatngati); [vóórkauwen voor
kleine kinderen], koemamahi (ma-
mahi); [suikerriet kauwen), erme-
ngoes; koeengoes (ngengoes).
Kauwsel [van medicijnen, sirih e.d.ter
(genezende) bespuwing], semboer;
een uit gekauwde sirihpruim, tjepah.
Keel, kerahoeng; [keelholte], kalah-
-kalah.
Keep, pengkah ; tanggam; tanggam-
-tanggam.
Keer [maal], kali, kelih (keleh), embas ;
één keer, sekali, sekali keleh, se-
kali embas.
Keerdam, belanen.
Keeren [wenden], [er]koesoer; iets
[omjkeeren, koekoesoerken (’ngkoe-
soerken); [tegenhouden met uitge-
spreide armen bijv.], koeambang
(ngambang); [met een gespannen
touw], koeanto (nganto).
Keet, baroeng-baroeng; [tijdelijk huis],
teratak.
Keg, basi, basi-basi.
Kelen, koegeleh (’nggeleh).
Kemirlnoot, kembiri.
Kenbaar, ketandan.
Kennelijk, kepe, kepëken.
Kenmerk, tanda.
Kennen, koetandaï (nandaï).
Kennis [wetenschap], pemeteh, kini-
goeroên, kinipanden.
Kennisgeven, ermomo; erkata.
Kennisgeving, [openbare], momo,
permomón; [i. h. algemeen], kata,
perkatän.
Kennismaking [bij een ontmoeting
onderweg], toetoer.
Kenteeken, tanda; salep.
Keper, goda.
Kerfblok, sangkalen.
Kerk, gerëdja, roemah pertotón.
Kerkhof, pendawanen.
Kermen, ’nderkoeh.
Kern [het harde kernhout],teras; [het
zachte merg], oenoeng; [de eetbare
kern van den pisangstam], oem-
boet; [fig., de kern v. d. zaak], oerat.
Kerven [insnijden], koesajat (najat);
[in plekken snijden, tabak kerven],
koeïres (ngires).


KETEL.
- 40 —
KLAPPERVEZEL.
Ketel, tjërëk.
Keten, rante.
Ketenen, [binden, in boeien zetten],
koeïket(ngiket); koegariken (’ngga-
riken).
Ketsen [van een geweer], erdalih.
Ketting, rante.
Kettingganger, kalak rante.
Keuken, [een afzonderlijke keuken
kent men niet, dan bij Europeesche
huizen; dan spreekt men van] roe-
mah dapoer.
Keukenmeid, si erdakan.
Keuren [proeven van spijzen], koe-
tjetjap (’ntjetjap); [een onderzoek
doen], ertilik; koeoendjoen (ngoen-
djoen. (Zie ook op kiezen, uit-
kiezen).)
Keurig, medjile; seroeng; [netjes van
het kapsel], melikas; [in de puntjes]
moerri.
Keuring, tiliken.
Keus, pilihen.
Keuvelen, erkoean-koean.
Kever, kajat.
Kibbelen, erdawa, ergogo, roebati.
Kieken [kuiken], anak manoek; ma-
noek piak piak.
Kiekendief, koeliki.
Kiem, soeli.
Kiemen, ersoeli.
Kier [reet], renggang-renggang.
Kies = tand; de zoogen. valsche
kiezen heeten wel batoe.
Kieschkeurlg, meganj.
Kleschkauwen, metedoek perpän.
Kiespijn [hebben], mesoeï ipen;[last
van holle kiezen hebben], oerimen.
Kietelen, koegidik (’nggidik).
Kieuwen, saring-saring.
Kiezen, koepilih (milih, erpilih).
Kijk [tusschenw ], nendah!
Kijken, ngenehen ; [naar iets—], koe-
nehen (ngenehen); [v. e. hoogte],
natap; [gaan_ kijken bij een ver-
tooning], ’ndedah.
Kijker [verrekijker], teropong.
Kijkspel, dedahen
Kijven, erdawa.
Kik; geen — geven [omdat men niet
meer durft, of niet weet te ant-
woorden], dongal; la ngaloï.
Kikkervischje, berek; berek-berek.
Kikvorseb, padek, katak; [groot
soort], panggoel.
Kil [koud], ’mbari.
Kim [gezichteinder], tampoek doni.
Kin, isang,
Kind [tegenover de ouders], anak;
[tegenover de volwassenen], danak-
-danak.
Kinderliedje, didoeng-didoeng.
Kinderlijk, medanak.
Kinderloos, lambang; Ia lit anak[na].
Kindermeid, si ngerembahi.
Kinderpokken, remë.
Kinderspeelgoed, ajam-ajam, ma-
jam-majam.
Kindsbeen, van kindsbeen af, kitik
nari.
Kindsch, anaken.
Kindsheid [eerste jeugd], paksa
(sanga) kitik.
Kindskind, kempoe.
Kip, manoek.
Kippeborst [het borststuk], garap[na]
Kippenei, tinaroeh manoek.
Kippenhok, lipo; karang manoek;
kerban.
Kippenmand, soenoen.
Kippenvoer [nl. fijn gestooten rijst-
korrels], bening.
Kirren, ngoekoeï.
Kist, kotak, kotak-kotak; [—met slot],
peti.
Kit, poeloet.
Kittelaar, boeah-boeah.
Kittelen, koekidik (’ngkidik); koegidik
(’nggidik).
Kittelig, megamang.
Klaagzang [geklaag bij een doode],
andoengen.
Klaar [helder], terang; [v. water e. d.],
metjiho; [gereed om iets te doen],
sikap; [af], doeng; [gedaan met
eten], elah [man]; [als uitroep bij
spelletjes, weddenschappen e. d.],
asi! *
Klaarblijkelijk, kepe, kepeken.
Klaarheid, terang, keterangen; tjiho.
Klaarmaken, [in orde brengen enz.],
koepedjore (pedjore).
Klacht [aanklacht], pengadoe; [wee-
klacht], andoengen.
Klagen [aanklagen], ngadoe; [wee-
klagen], ngandoeng.
Klakkeloos, mapas-mapas.
Klam, bentjit.
Klank, sora.
Klap [oorveeg], parap; [klanknaboot-
sing], toem, sap, pang,
Klappen [in de handen], ertepap, er-
tepoek; [op de dijen, als teeken
van spijt of radeloosheid], koetepis
(nepis); [— met de tong], 'ngkoer-
tak ; [knallen], erdetoem; erdepoek;
[als van een zweep en d.], erde-
pang.
Klapper, toealah, batang toeala; [de
vrucht], toealah; een jonge klapper-
vruclit, moembang; een oude, rijpe
klapper, pirang.
Klapperdop, soedoe; berkoe (dit
laatste meer voor de ledige kokos-
schaal).
Klappermelk, santan.
Klapperolie, minak toealah.
Klappervezel, saboet.


KLAPWIEKEN.
— 41 —
KNARSEN.
Klapwieken, 'nggoerpas. _
Klarinet, saroenë, seroenë.
Klateren, erdetak, erdedjar.
Klatergoud, koeratda.
Klauw, siloe-siloe; [van een vogel],
kaïs-kaïs.
Klauwen [krabben], koegergoï,
(’nggergoï); [met de handen liet
onkruid uit de sawahs halen], nge-
roro.
Klaver [in het kaartspel], kelawir.
Kleed, oeïs, oeles; [spec. v. mannen],
gondje; [v. vrouwen], abit; [dek-
kleed], tjabin.
Kleeden [zich],_ rosë, erpakë.
Kleeding, paken, oeïs.
Kleefrijst, page poeloet; [gebolsterd],
beras poeloet.
Kleefstof, poeloet.
Kteerluis, toema.
Klef [van gebak, brood], roenoengen.
Klei, [taneh] dah.
Kleiig, medah.
Klein, kitik; [klein v. stuk], metjoer,
meloemat.
Kleinhartig, megendek oekoer,
Kleinigheden, roentjoek-roentjoek;
[de kleine uitgaven die bij de koop-
som komen], si metjoer-metjoer.
Kleingoed, keloemat-keloemat.
Kleinkind, kempoe.
Kleinzeerlg, tjiktjik.
Kleinzen, koetapis (napis); koetim-
basi (nimbasi).
Klem [soort val], apit; [voor ratten],
soenggapit; [een soort als onze zgn.
vossestap], ragoem; in de klem,
terkatjip, kitjat; [fig.J, toel; terdaja
tersiding.
Klemlat [op het dak], pengapit.
Klemmen [geklemd zitten], pitjet;
rapit; [overg.], koekatjip (’ngka-
tjip).
Klemmend [van een betoog], pasoek.
Klepel, anak lontjëng.
Kleppen [met de vleugels] ’nggoerpas.
Klerk, kerani.
Klets, sap.
Kletsnat, paja, damer.
Kletspraat, tjakap la ’rboekoe.
Kletteren, erdedjar, erdetak.
Kleur, roepa; [huidskleur], koela.
Kleuren [een kleur krijgen], sambar
ajo[na].
Kleurling, peranaken (uit het Mal.
overgenomen ?)
Kleven [kleverig], leket.
Klewang, galëwang, rodos.
Kliek, kliekjes, iba-iba.
Klier; last van klieren hebben, boen-
doengen.
Klierzwelllng, boendoeng.
Klieven, koetaka (naka).
Klikken, ngata-ngataï.
Klimaat, oea.
Klimmen, nangkih; koedäs; [bij
een helling op —], nangkeng-nang-
keng.
Klimplant [slingerplant e. d.]. oearen.
Kling [lemmet], mata.
Klingalees, kalak [of oerang] keling.
Klink [van een deur], eroek-eroek.
Klinken, ersora, erkata.
Klipgeit, bedar.
Klis, katjileket, baroe.
Kloek [moederkip], manoeksi indoeng-
-indoeng; [flink, vaardig]_ pantas.
Kloekmoedig, megedang ate.
Klokken [als water in een flesch],
meldoek-eldoek, moetjoek-oetjoek;
[van een kloekhen], erkoetkoet.
Klomp [een hoop bij elkaar],goempil;
[brok, stuk], kimpal.
Klont [in een bultzak bijv.], goedihal;
[aardklont], boengki.
Klonterig, ergoedihal; [van een niet
goed geëgd veld], pertoeh-pertoeh.
Kloof [rotskloof], loehoeng.
Kloot, pinang-pinang.
Klootzak, katoel-katoel.
Klooven [met een bijl], koetaka (naka);
[v. kl. voorwerpen met een mesje],
koeïgar (ngigar).
Kloppen [op de deur e. d.], koetoek-
toek (noektoek); [op den bloemtros
van een arënpalm, voor’t winnen
van palmwijn], koebalbal (malbal);
[een kleed e. d., om stof te verwij-
deren], koekoepirken (ngoepirken,
’ngkoepirken); [van het hart], er-
debet.
Klos [onder iets], kalang; soort garen-
klos [tevens breipen voor netten],
sinimbek.
Kluis [waarin een goeroe zich afzon-
dert], pantangen.
Kluit, boengki.
Kluizenaar, kalak ertapa, pertapa.
Kluts; de kluts kwijt zijn, goeloet
oekoer[naj.
Kluwen, koelkoelen.
Knaagdier, mentji, binatang.
Knaap, danak-danak.
Knabbelen, koesaroet (naroet); ngat-
ngat.
Knagen, koeketep (ngetep); [v. pijn],
nentap-nentap.
Knakken koepenggel (menggel); [on-
overg. geknakt], bangkir.
Knal, sora; [als klanknabootsing],
toem, pang.
Knallen, erdetoem, erdepang, erde-
poek; [spec, van geweerschoten],
’mbetjih.
Knap, beloeh, keras; pandë; pantas;
[mooi], mehoeli, merandal.
Knarsen [van de tanden], erderak,
erderik.


KNECHT.
42 -
KOLF.
Knecht [bediende], kemahan; kelasi;
djoeak-djoeak; [loondienaar], kalak
oepahen; [slaaf wegens schuld],
pertiga; [slaaf], kawan.
Knechtschap, perkawanen.
Kneden [klei e. d.], koetepa (nepa);
[een deegmassa, een pillenmassa],
koepoeloeri(moeloeri); [met water],
koepetjek (metjek); [knijpen in;
masseeren], koeoitjat (mitjat).
Knellen [knellend], pitjet; senik.
Knetteren [van geweervuur], ’mbe-
tjih; [sputteren], koeritik, keroe-
poek; [van vuur], erdepoer.
Kneuzen [als specerijen e. d.J, koe-
pikpik (mikpik); [gekneusd, ver-
zwikt], tersiher.
Knevel, goemis, misê (Mal.?).
Knevelarij, kilang.
Knevelen [verdrukken enz.], koeki-
langi (’ngkilangi); [binden], koeïket
(ngiket).
Knie, tiwen [loc., tioen]; takal tiwen.
Knielen, erdjimpoeh.
Kniezen, [mistroostig zijn], djoetdjoet.
Knijpen [ergens tusschen knijpen],
koekatjip (’ngkatjip); [met de na-
gels], koegetoek (’nggetoek); [tus-
schen den duim en den wortel van
den wijsvinger], koegeldi fnggeldi);
[heel fijne kneepjes geven], koe-
tiibet (’ntjibet); [ergens in knijoen,
bij wijze van masseeren], koepitjat
(mitjat).
Knijper, gampit; [v. e. krab], gambal.
Knijptang, pendjabat-
Knikkebollen, ngantoek.
Knikken [met het hoofd], koekoe-
pirken takal.
Knikkeren [een hierop gelijkend
spel, met eikels e. d. gespeeld], er-
bitjik.
Knip [met de oogen], kirep; [werk-
tuig om vogels te vangen], atip-
atip; [voor ratten e. d.J bentang,
Knipmes, lipat.
Knipoogen, ’ngkirep.
Knipsel [van naaiwerk], tjigat-tjigat.
Knobbel [knoest], goembam; [buil],
goembang; [eeltknobbel], kedal;
[— op den sneb der jaarvogels],
paroeh, padoeng.
Knoeien [valsch spel spelen, enz.],
gëdoek; [waren vervalschen], nge-
lantjoeng; [knevelen], koekilangi
(’ngkilangi); meling ibahan.
Knoeierij [knevelarij], kilang.
Knoest, goembam, goedoel, goetoel-
-goetoel.
Knoflook, lasoena.
Knol [knolvruchten], gadoeng; keladi,
birah, soekat.
Knoop, boeah badjoe; kantjing (Mal. ?)
[in een touw e d.J, poedoen.
Knoopen [vastknoopen], koepoedoen
(moedoen); [met een loopende
knoop], koetoentoen[i] (noen-
toen[i]); [netten knoopen], koese-
ret (neret); [geld in een doek knoo-
pen], koepoendjoet (moendjoet).
Knoopsgat, roemah kantjing.
Knop [aan iets], poeting.
Knorren [van varkens], nengkoek
(van sengkoek).
Knorrig, moerbit.
Knot [van garen] = streng.
Knots, kajan-kajan.
Knotten [een boom —], koetombeng
(nombeng)
Knuppel, goedam, kajan-kajan.
Knutselwerk, takoet-takoet.
Koe. lemboe; buffelkoe, [kerbo] be-
roena; kerbo si indoeng-indoeng.
Koeïonnceren,koegasgasi(’nggasga-
si); koekilangi (’ngkilangi); meling
ibahan.
Koek [soort van rijstekoek. Chineesch
baksel?], gepeng; [soort gebak v.
rijstemeel], tjimpa.
Koel, berngap; bergeh; [onverschillig!,
dês ate.
Koelbak, pelangkah.
Koemelk, dadih lemboe.
Koeren, ngoekoeï.
Koers, [richting], toedoe.
Koestal, karang lemboe.
Koesteren [zich — bij ’t vuur], tji-
tjoedoe; [in het zonnetje], tjilas-
tjilasi, tjilaslasi.
Koevoet [hefboom], perongkil.
Koffer, peti.
Koffie, kahoea.
Kogel, timah, peloer; [van hout of
panggoeh, om vogels te schieten],
inal; [gegoten kogel], pinoeroe.
Koken [intrans. en ook fig.: kokend],
loeam ; gedjek; [aan de kook bren-
gen, water e. d.],'koegerger (’ngger-
ger); koetanggerken (nanggerken);
[iets gaar — in water, spec, groen-
ten], koebelgang (melgang); [spec,
rijst], koedakan (’ndakan, erdakan);
[spec, vleesch], koetasak (nasak).
Koker [voor sirihkalk], tagan; [water-
koker van bamboe], tambe, koeran;
[met mondstuk], tjarak; [— voor
zout], abal-abal; [— om rijst in te
bewaren], boesan ; [—voor kleeren
en kostbaarheden], kepoek; [buis
of pijp voor afvoer van rook], aling-
goengi; ganggang.
Kokos = klapper.
Kolf [van de maïs; ook de nog niet
geheel ontplooide bloemkolf der
palmen], toekoek; [ledige maïskolf;
de bodem waarop de vruchten ge-
zeten hebben], toengkoel; [bloei-
kolf], oeas, arirang.


KOLK.
— 43 -
KRACHT.
Kolk [put], telagah; [diepe plaats in
een rivier], namo; [draaikolk],laoe
poesingen.
Kolossaal, kegalangen, kebëhengen;
kabelin.
Kom, mangkoek; [vingerkom], perboe-
rihen, tjeboeken.
Komen, rêh; sêh; komen te [gebeu-
ren], soeng; zijn vader kwam te
sterven, soeng mate bapana; ook
wordt komen te in komen te val-
len, enz. dikwijls weergegeven door
het voorvoegsel t e r-.
Komijn, dj era.
Komkommer, tjimen.
Kommer [zorg], aroe atë; [ellende],
kepitjeten, nanggel.
Kompas, pendoe_man (pendoemen).
Kompasroos, desa si oealoeh.
Kompres [bladeren, die men ter stel-
ping van een bloeding op een
wond legt], boeloeng lantjing.
Koning, radja.
Koningschap, keradjän, kiniradjän.
Koninkrijk, keradjän.
Kooi, koeroeng, koeroengen; [klei-
ne —], randjang.
Kooien, koekoeroeng (’ngkoeroeng).
Kookpan, koedin.
Kookplaats, dapoer.
Kool [houtskool], ageng; [smeedkool],
arang.
Koon, koeroem.
Koop, te koop, man dajan.
Koopen, koetoekoer (noekoer).
Kooper, penoekoer, si noekoer.
Koophandel, binaga.
Koopman, perbinaga.
Koopmanschap, perbinagän.
Koopsom [van een meisje], toekoer,
[in het alg.], penoekoer.
Koopwaar, barang man dajan; da-
gangen.
Koord [touw], tinali; [echt, gevloch-
ten —], simpë.
Koorts, koortsig, magin ; [malaria],
[mjaroen.
Koortsachlig, magin-magin.
Koortsmiddel, tambar aroen.
Koozen, erkoean-koean.
Kop [hoofd], takal; [rijstmaat e. d.J,
toemba.
Koper, tembaga; [geel koper], gelang-
-gelang.
Koperdraad, kawat.
Kopervitriool, toersi.
Kopje, tjangkir.
Koppel [paar], djodoe.
Koppelaar [bemiddelaar bij een hu-
welijk], telangkë; kelang.
Koppensneller, penaloeng-naloeng.
Koppig, degil; bontang; metangkang,
medjekdjek.
Koren = graan.
Korf [verseh, soorten], bata, rimpi-
-rimpi, raga; djangkat; [voorgam-
bir-bladeren], amboeng; [voor
kippen], soenoen.
Korrel [kruimel], rimah, rimah-rimah ;
één kruimel, si-ng-kerimah; tjepik
(si-n-tjepik); [korrel tegenover de
aar], nakan ; fijn van korrel, nakan
tjoer; grof van korrel, nakan
’mbelin; [de korrel van kruit], boe-
liga.
Korst [in een rijstpot], koeskoes; [—
op een wond, roof], kerang, ling-
kerang.
Kort [van afmetingen], gendek; [laag
bij den grond], megendek; [kort
gesneden als haar, gras], meselket;
[een korten tijd], la ’ndekah[sa],
kentisik.
Kortademig, asek-aseken.
Kortaf [prikkelbaar, spoedig boos],
merambit; [in zijn wijze v. spreken],
menggo.
Kortelings, 'mbaroe enda ; tjoepari.
Kortswijl, djagar-djagar.
Korzelig, moerbit, meroentoes.
Kost [eten], pangän; den kost verdie-
nen, 'ntjari; [spec., er op uittrek-
ken om den kost te verdienen],
erdagang; kosten [uitgaven], be-
landja; bekal; ongkos.
Kostbaar, mahal, meherga.
Kostbaarheden, erta-eria.
Kosteloos, la galar, la ’rtoekoer.
Kosten; hoeveel kost het? asakai er-
gana ?
Kostwinning, pentjarin, perasat.
Koud, ’mbergeh, berngap,’mbari; [af-
gekoeld], enggo malem.
Kous [van een lamp], soemboe.
Kout, tjakap-tjakap, koean-koeanen.
Kouten, ertjakap-tjakap, erkoean-
-koean.
Kouter [van een ploeg], gigi; badjak;
panggoeh.
Kozijn, bendi-bendi.
Kraag [v. e. baadje, kerahoengjna].
Kraal, kak [loc kahak].
Kraaien, tekoeak.
Kraal [van een halsketting], oeram,
mata; [buffélkraal], baroeng.
Kraam [tijdelijke loods als bij som-
mige feestelijkheden], baroeng-
-baroeng; [spec, eetkraam], padjak
nasi (Mal.); in de kraam, jbas da-
poer.
Kraamzlekten, sakit moela djadi,
sakit ngoeda.
Krab [schaaldier], gajo; sige; [schram],
roro.
Krabben, 'nggergo; [overg. iem. —],
koegergoï (’nggergoï).
Kracht, gegeh, [speciaal v.h. lichaam
ook], kesah.


KRACHTIG.
- 44 —
KWESTIE.
Krachtig , megegeh; [spec. v.
lichaamskracht ook], koeat.
Krachteloos, koerdat, la ’rkesah.
Krak, rak.
Krakeelen, erdawa, roebati.
Kraken, erderak; [overg.; met de kie-
zen iets kraken], koekerep ('ngke-
rep).
Kralen [in een kraal opsluiten], koe-
baroengken.
Kramen [venten], koedjadja (erdjada).
Krank, bangger; sakiten (Malayisme);
soetn.
Kranke, si soeïn.
Krankheid, bangger; penakit (Mal),
Krankzinnig, adón, mehado, titïn.
Krant, soerat kabar (Mal.)
Krap [niet geheel voldoende], mang-
kar, mersoek.
Kras, garis.
Krassen [op iets], koegaris[i] (’ngga-
risfi]); [van den kiekendief], er-
koelik.
Kregelig, merambit, merimes, me-
roentoes.
Krekel, kirik ;_koeroeng.
Kreng, bangke, maït.
Krenken [iem. —], menek atë ibahan.
Kreuken, erlengkip.
Kreunen, ’ndehereng.
Kreupel, rëwat, mëndoe-endoe,
mëngkah-ëngkah; [tijdel. —, door
een verwonding bijv.], pëngkar.
Kreupelbosch, gantoeng akar; pe-
ren-peren.
Kriebelen [kriebelig], megamang,
mesoeram, mesermo.
Kriel [klein goed], keloemat-keloemat.
Krijg, perang.
Krijgen [iets —], kenän ; djoempän.
Krijgsgevangene, [kalak] tabanen.
Krijgsman, anak bala ; [Eur. —], seri-
dadoe.
Krijschen [van een roofvogel], er-
koelik.
Krijt, kapoer.
Krijten, ngakngak.
Krimpen [van pijn], noengkalisi;
[kleiner worden van volume], kesip,
kerpoet.
Kring [cirkel], gelir.
Krioelen, erkemoet._
Kris, keris, bawar, rentjoeng.
Kroes [zelfst. nw., drinkbeker], tja-
lo eng.
Kroes [van haar], perngoet.
Krokodil, boeaja.
Krom, bengkoeng; [van handelingen],
gëdoek; [van spraak], kaloet, ka-
loengkang.
Kromtrekken, [kromgetrokken], kial,
dënggal.
Kronkel [lus], toelbang.
Kronkelen, erlengkar, erlingkar.
Kroon, bakoeta (uit het Mal.?).
Kroost, pirah.
Krop [kropgezwel], baroet, baroeten
[— van vogels], biroeroe.
Kruiderijen, awas-awas.
Kruidnagel, boenga lawang.
Kruik, botol; [inl. — van de kalebas],
taboe-taboe. .
Kruimel, rimah-rimah ; één kruimel,
si-ng-kerimah.
Kruin, peseran, kalimboeboe.
Kruipen, ’nggarang,’nggawang ; [van
een kruipplant ook:] ’nggapa.
Kruis, silang, persilang.
Kruiselings, tembal.
Kruisweg, serpang.
Kruit, oebat.
Kruithoorn, pengkalaken, pengga-
laken.
Kruizemunt, roekoe-roekoe.
Krul [soort van versiering], toelak
pakoe; [krulversiering aan de
scheede van_ dolkmessen], djam-
bang, tjanggë.
Kuchen, ’mbatoek; [om zijn aanwe-
zigheid te kennen te geven], ragam,
Kudde, rarassen.
Kuieren, gawah-gawah, erdalin-dalin;
main-main angin.
Kuif, djoembak.
Kuiken, manoek piak-piak; anak ma-
noek.
Kuil, loebang.
Kuit, bites, boeah bites.
Kundig, pandë, beloeh.
Kunnen [mogen, mogelijk zijn], dorek,
dantji, bantji; [kundig], beloeh;
[in staat zijn]L ngasoep.
Kunst, kinipanden.
Kurk, sompel.
Kurkuma, koening.
Kus, erna.
Kussen, koeema (ngema); koesa-
roeti (naroeti).
Kussen [zelfst nw.], bantal (Mal.);
kalang oeloe; [draagkussentje op
het hoofd], lanam.
Kust, pasir, daraten ; doeroe lawet.
Kuur, kuren, tingkah-tingkah.
Kwaad [slecht], ilat, latlat, [boos,
toornig], merawa, nembeh.
Kwaadaardig, djahat.
Kwaadspreken, ngata-ngataï.
Kwalijknemend, megeloet, menek
ate; ermange, morah.
Kwartel, lëto.
Kwartje, soekoe.
Kwast [van hout], mata, goedoel
[franje], ramboe; amboe-amboe.
Kwasterig, djingar. _
Kweekbed, persemen, [spec, van
rijstplantjes], perengkaten.
Kwellen, koegasgasi (’nggasgasi).
Kwestie, ranan.


KWETSEN.
- 45 -
LASTGEVING.
Kwetsen [zich — met een mes], ter-
takil; [iemand —, raken], koekenaï
fngkenaï).
Kwetsuur, loeka.
Kwijlen, tehtehen.
Kwijnen, tjingkedeken.
Kwijt, bene.
Kwijtraken, kebenên.
Kwijtschelden [schuld —], koesa-
sapken (nasapken); koealemi (nga-
lemi); [gedeeltelijk kwijtschelden],
koetembem (nembem).
Kwik, 'rasa.
Kwispedoor, pertjidoeren.
Kwispelen, mëmboet-ëmboet.
Kwispelstaarten, mëmboet-ëmboet
L.
Laadstok, lantak-lantak.
Laag [zelfst. nw.J, lapis, laïs; [onder-
laag], lapik.
Laag, [van een dak], serep; [dichtbij
den grond], miteroeh ; [v. gras e.d.j
meselket.
Laagte [valleitje], kelneh-kelneh.
Laakbaar, man pandangen, lit pan-
dangenna; lit tjedana.
Laat, melawen.
Laatstelijk, ’mbaroe enda
Laatstleden, nai, si nai.
Lach, tawa.
Lachen, tawa.
Lachverwekkend, man tawän.
Laconiek, menggo.
Ladder, redan.
Laddersport, tangga.
Lade [van een weefgetouw], balida.
Laden, koeïsi (ngisi).
Lading [van een geweer], isi, timah.
Lal, tjiktjik; ’mbiar; [— van smaak],
melameh, la ’ntabeh; [spec, van
sirihkalk], malap.
Lafaard, pertjiktjik.
Lafhartig, tjiktjik.
Lak [soort van gomhars], 'mbalo.
Laken; lakensch, singkelat,
Laken [berispen, misprijzen], koepan-
dang (mandang).
Lam [schaap], anak biri-biri.
Lam [verlamd], pangpangen.
Lamp, tendang; klein lampje [als
Grieksche lamp], pelita.
Lampeglas, semperoeng lampoe [uit
het Mal.].
Lampekousje, soemboe.
Land, taneh ; negeri; [vaste wal tegen-
over zee], daraten; het land hebben
[iets niet gaarne doen], mekisat;
het land aan iemand of iets hebben,
[niet mogen lijden], megagang;
het land hebben [zich vervelen,
landerig zijn], ngelngelen; mengei-
ngel.
Landaard, bangsa.
Landbouw, dahin.
Landbouwer, [kalak peroema; si
koe djoema; perdjoema.
Landerig [zich vervelen], mengeingel,
ngelngelen; [zich niet lekker voe-
len, mekesam.
Landhuur [als de ondernemingen be-
talen], hasil taneh.
Landman = Landbouwer.
Landmeter, toean oekoer [Mal.].
Landsheer, radja, poeang.
Landskind, anak negeri, anak koeta.
Landtong, tandjoen g.
Lang, ’nggedang; [van geledingen],
melando; [van tijd],’ndekah; [over
den tijd], melawen.
Langdurig, ’ndekah; letlet; [van
ziekte ook], erdenden, erdoendoen.
Langharig, ’nggedang boek[na]; [van
honden], medjaboet.
Langs, arah.
Langsgaan [passeeren], koebentasi
(mentasi); [met den vinger even
— iets gaan], koeteldoek (neldoek).
Langwerpig, lando.
Langwijlig, letlet.
Langzaam, mandjar-andjar.
Lans, lembing; toembak.
Lap [van iets: bijv, van witgoed, van
idjoek, van grond], lambar; [afge-
scheurd stuk, lappen], tjaïng-tjaïng;
pertja-pertja; [opgezet stuk], pe-
ngerangkapi.
Lappen [verstellen], koerangkapi
(ngerangkapi).
Larve [verseh, soorten naar de in-
secten die er uit voortkomen], ridap,
kidoe, kobë.
Lasschen, koesamboeng (namboeng).
Last [vracht], babän; [opdracht], tenah,
pedah; [bevel], kata ; [kommer e.d.],
soesah, soehsah.
Lastdrager, kalak perlandja.
Laster, tjekoerak; bahan-bahanen.
Lasteren [iemand], koetjekoeraki,
koekata-kataï (’ntjekoeraki, ngata-
-ngataï).
Lastgeving, pedah, tenah.


LASTIG.
46 -
LEVENSDUUR.
Lastig [stout van een kind], degil;
[doordat het onwel is], mesengë;
[moeilijk], metahat; mesera; me-
kapes; mahal.
Lat [de daklatten], boeligan; Ivan ge-
spleten palm], niboeng, panggoeh;
[vloer van latten], lantë; [latten
van een omheining], bidang.
Laten [toelaten], koebere ; [op zijn be-
loop laten], koepetoeroet (petoé-
roet); [overigens wordt het in ver-
binding met andere ww. veelal
weergegeven door het causatieve
voorv. p e-]; als woord van den
vetatief: ola; laat dat, ola ’nde;
laten, we enz., gelah ; laten we gaan,
lawes ita gelah; laat maar, bagë
gia; laafs zien, apim; iets blauw-
-blauw laten [laten zooals het is],
koepedjangdjang (pedjangdjang);
koepelepas (pelepas); koeenggo-
-enggoken (ngenggo-ngenggoken);
laat staan..., ola lebë; balintjam.
Later [naderhand, in ’t vervolg], pagi,
pagïn; arah poedi.
Lauw, ’mberngë.
Lawaai, gedjek, pinger.
Ledekant, perpedemen, peratas.
Leder, koeling-koeling.
Ledig, loemë; [van tijd], Jonggë.
Ledigen, koekeriken (’ngkeriken);
[uitstorten], koeoesëken (ngoe-
seken).
Leed [kommer], atë mesoeï.
Leeftijd, toea; oemoer.
Leeftocht, bekal, belandja.perpatoeng.
Leefwijze, basa.
Leeg, loemë; [van rijsthalmen spec.],
lambang, lapoeng; [ijdel] sia-sia;
half leeg, lesek.
Leelijk, la oeli, gendjeng (is in som-
mige streken mere ha, d.i. niet
netjes om te gebruiken).
Leem, dah, taneh dah.
Leenen [van iemand geld —], koe-
raïh (ngeraïh); [rijst—], koesing-
kih (ersingkih); [gereedschap —],
koeindjam (rindjam).
Leep, ’mbitjoek; la terakali.
Leer [leder], koeling-koeling; [leering],
adjar; adjaren; [ladder], redan.
Leeraar. goeroe; [zendeling], pan-
dita ; [Moh. —], malim.
Leeren [lernen], erladjar; koepela-
djari (peladjari); [lehren], koeadjari
(ngadjari); bij iemand leeren,
’nggoeroe.
.Leering, adjaren, pedah.
Leerling, adjar-adjar, si ’nggoeroe.
Leermeester, goeroe.
Leeuw, sin ga.
Leeuwekop [versieringsmotief], ta-
kal singa.
Leg; aan den leg zijn, tinaroehen.
Legeering, soeasah, soeahsah.
Leger [heir], bala.
Leggen [van kippen], tinaroehen;
[plaatsen], koetjibal (’ntjibal); koe-
tama (nama).
Leguaan, lobar.
Lei, batoe noerat.
Leiden [ergens brengen], koetaroeh
(naroeh); koebaba (maba); [aan de
hand —], koetegoe (negoe).
Leiding [gegraven water —], parik;
[van bamboe e. d.], pantjoer; [het
begeleiden], penaroeh.
Leidsel, tinali koeda.
Leidsman, si naroeh.
Lek, tjires; poeltak.
Lekken [druipen], tjires; [water door-
laten van een waterleiding], me-
roehroeh; [van een vlam], isilam
(nilam).
Lekker, 'ntabeh; [in sexueelen zin]
’ntemes.
Lekkernij, pangän-pangän.
Lel [oorlel], tjoeping.
Lemmer, mata.
Lemmet, mata.
Lende, lendenen, awak.
Lendestuk [van een slachtbeest],
lemboesir, koeang-koeang.
Lengte, gedang[na].
Lengtemaat; enkele lengtematen
zijn; een handbreed, si-n-tepap;
een span, si djengkal; djengkal
raja [tusschen duim en middelvin-
ger] ; djengkal toedoeh [tusschen
duim en wijsvinger]; een el, si esta ;
een vadem, si depa.
Lenig, dajoek; lamlam.
Lepel [rijstlepel], oekat; [soort platte
lepel], sendoek.
Lepra, [sakit] badam, gadam; aan
lepra lijden, badamen, gadamen.
Leproos, kalak badamen.
Les, adjaren; pedah.
Lessclien, koepoeasi (moeasi).
Letsel, tjëda.
Letten [— op; oplettend], metenget;
koetengeti (nengeti).
Letter, indoeng soerat, anak soerat;
garis.
Leugen, boeal, goeak.
Leugenaar, perboeal, pergoeak.
Leugenachtig, boeal-boeal.
Leunen [geleund tegen], tande, ter-
tande.
Leuning, ajamen, pentjikepen.
Leven(d), ’nggeloeh.
Leven [levensduur], kegeloehen ge-
loeh ; [—, adem, ziel], kesah, nawa;
[rumoer], gedjek, pinger.
Levendig, meriah.
Levenmaken, goentar; gedjek, pi-
nger.
Levensduur, geloeh ; sipat ’nggeloeh.


LEVENSGEEST.
- 47 —
LOODS.
Levensgeest, kesah; tendi.
Levenslang, kidekah 'nggeloeh; asa
oemoer.
Levensloop, oentoengen; pengindo;
babän 'nggeloeh.
Levenslot = levensloop.
Levensmiddelen, kegeloehen; si
mahantja 'nggeloeh.
Levensonderhoud, pentjartn; pe-
noekóer nakan.
Lever, ate.
Lezen, koeogë (ngogê).
Liaan, oearen.
Lichaam, koela, daging, badan.
Licht [het vuur], api; [lamp], ten-
dang.
Licht [lichtgevend], terang; [gemak-
kelijk], soenah, meloekah; [niet
zwaar], menahang; menampoeng.
Lichten [onoverg.], gara, ernala; [iem.
bijlichten], koetendangi (nendangi);
[optillen], koeangkat (ngangkat);
koeongkil (ngongkil)
Lichtgeraakt, merimes, merambit,
soembing.
Lichtgroen [van jonge blaadjes],
ngida.
Lichtvaardig, mapas-mapas.
Lichtzinnig, metëlam.
Lid [geleding van bamboe; vingerlid
e. d.], ngawan.
Lied, endë-endën; didoeng-didoeng.
Lief.gajang; [v. kinderen spec ], men-
de :[vriendelijk], metami.
Liefde, keleng atë; kekelengen.
Liefdeloos, degil.
Liefhebben, erkeleng; [iemand —],
koekelengi (’ngkelengi); ngenaatë.
Liefje [vrijster], riah-riah_.
Lieftallig, gajang, mendë.
Liegen, boeal, ergoeak.
Lieswortel, djerango.
Lieveling, boeah ate, si kesajang.
Liever [gij moest liever..], adan, ma-
dän, adin, madin, oelin; [liever
willen], pêten, pängen, giten.
Liggen [In slapende houding], me-
dem ; [ergens liggen, gelegen], tji-
bal; [op den grond liggen], ampar,
terampar; [op iets liggen, drukken],
koetindih (ertindih); [voorover
liggen], langkem; [op den rug],
tengralak; galang-galang; [op een
slaapmatje], tajang; [liggen van
beesten], deroem.
Ligmat, amak tajangen.
Lijden [lijdende zijn], soein; [iets —,
verdragen], koetahan; [verdrukt
worden], meling.
Lijden [het —, beproeving], kiniserän.
Lijdzaam, megenggeng.
Lijf [lichaam], daging, koela; [buik],
beltek.
Lijfeigene, kawan.
Lijfwacht [page], djoeak-djoeak;
[gevolg van een vorst], karah-ka-
rahen.
Lijk, patë-patë; maït, bangkë.
Lijkbaar, boeloeh si empat beka.
Lijken, roepana bagi . . des roe-
pana; roempat ras . . .
Lijkkist, pelangkah.
Lijkvocht, dangir.
Lijm, poeJoet; lëm_ (Nederl.)
Lijmerig, medëdë; [van palmwijn],
loemawang.
Lijmig, këndat.
Lijmstokje [voor 't vangen van vo-
gels], django.
Lijn [touw], tinali; [drooglijn], peng-
kirën; [streep], garis, teran; [lijnen
van de hand], retak, rika.
Lijnwaad, dagangen; soorten zijn:
poetjoek pisang, si 'mbelang birë,
goda, belatjoe.
Likken, koedilat ('ndilat).
Lillen [als moerasgrond], mamboek-
-amboek.
Limoen, rimo.
Liniaal, alap-alap.
Linker-, kawes, arah kawes.
Links, kawes, arah kawes, koe kawes.
Llnksch, kawes; [onhandig],djaloek;
kaloengkang.
Lint [boorlint, veterband], simpë.
Lintworm, koera-koera.
Lip, biber.
List, akal, tipoe.
Litteeken, tjining, tjigoel.
Liturgie, mangmang.
Lodderig, meriben
Loeien [van runderen], erbó.
Loensch, djëling.
Loeren, noengkir [van toengkir], [op
iemand —, in een hinderlaag], koe-
gempangi (’nggempangi).
Lof, poedjïn.
Log [in zijn bewegingen], betat, ban-
dat; [bijzonder groot en zwaar],
boetoeng beratna.
Lok = haarlok.
Lokaas, empan.
Lokken [door het neerstrooien van
voedsel], koepeminahi (peminahi)
[van pinah]; [door een of ander
lokmiddel], koeatji (ngatji); [door
vleiende woordjes], koeaneng-
-aneng, koeameh-ameh.
Lokvogel, pengatji.
Lomp [ongemanierd], menggoj me-
gombang; [van vorm], kebehengen;
'mbelgah.
Lompen, pertja-pertja.
Long; de longen, rak, rakrak.
Loochenen, koepersoï (mersoï); [een
schuld —], koeperpalek (perpalek).
Lood, timah.
Loods, baroeng-baroeng; sapo.


LOOM.
- 48
MAALTIJD.
Loom, ngalah, boetoeng; (spec. loom-
heid in de beenen als bij berri-
-berri], si ngerepat nahe.
Loon, oepah; gadji.
Loon die naar, kalak oepahen.
Loop {iemands wijze van gaan], pengo-
dak; [diarrhee], soler; [verloop van
een zaak], toeri-toerin; [geweer-
loop], raras; [waterloop], dalin
laoe.
Loopbrug, kite.
Loopen, erdalin, erdalan ; [v. water],
maler, [hard loopen], kiam.
Loopgraaf, parik; tjiboer.
Loos, 'mbitjoek; [van de rijstaren],
lapoeng, lambang.
Loot, toenas; dombek; [van een klim-
plant], djoloer.
Lor, pertja-pertja, tjaïng-tjaïng.
Los [bevrijd, losloopend], loeah; [vrij
van iets], erla, leka, erleka: [v. d.
grond], mêl; [los zitten], meldoes,
modek-odek; [v. kleeren], sontar,
sarsar; [ruim zittend], longgar;
[gemakkelijk loslatend van dorens
bijv.], ’ndjoelmit.
Losbranden, ngerasap.
Losgaan, narsar, mosar.
Losgeld, teboes, peneboes.
Loskoopen, koeteboesi (neboesi).
Loslaten, koepoelahi (moelahi).
Loslij vig, soler.
Losmaken, koetangtangi (nangtangi);
koeosari (ngosari).
Lospellen, koepoekoeï (moekoeï).
Losprijs, teboes, peneboes.
Losraken, loeah; [v, kleeren], sar-
sar, sontar.
Lossen, koeteboesi (neboesi).
Losser, si neboes; peneboes.
Loszitten, ’ndjoelmit; [v e. tand],
moepoe.
Lot [levenslot], pengindo, oentoengen,
si keradjang.
Loten, tikam tandoek
Louter, pelin-pelin ; kentja ; nari.
Loven, koepoedji (moedji),
Lubben, koekasihken (’ngkasihken);
koeboerihi (moerihi).
Lucht [uitspansel], langit; [luchtruim],
awang-awang; [adem, wind], kesah,
angin; [klimaat], oea; [stank], baoe;
[vooral v. h. lichaam, den mond],
entjeng.
Luchten, koedjemoer (’ndjemoer);
[van kleeren vooral], koekirahken
(’ngkirahken), koekireken (’ngki-
reken)
Luchtig [ruim], longgê.
Lucht je; een luchtje scheppen, main-
-main angin; ngada-ngada.
Luchtpijp, boeloeh-boeloeh.
Lucifer, tjolok.
Lui. mekisat, seroet.
Luiaard, perkisat; [diersoort], teng-
geling.
Luid; naar luid van, koenoe, koe-
noeken.
Luid [hardop], megang.
Luidruchtig, gedjek, pinger.
Luik [van een venster], pintoên, pin-
toên perik.
Luis [lichaams —], koetoe; [kleeren —],
toema; [kippenluis], toengo; toe-
ngir; [wandluis], tanga; [runder—,
varkensluis], tjingkabek.
Luisteren, koebegiken (megiken);
koedengkehen (’ndengkehken);
[scherp naar iets—], koetinggelken
(ninggelken).
Luizen, koekoetoeï (’ngkoetoeï).
Lus [loopende knoop], penoentoen;
[kronkel], toelbang.
Lust; lust in iets hebben, ngena;pêt;
merintjoeh; mesikel; metedeh;
’nggit; [lust, verslaafdheid], keta-
gihen; geen lust hebben, mekisat
la ’nggït, la pêt.
Lusteloos, redem. kerbê [vooral v.
vogels]; boetoeng, ’mboele.
Lusten, pêt.
M.
Maag [bloedverwant], kade-kadë.
Maag [lichaamsdeel],bitoeka [’mbelin];
[vogelmaag], bilalang; [pens], boe-
jak; [van herkauwende dieren],
gambir-gambir; temporong.
Maagd [jongedochter], si ngoeda-
-ngoeda; [ongerepte—], si ngoeda-
-ngoeda si so keliamen.
Maagdelijk, si so keliamen; [van
bosch], derip.
Maagschap, kadë-kade; perdeher.
Maaien [van rijst met den sikkel],
koesabi (nabi).
Maaier, si nabi.
Maakloon, oepah.
Maaksel, bekas . . .; bahanen.
Maal, kali, kelih, embas.
Maaltijd, tengah man; kipan; [ver-
zoeningsmaal], persadän; [schei-
dingsmaal], pengelepasi,


MAAN.
49
MARTELEN.
Maan, boelan.
Maand, boelan, bintang; de namen
der maanden zijn van de eerste
tot de tiende: si paka sada, —doea,
— teloe, — empat, — lima, — enem,
— pitoe, — oealoeh — siwah, —
sepoeloeh; de elfde maand, loee
(loejoe) koeroeng; de twaalfde
maand, loee (loejoe) tangtang of
— nangtangen.
Maandag [de 2e, 9e, 16e en 23e der
maand], soema poeltak, soema si-
wah, soema tjepik; soema; de 30ste
heet gewoonlijk samisara; in het
dagelijksch leven is thans de Mal.
benaming in gebruik: senen.
Maandelijks (ch), teptep boelan,
siboelan sekali.
Maandstonden; de — hebben, ngi-
dah boelan; [plat], gala-gala.
Maaneclips, boelan itelin kala.
Maansverduistering = maane-
clips.
Maar, tapi; kepë; [slechts], kentja;
nari, sadja, ngentja; in uitdrukkin-
gen als: [geef] deze maar, ënda
gia; zoo maar, so kai.
Maas [v. e. net], mata.
Maat [makker], teman; [bij ’t geza-
menlijk werken], arón; [van meten
in htt algemeen], djangka, sibar
(zie op lengtemaat, inhoudsmaat,
enz.); muziekmaat, boekoe.
Maatregel, atoeren, djoedjoeren, pe-
dah, perentah.
Maatschappij [handels —]. kongsi
(Mal.-Chin.).
Macht, gemgemen; koeasa; bij machte,
ngasoep.
Machteloos, la megegeh; la erkesah;
la ngasoep.
Machthebber, pengoeloe; si meteh-
sa; soekoet.
Machtig, ’mbelang keradjän; me-
toenggoeng; moelia.
Machtigen, koesoeroeh (noeroeh).
Machtspreuk, tabas.
Made, bernga.
Magazijn, goedang.
Mager, kertang, kertoet, mëroet, me-
roeng.
Magneet, besi berani.
Mais, djaoeng .[loc. djagoel].
Mak, melemoek.
Maken [vervaardigen], koebahan
(mahan, erbahan); [scheppen], koe-
tepa (nepa); koetembe (nembë);
[veroorzaken], wordt zeer dikwijls
door het causatieve voorvoegsel
p e- weergegeven.
Makker, téman, teman meriah; arón.
Mal [dwaas], lali-lali; lotoe; [vreemd,
afwijkend van het gewone], gandil.
Malen, koegiling (’nggiling).
Malende [met molentjes loopen], lo-
toe; djadjat.
Maling; een — aan iets hebben, koe-
persilahang [van lahang: niet
neen].
Mallepraat, tjakap la ’rboekoe, tja-
kap marindjadja.
Malsch, ngoeda; [v. vleesch], medatë.
Mama [als vocatief van moeder], o
nande.
Man [mannel. persoon], dilaki; [— v.
e. vrouw], boelang, perboelangen,
dilaki; [een volwassen mansper-
soon], parang ’mbelin.
Manbaar, enggo ’mbelin.
Mand = korf.
Manen [v. e. paard], djambi-djambi.
Manen [om betaling], koetoenggoe
(ertoenggoe, noenggoe).
Maneschijn, terang boelan.
Mangga, mangga; [wild soort],'mba-
tjang.
Manggistan, manggoes, manggoesta.
Mangel [pers], pemeldasen.
Manier [manieren, gedrag], basa, la-
goe; [wijze waarop iets gebeurt],
dalin; overigens wordt de wijze
waarop men iets doet enz. veel-
vuldig weergegeven door de voor-
voegsels p e- (-|- passende neus-
letter) en p e r-, bijv, pengodak,
wijze van met de handen te slin-
geren, perkoendoel, wijze van te
gaan zitten.
Mank, mëndoe-endoe, rëwat; mank
loopen mendoe-ëndoe, ngerëwat,
mëngkah-engkah.
Manlijk [ook in den zin van moedig],
dilaki; [van dieren], zie op mannetje.
Mannetje, wordt een enkele maal
door tonggal, eigenl. groot in zijn
soort, weergegeven, ook wel eens
door djantan (Mal.?), doch men
heeft voor verreweg de meeste
mannetjesdieren afzondert woor-
den; [voor vogels], [sajboegan[na] ;
[voor het mannetje van de lisik
(parkiet) ook] agam; [buffelstier],
bergoeh; [stier], djenggi; [hengst,
rekel], sangkar; [kater], permal;
[beer (varken)], daloe; [van een wild
zwijn, oeili], boeragas; [mannetjes-
olifant], gading; [—neushoorn], soe-
ngo; [— hert (en verseh, keversoor-
ten)], rango; [bok, ram], badjar; enz.
Manziek, gatelen; [trouwlustig van
een vrouw], terbibi-bibi.
Mare, berita; bertik-bertik.
Markt, tiga.
Marktganger, si koe tiga.
Marmot [soort v. —], ’nggaroem.
Marsch, perdalinen.
Marschvaardlg, sikap.
Martelen, koegasgasi (’ngpsgasi).


MASKER.
- 50
MENIGEEN.
Masker, temboet-temboet; topeng
(Mai.).
Masseeren, koealoeni (ngaloeni).
Massief, kiboel.
Mast, tiang (Mal.); [—v. d prauwtjes bij
het doodenfeest, „pekoealoeh” der
Sembiring-merga], anggir-anggir.
Mat [Spaansche —], serpi mehoeli, ser-
pi meriam; [slaapmat e. d.], amak.
Mat [in het schaakspel], mat, emat;
[moede], latih, ngalah, ngerantjë;
[door warmte], nanggen.
Materiaal [voor een huis], perkajoe;
[in het alg.], poeloengen.
Matig, niangkar; meteh djangkana;
[met mate], angkar-angkar.
Matigen [zich —], koeangkar (ngang-
kar).
Matras, tilam.
Mauwen, erngeoe,
Mazelen [lichte vorm], raba-raba;
[erger vorm, of misschien rood-
vonk?], djaba-djaba.
Medaille, bintang.
Mede [bijw.], ras [loc. roet]; ngikoet,
terikoet.
Medebrengen, koebaba [maba]; [iets
meebrengen als geschenk], erloeah,
ertempah [dit vooral v. e. vrouw,
die iets ten huwelijk medebrengt].
Mededeelen, koeberitaken (merita-
ken); koekataken (rigataken).
Mededeeling, berita, kata.
Mededingen [bij een spel], nimbangi.
Mededinger, timbang kajo; imbang.
Mededoen, ngikoet; singgoer ras ...;
ngoeroep.
Mededoogen, perkoeah atë.
Mededrijven, mombak.
Medegaan, ras; ngikoet.
Medegeven [toevertouwen], koeen-
desken (ngendesken).
Medelijden, perkoeah ate.
Medemensch, teman manoesia.
Medenemen, koebaba (maba).
Medeslepen, koesaren (naren).
Medevallen [voordeelig uitkomen,
enz.], mesiboek.
Medevaller [buitenkansje], redjeki,
erdjeki; we hebben vandaag een
meevallertje [we treffen het van-
daag], djoempa kita redjeki sendah.
Mede vrouw, kedoea.
Medeweten, pemeteh; de persoon,
die er van mede weet, betehen.
Medicijn, tambar; [toover —], tabar,
tawar; pagar.
Medicijnmeester, goeroe, goeroe
penawar.
Medlcineeren, koetambari (nam-
bari); koepagari.
Meegaand, toeroet oekoer.
Meel, tjimpa; [grof meel], bening;
[maïsmeel], tjipera.
Meenen, oekoer, atë, natë, noeatë;
koeatek; koetoekas, koeïdik; koe-
agak (ngagak); dat meen je maar,
oekoerndoe ; hij meende dat het een
paard was, koeda atëna (of natëna);
[met opzet iets doen], ik meende
het [d. i. ik wilde het zoo], koe-
toetoesken.
Meenens, toehoe, toetoes.
Meening, oekoer, atë, natë, atek, agak.
Meer [binnenzee], lawet tawar.
Meer [v. veel], lebih, boeen;_meer/
[doe er nog wat bijl], tole! koe-
rang!; niet meer, la nai;- meer
[nog —], nari; hoe langer hoe meer,
erboeëna, makin ’mboeë.
Meerdere, pengoeloe.
Meerderjarig [eigenl. mondig], ma-
sin kata, atan kata.
Meerendeels, si-m-boeena.
Meergenoemd, si tersena, si *ndai.
Meermalen, piga-piga kali; megati;
mekatep.
Meervoud, meervoudig, ganda.
Meeslepen [in het ongeluk ”bijv.],
koetawin (nawin).
Meest [meestal], gatin; [gewoonlijk],
semal.
Meeste; de meeste, si-m-belinna.
Meester [heer, baas], empoe; [onder-
wijzer], goeroe.
Meet [de meetstreep bij sommige
spelletjes], garis perdjoetdjoet.
Meeuw, liat-liat.
Meevallertje, sangap, redjeki.
Meineed, doehoem la toehoe (?)
Meisje, diberoe; [een naamloos —],
siberoe.
Melaatsch, badamen, gadamen.
Melaatschheid, badam, gadam.
Melden, koesinget (ersinget).
Melig [van aardvruchten], meketji;
mekelpoe.
Melk, dadih.
Melken, koepereh (mereh); koeboeat
(moeat) dadih._
Melkweg, serëse,
Melodie, anggoek; [de melodieën der
Bataksche orkestmuziek hebben
haar eigen namen: perang, oe-
djoeng perang, e. a.]*
Meloen, [soorten:] taboe, goendoer,
djambë; watermeloen, mandike.
Men, kalak, kalak ë.
Mengen, koeboersih (moersih); koe-
erboes (ngerboes); [rijst en maïs,
om samen te koken], erkapi; koe-
kapiken (’ngkapiken); koesinggoer-
ken (ninggoerken).
Mengsel [van rijst en maïs], beras-
-djaoeng, kapi; [i. h. algem.], sing-
goeren.
Menigeen, ’nterem kalak, piga-piga
kalak.


MENIGMAAL.
51
MIST.
Menigmaal, megati, piga-piga kali.
Menigte [menschen — ], kalak si-n-
-terem.
Menigvuldig, megati; ganda.
Mensch, kalak; oerang; djelma; ma-
noesia.
Menschdom, djelma manoesia.
Menscheneter, si pan djelma.
Menschenbeeld, gana
Menschenkind, ginargar; minik-
-minik.
Merg [van beenderen], oetoek; [van
boomen e. d ], oenoeng; [van de
pisang, van palmen], tinokal.
Merk, tan da.
Merken [v. e. merk voorzien], koe-
tama (nama) tanda; [waarnemen],
koeïdah (ngidah).
Merkte eken, tanda, salep; [bij het
tellen: een streep of kerf], djinah.
Merrie, koeda beroe-beroe; [— met
veulen], koeda [si] indoeng-indoeng.
Mes, rawet; piso ; [rijstmesje], penge-
tam; [grasmes], sabit; [kapmes],
sekin; [soort schoffelmes], patoek.
Messcheede, semboeng.
Messing, gelang-gelang; [klokkeme-
taal], kangsa.
Mest, taneh ’mboer, taneh roemah;
të lemboe; [ook gebruikt men welals
mest de buitenste rijstschil, segal.
Mesten, [een dier vet —], koepakani
(makani).
Met [instrumentalis], aloe ; [mede, en],
ras, roet.
Metaaldraad, kawat.
Meten [met inhoudsmaat], koesoekati
(noekati); [de lengte e. d.], koesi-
bari (nibari); zich met elkaar meten
[in kennis e. d.], ertilik pemeteh.
Meteoor, te-m-bintang.
Metgezel, teman.
Mettertijd, piah-piah.
Meubelen, oegas-oegas roemah.
Miauwen, erngeoe.
Middag, tjiger, tjiger matawari, pan-
tek tjiger.
Middel [lichaamsdeel], awak; [om iets
te bereiken], dalan, dalin.
Middelaar, kelang-kelang; kitë.
Middelmatig, teralang.
Middelsoort, penengah.
Middelvinger, djari tengah-tengah.
Midden, tengah, ketengahen, perte-
ngahen; in het midden van, i te-
ngah-tengah ; midden onder........
tengahna, sangana*.
Middernacht, ’mbagas berngi.
MIer, perkis; [nogverseh.soorten:] se-
moet, katjirengga, aloe-m-berngi,
katipioeng; [witte —], anë-ane;
[vliegende witte —], kalimpagem,
kalimpada.
Miereneter, eskir, oeskir.
Mierenhoop, tinamboer, tjinamboer«
Mierennest, asar perkis.
Mij, akoe, [datief en na het voorzetsel
m a n], ba -ng-koe.
Mijden, tembil, simbel.
Mijmeren, roekoer-oekoer.
Mijn [bezittel, voornw.], -koe (na a,
i en oe, -ng-koe); akoe empoena.
Mijn [vindplaats van delfstoffen],
pengkoeroeken.
Mijnent [te —], i roemahkoe.
Mijnheer, toean.
Mijt [houtwurm], boerboer; [in som-
mige wonden, schurftmijt], simo,
indoeng oegah; [houtstapel], tam-
boenen.
Mikken [een geweer aanleggen], koe-
rentang (ngerentang) bedil.
Mild [overvloedig], moerah; [mild-
dadig], mekoeah, melias.
Mlllioen, melioen.
Milt, limpa (?).
Miltzwelling, kalen.
Min [te weinig], koerang.
Minachten, mapas-mapas oekoer.
Minder, sitiken.
Minderen, koeoeraki (ngoeraki).
Minderjarig, Iangnga masin kata[na].
Minnedrank, doerma.
Minnekoozen, noere-noerë.
Minnelied, bilang-bilang.
Minste [ten minste], si koerangna;
de minste kwaliteit [van sirih], ka-
lipoe; [van idjoek], kalempoe.
Minzaam, djehê.
Mis, la kena; lëpak, salah; pepir; pi-
let; ver mis, ’ndaoeh idarna.
Misbruiken [geld verspillen], koe-
djodjoken (’ndjodjoken).
Misdaad, salah, oetang.
Misdeeld, sitoenggoer danga-dangän.
Misdoen, ersalah, roetang.
Misdrijf, salah, oetang. _
Misgunnen, mengga ate.
Mishandelen, koegasgasi (’nggas-
gasi); koebalbali (malbali); [kneve-
len e. d.], koekilangi (’ngkilangi);
meling koebahan.
Miskraam; een — hebben, moelas;
ngeroeroes.
Misleiden, koetipoe (nipoe); koeoto-
-otoï (ngoto-ngotoï).
Mislukken, la soeroeng, la sahoen,
soendat, lolo.
Mismaakt [van den arm], tjekoeh;
[van den voet], tjempang.
Mismoedig, megendek oekoer.
Misnoegd, misnoegen, menek atë.
Mispas, langkah pepir.
Misschien, tah, entah; barang; ’mbera.
Misselijk, boergë.
Missen [niet raken], la kena; [niet
hebben], ik mis iets, kebenen akoe.
Mist, remang.


MISTIG.
- 52
MUZIEKWIJS.
Mistig, me re mang.
Mistroostig, djoetdjoet.
Mistrouwen — wantrouwen.
Misvormd [door iitteekens], si tang-
ging-tanggingen.
Mits, gelah.
Modder, koebang; boetak; tjinah.
Modderig, koebang, koebangen.
Modderkuil [v. buffels], pertjebahen ;
kandang kerbo.
Modderpoel, rawang-rawang.
Model, oesihen.
Modelleeren, koetepa (nepa); koe-
tembe (nembê).
Moed, rawa.
Moede, latih; iets — zijn, ledja.
Moedeloos, dongal._
Moeder, nandë, ame.
Moederborst, pola.
Moederkoek, agi.
Moederschoot, bertian.
Moedervlek, endeng.
Moedig, merawa; lasak; pang.
Moei, bibi; mami.
Moeilijk [te verkrijgen], mahal; [las-
tig], mesera, mekapes, metahat.
Moeite, sera; zich moeite geven, koe-
seraken; erpala-pala.
Moeras, paja; paja-paja.
Moerassig, letjah-letjah.
Moerbei [een soort v. —], koepi-koepi.
Moesson, paksa, nembas; droge
moesson, paksa lego, lego oeari;
natte moesson, paksa oedan, per-
oedan oeari.
Moeten, la bantji lahang, la tampil
läng; ola ma; ik moet daarheen,
la bantji läng akoe koedje; gij
moet [hem] helpen, ola ma isam-
pati kam.
Mogelijk = misschien; [wat kan
gedaan worden], bantji, terbahan ;
zooveel mogelijk, asa bantjina.
Mogen, dorek; dantji, bantji; [in een
wensch:] moge het zijn dat . .
’mbera.
Mohammedaan, kalak djawi; kalak
selam.
Mokken, moerbit; morah.
Molen, penggilingen; [speeltuig], ba-
ling-baling.
Mollig [vooral v. kinderen], bolat.
Molm, tjinamboer.
Mombakkes, temboet-temboet; to-
peng.
Mommelen, boelngam, ’ngkoejam.
Mompelen, djoengoet-djoengoet.
Mond, babah; [van een rivier], koeala.
Mondharp, gënggoeng, saga-saga.
Mondig, masin kata.
Mondspoeling, tambar tjiroekroek.
Mondvol; een mondvoZ, si-ng-keraoek,
si-ng-kebabah.
Mondzeer; aan — lijden, gagangen.
Monster, djelma so bëgoe.
Monsteren [zijn strijders — ],petam-
pak bana; [scherpaanzien],koepe-
tjati (metjati).
Mooi, mehoeli, merandal, medjile.
Moorden, moenoeh.
Moot, baloer.
Morgen [ochtend], pagi-pagi; [den
volgenden dag], pepagi.
Morren, djoengoet-djoengoet.
Morsen, mamboer, toengkas; [spec,
rijst — bij het stampen], montjah-
-ontjah; koeamboerken (ngamboer-
ken); [bij ’t eten morsen], mekoe-
mir.
Morsig, boengoes.
Mortier, lagan.
Mos, loemoet.
Moskee, mesdjit.
Mossel, kerang.
Mosterdplant, sabi.
Mot [in de kleeren], ngetnget.
Motregen, oedan gemboera, oedan
rintik-rintik.
Mottig, merapak.
Mousseeren, gedjek.
Mouw, tangan [tan] badjoe.
Muf, ’mbaso, mahoem.
Mug, rengit; [klein soort], agas ; [nog
kleiner], lemes; [zeer groot soort],
katjirangrang.
Muil, babah; intjoem.
Muilband, sangam.
Muilpeer, parap.
Muis, mentji.
Muizenval, seroeh, soenggapit, ra-
goem.
Mul, megaboer.
Mummelen, boelngam, soelngam,
’ngkoejam.
Munt [geldstuk], keping;doeït; [namen
v. munten: dollarcent, gobang, doeit;
10 dollarcent, koepang, roempiah;
dollar, ringgit, serpi; oude gouden
munt, deraham [thans zijn onze
Ned.-Ind. munten in gebruik onder
de Maleische benamingen; sën, ke-
tip, setali, soekoe, roepiah, ringgit
belanda].
Munten; het op iemand gemunt heb-
ben, koedarami (’ndarami); [zin-
spelen], koesaling (naling).
Murw, tajoemen; medakdak.
Muskaat, pala, boeah pala.
Muskiet = mug.
Muts [hoofddeksel], tengkoeloek; [her-
kauwingsmaag], gambir-gambir.
Muzelman, oerang djawi, oerang se-
lam.
Muziek, gendang, paloe gendang.
Muziekinstrumenten, goeng, pe-
nganak, seroenë, soerdam, koeltjapi,
moerdap.
Muziek wijs, anggoek.


NA.
- 53 -
NEDERKOMEN.
N.
Na [later, achter], arah poedi; [nadat],
kentja; [nabij], ’ndeher.
Naad [reet,[ renggang-renggang; [van
naaien], pendjaroem.
Naaien, koedjaroem[i] ('ndjaroemfi])
Naaigaren/ benang, benang pendja-
roem[i].
Naaimachine, serka.
Naakt, tilandjang, la roeis.
Naald, djaroem.
Naam, gelar.
Naamloos, la ’rgelar; een naamloos
jongetje, sitongat; een naamloos
meisje, siberoe.
Naäpen, koeoesih (ngoesih).
Naar [voorz.], koe, nandangi.
Naargeestig, mesoeni, meloengoen.
Naarstig, medjingkat.
Naast, ’ndeher.
Naaste, teman manoesia.
Naasten, koekoelih (’ngkoelih).
Naövond, poeh medem djelma
’mbelin.
Nabouwen, koeoeroe-oeroeï (ngoe-
roe-ngoeroeï).
Nabestaande, kade-kade.
Nabij, 'ndeher.
Nabootsen, koeoesih (ngoesih).
Naburig, si 'ndeher, [van dorpen],
si 'rdemoe oerat noe djaba.
Nacht, berngi; [een enkele maal, als
de duur bedoeld is], berngin.
Nachtelijk, berngi.
Nachtkwartier, perbernginen.
Nachtmerrie; door nachtmerrie ge-
plaagd, terbatak, terbakta.
Nachtuil, iboek.
Nachtvlinder, ampoel-ampoel.
Nadat, kentja, enggo kentja.
Nadeel, roegi, tëwas; bolok; [fig.],
tjeda.
Nadeelig, pantang.
Nadenken, roekoer.
Naderen, koedeheri (’ndeheri).
Naderhand, pagin, denggo; arah
poedi.
Naderkomen; kom nader!, mari!
ariko !
Nadoen, koeoesih (ngoesih); koetjoe-
man-tjoemani (’ntjoeman-’ntjoe-
mani).
Nageboorte, agi; poesat.
Nagel, siloe-siloe; [spijker], labang.
Nageslacht, kesoersoeren, sinoersoer,
anak-kempoe; pirah.
Naijverig, metjemberoe, mekedoean.
Najagen [iets], koeajaki (ngajaki);
[iem. —], koeelis (ngelis).
Nakomeling, marak, sinoersoer.
Nakomen [een werk, een plicht], koe-
dahi (’ndahi).
Nalaten [achterlaten], koetadingken
(nadingken); [nalatig], lolah.
Nalatenschap, tading-tadingen, ma-
neh-manehen.
Naloopen, koeïkoet-ikoet (ngikoet-
- ngikoet).
Namaken, koeoesih (ngoesih).
Namens, arah, idoer.
Nameten, koesoekati (noekati).
Namiddag, linge, geling, karang kam-
bing.
Nanacht, 'mbagas berngi.
Nangka, nangka.
Narigheid, kiniserän, kepitjeten.
Nat, litap, bentjah.
Natuurlijk [van nature], k\n\’t is na-
tuurlijk dat..., balo me ...
Nauw, pitjet; sepit; in ’tnauw, toel.
Nauwelijks, enggo kentja...; [bijna
niet], naroes la ..., menam la...
Nauwkeurig, mesimet.
Navel [en navelstreng], poesoeng.
Naverwant, ’ndeher; rembak.
Navolgen, koeïkoetken (ngikoetken);
[nadoen], koeoesih (ngoesih).
Navorschen, koepepajo (pepajo);
koenoengnoengi (noengnoengi).
Nazaat, kesoersoeren, sinoersoer,
anak-kempoe.
Nazeggen, koeoelihi (ngoelihi) kata.
Nazetten, koeajaki (ngajaki); koeelis
(ngelis).
Nazien [onderzoeken], koepepajo
(pepajo); [netten e. d. — of men
iets gevangen heeft], koeelar
(ngelar).
Nazoeken [visiteeren], koegargari
(’nggargari).
Neder, koeteroeh (zoo ook in de
meeste samenstellingen).
Nederbulgen [van een tak door veel
vruchten], gendan.
Nederdalen, soesoer, noesoer; [in
gebedsformulesl, toeroen.
Nederdrukken, koetindih (nindih);
koedehken (’ndehken).
Nederhalen [afbreken een huis], koe-
rontasken (ngerontasken).
Nederhangen, molah-olah.
Nederig [laag], meserep; miteroeh;
[v. gemoed], lembap.
Nederkappen, koetabahi (nabahi).
Nederknielen, erdjimpoeh.
Nederkomen [van een aardstorting
e. d.], meroeroes.


NEDERKWAKKEN.
- 54
NOODZ AKEL IJK.
Nederkwakken, koeempasken
(ngempasken);koesampetken(nam-
petken).
Nederlaag; de nederlaag lijden, taloe.
Nederland, taneh belanda.
Nederlaten, koepesoesoer (pesoe-
soer); [aan een touw], koetantan
(nantan).
Nederleggen, koetama (nama); koe-
tjibalken (’ntjibalken).
Nederliggen, ampar-ampar, teram-
par; tjibal; [in slapende houding],
medem-medem ; [van beesten], de-
roem.
Nederslaan, koerewas (ngerëwas); [v.
regen, wind enz.), ipaspas (maspas).
Nederstorten [van aarde], meroeroes;
[b. e. steilte neervallen], megoelang.
Nederstrijken [van vogels], ningger;
[op iets —], itjinepi (’ntjinepi).
Nedertuimelen, goeling.
Nedervallen, ’ndaöoeh.
Neef [volle neven, broerskinderen,
noemen elkander ookbroer(senina);
overigens verschill. woorden voor
neef, in verband met de familiebe-
trekking hetzij v. moeders-, hetzij v.
vaderszij], [cousin], impal, toerang
impal; [neveu], bebere, permain.
Neen, läng, lahang; sëbo, sëa; labo.
Neerslachtig, djoetdjoet; meketik
oekoer.
Neertellen [geld —], koerantjap (nge-
rantjap).
Neerzijgen, toenggaling, geladap.
Neet, lisa.
Negen, siwah.
Negenoog, bareh peradjoet.
Negentien, sepoeloe siwah.
Negentig, siwah poeloeh.
Neigen(d), paoeh.
Nek, koedoek.
Nemen, koeboeat (moeat); [m. geweld],
koereboet (ngereboet); koerampas
(ngerampas); koeemo (ngemo).
Nerf [van een palmblad], poerih
Nergens, idja pa pë läng.
Nest, asar; [spec, van bijen ook],
tjambang.
Net [verseh, soorten], djala, soelangat,
doran, dotan, doeroeng; penamboet;
rëwas.
Netjes, mehoeli; [van haar], melikas;
djorë; [in de puntjes], moerri.
Neus, igoeng.
Neusbloeding; aan — lijden, ping-
goeren.
Neusgat, loebang igoeng.
Neusholte, oengar-oengar.
Neushoorn, badak.
Neushoornvogel, enggang; ’nggoe-
risa; toekoek.
Neusring, keliker.
Neustouw [van buffels] belah-belah.
Neuswijs, [vroeg wijs, oudmanne-
tjesachtig], roembang.
Neut, palas.
Neutraal, kêm.
Nevel, remang.
Nevelachtig [als bergen op grooten
afstand], mehidjo-hidjo.
Nevelig, meremang.
Nicht = neef.
Niemand, isë pe läng; ma lit si . . .
Niemendal, kai pë läng, tengteng kai
pe läng.
Nier, piah.
Niet [bijw.], la, ma; labo, so, sebo,sea;
[v. d. vetatief], ola.
Nietig [niet geldig], la atan, la esah;
[klein], tjoer, keloemat-keloemat.
Niets, kai pe läng.
Nietswaardig, metaroek, lango-la-
ngón.
Niettegenstaande, bage pe; gia.
Nieuw, ’moaroe.
Nieuwemaan, matë boelan, sami-
sara.
Nleuwerwetsch, ’mbaroe.
Nieuwjaar, tahoen ’mbaroe (overge-
nomen).
Nieuws, berita.
Nieuwsgierig, meloeloer.
Niezen, erbatjih, kebatjihen.
Nijd, tjian ate.
Nijdig, nembeh, merawa, medjoengiL
Nijgen, toengkoek, moengkoek.
Nijptang, pendjabat.
Nikkel, pergoel [eig. verguld].
Nimmer, la penah, langnga penah.
Nis, liang-liang.
Nivelleeren, koepeseri (peseri).
Noch, . . . pe läng; noch ... noch .. „
la ..., la ...; _so .. so .
Nochtans, bagë pë; bage gia.
Noemen, koegelar (’nggelar); koege-
lari (’nggelari).
Nog [daarenboven], ambah si e ka pe;
pë; ka; [er bij], nari, nog één, sada
nari: nog niet, langnga; [over, al-
door], denga; er is nog, lit denga;
hij komt nog, rêh denga [ia].
Nogmaals, sekali nari, ioelihi.
Nok, boengboengen; [penge]raboeng.
Nokken [snikken], sembep-sembep.
Nokstijl, toendjoek langit.
Nonnenkapje [rijstvogeltje], perik.
Nonsens, tjakap la ’rboekoe.
Nood [gevaar], kebiar; mara; [ellende,
nooddruft], sera, danggel.
Noodig; noodig zijn, lit lakónna, er-
goena; pada; niet noodig, ma pada;
la gia; la esah; [dringend v. werk],
terajak, pitjet.
Noodlgen, koedilo (’ndilo).
Noodlot, pengindo; oentoengen.
Noodzakelijk, [van werk], pitjet la
bantji läng.


NOODZAKEN.
- 55
OMGEBOGEN.
•
Noodzaken, koegegehi (’nggegehi).
Nooit, la penah, langnga penah, lang-
nga enggo.
Noord, Noorden, oetara [doch zoo
alleen in poestaka’s e. d.; het ge-
wone woord is kahë, stroomaf-
waarts, kendjahë, de beneden-
landen, verklaarbaar uit de geogra-
phische gesteldheid van het land].
Noordoost, irisen [in poestaka’s e. d.J.
Noordwaarts, kahë.
Noordwest, mangabia [in poestaka’s
e. d.].
Noot, [soort v. noot], ketapang.
Normaal, si semal, bagi si gelgel.
Norsch, tjëngëh; berdjoet.
Notedop [v. e. klappernoot], soedoe.
Notemuskaat, boeah pala.
Notenkraker [notensplijter, pinang-
schaar],_kalakati.
Nu, bagidi e, endawari, gendoari, goen-
dari; sendah; [op dit oogenblik],
ënam; nu en dan, sekali-sekali;
nu... dan..., soeng... soeng ...
Nukkig, mboee[sa] oekoer.
Nul, nol (uit het Ned. overgenomen).
Nurksch, tjëngëh.
Nut, goena; lakón.
Nutteloos, la ’rgoena, sia-sia.
Nuttig, ergoena, erlakón, lit goenana.
o.
O! o, ë oa.
Obsceen, tjaram, ’nggesoeh.
Och, ah; andiko; och toe, min.
Ochtend, pagi-pagi; des ochtends,
erpagi-pagi; één ochtend, sada
pagi.
Ochtendkrieken, tekoeak manoek;
sampoer manoek.
Odeur, baoe meriëm.
Oebi, gadoeng.
Oefenen [zich — in iets], koeperapat-
-rapat (perapat-rapat).
Oerwoud, kerangen toea, rimboe raja,
rimboer raja.
Oester, tiram (Mal.?).
Oever, tepi laoe, doeroe laoe; darat;
[hooge —], tebing.
Oeverstrook, pamah.
Of, ataoe; entah, tah; och of, 'mbera.
Offer, persembahen; [bloedig — ], pe-
mangka.
Offeraltaar, batar-batar, andjap-an-
djap.
Offeren, mere; koeandjapken (ngan-
djapken) ; [een bloedig offer
brengen], koebangka (mangka). _
Offerplaats, pertjibalen; berë-beren.
Officier, opsir.
Ofschoon, pë; gia; anem ... pë.
Oir, pirah, sinoersoer.
Oksel, kikik; [van een kleed; oksel-
stuk, sousbras], tengkiak.
Olie, minak.
Olieachtig, [van smaak], mëlam.
Olielamp, pelita; tendang.
Olfepotjje [als de goeroe’s bezigen],
perminaken; boeli-boeli.
Oliesteen [fijne wetsteen], poengga.
Olifant, gadjah.
Olifantskever, kajat tonggal. 1
Olifantssnuit, boelele.
Olifantstand, gading.
Om [rondom], kelewet; [opdat], maka
[ter wille van], erkitëken.
Omarmen, koedakepi (’ndakepi).
Ombinden, koerakoeti (ngerakoeti).
Omboorden [een kleed], koekelim
(’ngkelim); [vlechtwerk —], koeka-
tir (’ngkatir).
Ombrengen, koeboenoeh (moenoeh).
Ombuigen, koebëngkoekken; [omge-
bogen als rijst door de zwaarte der
vrucht], moerle-oerle.
Omdat, sabap, perbän, ibän.
Omdijken, koetambaki (nambaki).
Omdobberen, mombang-mombang.
Omdoen [een hoofddoek], koeboe-
langken; [een gordel], koegendit-
ken [enz. naar gelang van het
kleedingstuk]; i. h. algem.: koetama
(nama). Zie ook aantrekken.
Omdolen, niar-niar; kawas; ladjang.
Omdraaien [zich — ], koesoer, er-
koesoer; [den rug toekeeren], koe-
toendalken; [v. e. tol], ergening;
[iets —1, koekoesoerken (’ngkoe-
soerken); koebalikken (malikken).
Omdrentelen [in ledigheid rondloo-
pen], motoe-motoe, gedial, kelan-
tjang.
Omduikelen [v. e. staand voorwerp],
toengkas.
Omduwen, koeondjoemken (ngon-
djoemken).
Omdwalen, kawas, niar-niar, ranto.
Omfloersen [het gelaat], koeboeng-
koesi (moengkoesi).
Omgaan [omgang hebben met], erte-
man ras; meriah ras; [om iets heen
gaan], koekelëweti (’ngkeleweti).
Omgebogen [v. buffelhorens], goen-
doek, keloeng, lempe.


OMGEKEERD.
56 -
OMVALLEN.
Omgekeerd, balik, terbalik, tjiak-
-tjinggaloeng.
Omgelegen; de omgelegen dorpen,
si ’rdemoe oerat noe djaba.
Omgeven [omringen], ikelëweti
(’ngkeleweti); [insluiten], ikem-
kem (ngemkem).
Omgooien, koetoengkasken (noeng-
kasken).
Omgorden [zich —], erpementing,
ergenditken.
Omhaal; met omhaal van woorden,
erkalingking.
Omhakken, koetabahi (nabahi).
Omhalen [afbreken], koerontasken
(ngerontasken).
Omheen, kelêwet.
Omheinen, koebidë (midë).
Omheining, bidë.
Omhelzen, koedakep[i] (’ndakepfi]).
Omhoog, koedäs, idas.
Omhooggaan, nangkih.
Omhoogkijken, gakgak; [naar iets
—], koetare (narë).
Omhoogrijzen, nangkih.
Omhoogstaan, tëger; [van de zon],
tjiger.
Omhoogwerpen, ramboeng.
Omhoogzien, gakgak, gakgak empak
das; [naar iets —], koetarë (narë).
Omhouwen, koetabahi (nabahi, er-
tabah).
Omhullen [het gelaat], koeboeng-
koesi (moengkoesi).
Omhulsel, badjoe-badjoe; [verpak-
king], bingkes; baloet; [plantaardig
— van de majangkolf, le], oepih,
[2e], selodang.
Omkantelen, tombang; toengkas.
Omkappen, koetabahi (nabahi).
Omkeeren = omdraaien; [terugkee-
ren], moelih ; [veranderen], sambar.
Omkijken, toelih ; [naar iets—],koe-
toelihken (noelihken).
Omkleedsel = omhulsel.
Omklemmen [met de hand], koege-
lem (’nggelem); [met de armen],
koedakep (’ndakep).
Omkoopbaar, [si] ngalo sisip.
Omkoopen, koeberë (merë), sisip;
koemas-masi (ngemas-masi).
Omkoopsom, sisip.
Omkronkelen, koeoeloeti (ngoeloeti),
koelitit (ngelitit).
Omkronkeling, belit; één omkronke-
ling, si-ng-kebelit; lilit.
Omkrullen [spec, van de lippen],
’mbioeh ; _[van de horens van een
buffel], keloeng.
Omlaag, iteroeh, koeteroeh (Zie
verder op neder, ook voor de
•samenstellingen).
Omleggen [een weg], koepesilahken
(pesilahken).
Omliggend = omgelegen.
Omloopen [een omweg maken], ngë-
loek; [om iets heen —], koekele-
weti (’ngkelëweti), koelëloengken
(ngelëloengken).
Ommezien; een ommezientje, se-ng-
-kirep.
Omnaaien, koekelim (’ngkelim).
Ompalen, koebidë (midë).
Omploegen, koetenggala (nenggala),
[loc. in Goenoeng-goenoeng], koe-
kerboï (ngerboï).
Omringen, koekelëweti (’ngkeleweti)
[omsingelen, insluiten], koeoepoeh
(ngoepoeh); koekokoken (’ngkoko-
ken)
Omroepen, ermomo; [iets —], koe-
momoken (momoken).
Omroeren, koegawer (’nggawer); [de
rijst — met den steel van den rijst-
lepel], koekarih (’ngkarih).
Omrullen, koepetoekar (petoekar);
koesambarken (nambarken); [met
elkander —]. gantji[h]-gantji[h].
Omsingelen, koeoepoeh (ngoepoeh).
Omslagdoek, tjabin,
Omslingeren = omkronkelen;
[achteloos hier en daar liggen],
mampar-ampar; rontang.
Omsnoeren, koerakoeti (ngerakoeti);
[omsnoerd, vast aangehaald], pel-
tjik.
Omspannen [met de hand], koetjekel
(’ntjekel).
Omspoelen [vaatwerk], koeloeso
(ngeloeso); koeroekroeki (ngeroek-
roeki); [zich den mond —], tji-
roekroek.
Omspringen [als een bezetene],
moerdjah-oerdjah.
Omstandig, ftielimet.
Omstandigheid [toestand], ketjibal;
in gezegende omstandigheden, me-
hoeli koelana, mehoeli dagingna;
berat roemah.
Omstooten, koeondjoemken (ngon-
djoemken);koetoengkasken (noeng-
kasken)
Omstreeks, lebih-koerang; agak-
-agak, agakna.
Omstrengelen [als woekerplanten],
ibelit (melit), ioeloeti (ngoeloeti).
Omtrek [omvang], diket.
Ömtrekken [een omtrekkende be-
weging om iemand den pas af te
snijden], koekelihi (’ngkelihi).
Omtrent [bijna], menam, naroes; [on-
geveer], agakna.
Omtuinen, koebidë (mide).
Omtuinlng, bidë, kandang.
Omvademen, koedakepi (’ndakepi).
Omvallen, goeling; toengkas; ’nda-
boeh, rebah; roentoeh ; [van zware
voorwerpen], ’mboelak.


OMVANG.
- 57 -
ONDERHOUDEN.
Ontvang [omtrek], diket; [grootte],
galang[na].
Omvangrijk, kegalangen.
Omvatten, koedakep (’ndakep).
Omv 'nten, koedjadja (erdjada), koe-
oedi (ngoedi).
Omverstorten, roentoeh, rontas.
Omverwerpen [fig.], koetjêdaken
fntjedaken).
Omvouweh, ’mbioeh; [overg.], koe-
limpelr(ngelimpek).
Omwaaien, iëmboes (ngemboes)
angin.
Omwasscheu, koeloeso (ngeloeso).
Omweg, dalin ngeloek.
Omwenden = omdraaien.
Omwentelen, ergening, erkoesoer-
-koesoer.
Omwerken [den grond —], koetja-
met (’ntjamét); [de sawahs —],
koeembak (ngembak); [met lange
puntige stokken], koeengkal
(ngenkal).
Omwikkelen, koebaloeti (maloeti).
Omwjnden, koeoeloeti (ngoeloeti),
koelilit (ngelilit)
Omwindsel, rengkap.
Omwinding, belit; één omwinding,
si-ng-kebelit
Omwoelen [als varkens doen], isoeng-
ke (noengkë) ; [den grond —],
koekoeroek (’ngkoeroek); koe-
boengkar (moengkar).
Omzichtig, mandjar-andjar.
Omzien = omkijken.
Omzoomen, koekelim (’ngkelim).
Omzwerven, ladjang; ranto; [van
beesten], djalang.
Omzwerving, perladjangen.
On- [niet], la, ma; [oneven], gandil.
Onaandoenlijk, dês atë; djoeloes.
Onachtzaam, lolah, lalë.
Onafgebroken, lalap, la ’rpeltep.
Onafgemaakt, teroelang.
Onbarmhartig, degil.
Onbebouwd I— land], kerangen; pe-
ren-peren ; [tijdel.—],gegas,embal.
Onbedekt [van den grond, kaal], me-
sai ; [van den glans penis], tjiltjil.
Onbeduidend [waardeloos], meta-
roek; [niet merkbaar], la terakap;
[gering], ketik.
Onbehaard, soelah; la ’rboekboek.
Onbeholpen, djaloek; kaloengkang, ‘
medjentak.
Onbehoorlijk, soekar; merêha;[van
taal], soelbang.
Onbekwaam, lengë; la beloeh; la
ngasoep.
Onbeleefd, metoeda, megombang,
mekaroes, mekantjoeng.
Onbeloond, batil.
Onbemerkt, la iëteh, la idah; nangko-
-nangko.
Onbeschaafd, la iëteh si mehangkë-
Onbescheiden, metjidoek.
Onbeschoft, medoren, megombang,
sombong, metoeda, mekaroes, me-
djoerlap, tjaboel.
Onbesneden, koeloep.
Onbestemd, melanglangen.
Onbetamelijk, kemali, la tengka,
merêha, soekar.
Onbevattelijk, toempoel, ngoelah.
Onbevlekt, so keliamen.
Onbevoegd, la atan.
Onbevreesd, pang, melasang, merawa
Onbeweeglijk, tetap, tegap, la moeït.
Onbewoond, meloengoen, mesoeni.
Onbewust [iets — doen, niet met
opzet], so arap.
Onbezoedeld, so keliamen.
Onbezonnen, melantar.
Onbillijk, la boedjoer.
Onbruikbaar,_malë-malë ; la terpakë.
Ondanks, bage pe.
Ondenkbaar, metahat.
Onder, iteroeh, koeteroeh.
Onderarm, beteken tan.
Onderbalk, sangka manoek; tahilen.
Onderdaan, rajet, ginemgem, anak
boeah.
Onderdoen, taloe, tëwas
Onderdompelen [overg.], koetjelep
(’ntjelep); [verzinken, ondergedom-
peld worden], gedap.
Onderdoorkruipen, koesoesoeki
(noesoeki)
Onderdrukken, koekilangi (’ngki-
langi); meling koebahan.
Ondergaan [van de zon, enz.],soen-
doet; [verduren], koetahanken (na-
hanken); koebaba (maba); koena-
nami (ngenanami).
Ondergang [van de zon, enz.], ke-
soendoeten.
Onderhandelaar, kelang, kite, te-
langke.
Onderhandelen, arih-arih; koearih-
ken (rariken); koeranaken (ngera-
naken); koetjakapken (’ntjakapken).
Onderhaodeling, arih, perarih; per-
tjakapen.
Onderhandsch. tepet-tepet.
Onderhevig; wordt veelal weerge-
geven door het achtervoegsel-e n.
Onderhoorige, kawan, kemahan,
si ’rdahin[na]; ginemgen, rajet.
Oaderhoorigheid, doesoen.
Onderhoud [levens—], geloeh kege-
loehen; pentjarin.
Onderhouden [verzorgen], koeïani
(ngiani); [het benoodigde geld geven
voor levensonderhoud, techn.j koe-
berë penoekoernakan, of — penoe-
koer sira; [in goeden staat houden,
herstellen, enz.], koepehoeli (pe-
hoeli), koepekena (pekena).


ONDERKANT.
- 58
ONGEREPT.
Onderkant, pantil, gaga.
Onderlaag, lapik.
Onderleggen, koelapiki (ngelapiki);
[een klos of iets dergelijks —],
koekalang (’ngkalang).
Onderlijf, beltek.
Onderling, sapih.
Ondermaansclie [het — ], taneh si
mekapal enda; pertibi; kegeloehen.
Onderpand, gade (Mal.), pertembë;
gada-gada; tjikeram;
Onderricht, adjaren.
Onderrichten, koeadjari (ngadjari).
Onderscheid, dohna, iainna; kesi-
rangen; [onderscheid maken],’ndo-
bah, mobah, erndobah.
Onderscheiden [verschillend], ’nda-
oeh, lain.
Onderscheidlngsteeken, tanda;
salep.
Onderschragen, koekalang (’ngka-
lang).
Ondershands, tepet-tepet.
Onderstboven, terbalik, tjiak-tjing-
galoeng.
Ondersteld; — dat..., bitjara...
Ondersteunen [vooral de kin met de
hand], koetoempak (noempak), [fig.]
noempak-noempak; [een zieke in
den rug steunen], koerandë (nge-
randë); [bij een rechtsgeding e. d.J,
koekapiti (’ngkapiti); [met geld],
koetolong (nolong).
Ondertusschen, sangana ë.
Ondervinden, koeakap.
Ondervragen, koesoengkoeni
(noengkoeni); koenoengnoengi
(noengnoengi).
Onderweg, i tengah dalin.
Onderwereld, dibata teroeh.
Onderwerp, pekara: [v. bespreking],
ranän, tjakap.
Onderwerpen, taloe koebahan; [zich
— ], nembah (van sembah).
Onderwijl, iher, dingen, ningen ; dja-
nah.
Onderwijs, adjaren, pedah.
Onderwijzen, koeadjari (ngadjari);
koepedahi (medahi).
Onderwijzer, goeroe.
Onderzoek, tiliken ; [een proef], pe-
ngoedjin; een vergelijkend onder-
zoek doen naar, ertilik; koetoe-
loeki (noeloeki).
Onderzoeken [een zaak], koepepajo
(pepajo); ernoengnoeng; [beproe-
ven], koeoedji (ngoedji); koeoen-
djoen (ngoendjoen).
Ondeugd [slechtheid; ongerechtig-
heid], toenda kaïs, toenda gëgë,
bala gegë; [gebrek, ondeugdelijk-
heid e. d.], salah. lëpak; tjëda, pan-
dangen.
Ondeugend, goetoel, degil.
Ondiep, maras; merembo.
Ondiepte, aras.
Ondoordringbaar [voor regen e. d.],
la telap ..; la ipän ...
Ondraaglijk, la tertahan.
Onduidelijk, la terang, meremang;
[van spreken], kaloet.
Onecht, lantjoeng.
Oneenig, erbelah.
Oneerbiedig, mekamis.
Oneetbaar, la terpän. •
Oneffen [van den grond], pertoeh;
[met bobbeltjes], megoeldih, ’ndoel-
doel.
Oneven, gandil.
Onfatsoenlijk, merêha, mekamis;
kemali.
Onfrisch [verfonfaaid], mawes-mawes
Ongaar, matah.
Ongebaand, peren; toempat.
Ongebruikt, teroelang.
Ongedeerd, medjoeah.
Ongedierte, koetoe; [in het gewas],
nipë-nipe.
Ongeduldig, merambit.
Ongegeneerd, medjantoer.
Ongehoorzaam, ’ndjoea, bandel; me-
tangkang
Ongehuwd, langnga erdjaboe; [van
een man], langnga empo; [vaneen
vrouw], langnga tersereh; een
ongehuwde man, anak perana;
een ongehuwde vrouw, si ngoeda-
-ngoeda.
Ongekamd [v. h. haar], djerboe.
Ongekleed [naakt], tilandjang ; [niet
voldoende gekleed, niet fraai ge-
kleed], la roeïs.
Ongekookt, matah; ongekookt
vleesch e. d. nuttigen, ngatah.
Ongelijk [niet gelijk, niet even lang],
peloedjo; [verkeerd, mis], salah,
lëpak.
Ongeloofelijk, metahat.
Ongeloovig, la têk; metaram.
Ongeluk, mara; banga, kelësa; tjilaka;
liah, sial; bij ongeluk,_so arap.
Ongelukkig, mesoeï atejmesera ba-
bän ’nggeloeh; mekelësa; la oeli
pengindo; [onfortulnlijk], liah.
Ongeluksvogel, oerang tjilaka.
Ongemakkelijk, mahal, mesera, me-
tahat, mekapes; [— voor’t gevoel],
medinggel; medêngker.
Ongemeen, la nai teralang; la nai
kelanglang.
Ongemengd [zuiver], pelin-pelin.
Ongenaakbaar, lateraroeng; later-
dahi.
Ongeneigd [— iets te doen], mekisat,
la ’nggit.
Ongepast, kemali; merêha, la tengka.
Ongerept [van een bosch], derip;
[i. h. alg.], so keliamen.


ONGERIJMD.
- 59 -
ONTREINIGEN.
Ongerijmd, metahat.
Ongerust, aroe atë, beber atê.
Ongeschonden, tjawir; lawir-la-
wiren; [maagdelijk], so keliamen.
Ongesteld, bangger.
Ongetwijfeld, toehoe; kin; kepëken.
Ongeval, mara, banga, kelësa.
Ongeveer, agak-agak; agakna.
Ongevoelig, dês ate; [v. e. lichaams-
deel door ongewone houding],
ngampiren; penggingen.
Ongewapend, la 'rsendjata; la ’rpiso.
Ongewillig, degil, 'ndjoea, mekelkel.
Ongewoon, la semal; [afwijkend van
den norm; zonderling, tegennatuur-
lijk], gandil; kemali.
Ongezeggelijk, bandel, mekelkel;
mttangkang, bontang.
Ongezond [van een streek], la oeli
oeana; [steeds min of meer ziek],
bangger-bangger; soein.
Ongunstig, la oeli.
Onhandig, djaloek, kaloengkang, me-
djentak.
Onheil, mara.
Onheilsdag, oeari boedaha.
Onheugelijk [zeer lang geleden],
noeria djaman.
Onjuist, lepak, salah.
Onkosten, bekal, belandja; ongkos.
Onkruid, doekoet-doekoet; peren-
-peren.
Onkwetsbaar, kebal.
Onlangs, ’mbaroe ënda.
Onmatig, la iëteh djangkana; [— in
het eten], rangap, melagah man.
Onnoozel, oto.
Onmiddellijk, mintes.
Ónmogelijk, metahat.
Onnatuurlijk, kemali.
Onnoodig, ma pada; ola gia.
Onnoozel, lali-lali; loenggak peroe-
koeren.
Onnut, la ’rgoena.
Onophoudelijk, lalap; la ’rngadi-
-ngadi,
Onoplettend, melahing.
Onoprecht, gedoek ;_ ngëloek.
Onpasselijk, boerge, moetah.
Onrecht, gëdoek; kilang.
Onrechtvaardig, la boedjoer, gë-
doek.
Onrijp, matah.
Onrust(ig), goentar; [v.h. hart], aroe
ate, beber ate; medjelpa; [— zich
wentelen, door pijn], gelidak.
Ons [pers, vnw., excl.j, kami; [incl.]
kita, [datief en na man], ba-n-ta.
Ons [bezittel, vnw., excl.], kami,
[incl.]-ta.
Onsamenhangend [van woorden],
medjelapdjap.
Onschuldig, la ’rsalah.
Onspoed, liah.
Onstandvastig, ’nggine, mamang
boerlah.
Onsterk, la ’ntegoeh; boeroek; la
tahan.
Ontbasten, koelaklaki (ngelaklaki).
Ontberen, koerang; la lit.
Ontbieden, koetenahken (nenahken).
Ontbinden [los binden], koetangtangi
(nangtangi).
Ontbladerd, lakar, een ontbladerd
takje, ranggas.
Ontbolsteren, [rijst, door stampen],
koetoetoe (noetoe); ontbolsterde
rijst, be ras.
Ontbranden, gara, galak.
Ontbreken, koerang; la lit; kekoe-
rangen.
Ontdaan [geschrokken], tersengget;
boerawan.
Onteeren [verkrachten], igegehi
(’nggegehi); irangkem (ngerang-
kem).
Ontelbaar, la terbeligaï; kemoet.
Ontevreden [met iets], la senang;
[— van aard], moerbit
Ontfermen [zich — over], mekoeah
atë ngenehen.
Ontgaan [ontkomen], loeah; [verge-
ten], loepa.
Ontginnen [boschkappen], ngerabi;
[i. h. algem. de eerste zijn], nge-
roengkah.
Ontginning, djoema rabin.
Onthalzen, koegeleh (’nggeleh); koe-
tampoel (nampoel).
Onthouden [niet vergeten], koeïnget,
(nginget); [iem. iets onthouden],
koeahani (ngahani).
Onthouding [ascese], tapa.
Onthulden, koeboekbaki (moekbaki).
Onthutst, tersengget, djengang.
Ontijdig [— afvallen], melpoeng; [te
vroeg], melebesa.
Ontkapen, koekilep (’ngkilep).
Ontkennen, koepersoï (mersoï).
Ontkiemen, ersoeli.
Ontkleeden, koetalangi (nalangi) oeïs.
Ontkomen, loeah.
Ontlasting [fats.], oekal; [plat], tai, të.
Ontleden [in stukken snijden], koe-
lapahi (ngelapahi).
Ontluiken, terlak.
Ontmaagd, ’mboelke.
Ontmoedigd [spoedig —], medjanto.
Ontmoeten [van personen], djoempa;
[van zaken], toemboek, erdemoe;
[toevallig —], soentoek.
Ontnemen, koeboeati (moeati).
Ontoereikend, koerang, mangkar;
la bias, la sêh.
Ontploffen, erdepoek, erdepang, er-
detoem, ’mbetjih.
Ontraden, koeolangi (ngolangi).
Ontreinigen, koeliami (ngeliami).


ONTROOVEN.
60
OP.
Ontrooven, koereboet (ngereboet).
Ontruimen, koepeloemë (peloemë).
Ontslagen, sanggal.
Ontsluiten, koeongkam (ngongkam),
koeboekaï (moekaï), koetalangi (na-
langi); [zich —, v. e. bloem], terlak.
Ontsnappen, loeah.
Ontspannen [niet meer gespannen,
slap], rendoek
Ontspruiten, toerah.
Ontstaan, djadi; toerah ; tembë.
Ontsteken, [vuur —], koepegara (pe-
gara); koetjiloek (niloek); [ontsto-
ken van een wond], nanahen;[van
de oogen], bisbisen.
Ontsteld, djengang,djebap, terdedjep.
Ontstelen [iem. iets —], koepenang-
koï (penangkoï).
Ontstemd, menek; bentjeng.
Onttrokken [a. h gezicht], ligen.
Ontucht, loea-loea.
Oatuchtig. erloea-loea; djalang;
dënggal.
Ontvangen, koealoken (ngaloken);
dat.
Ontveld, melak melaken, medelak,
medoelak; meloeak.
Ontvlammen, gara, galak
Ontvlieden, lompat, loeah, lepoes.
Ontvluchten, lompat; [spec, van een
slaaf], lintoen.
Ontvoeren [een meisje], koepangoes-
ken (mangoesken).
Ontvolkt, meloengoen.
Ontvreemden, koekilep (’ngkilep);
koetangko (nangko).
Ontwaken, medak.
Ontwijken [elkaar], ipesimbel (pe-
simbel); ipetembil (petembil).
Onvatbaar [voor een ziekte e. d ],
baroeken.
Onveilig, [lit] kebiaren.
Onveranderlijk, gelgel._
Onverbiddelijk, la terletjek.
Onverdeeld [v. d. aandacht],djoeloes.
Onvergankelijk, gelgel, tahan.
Onverhoeds, rempet.
Onverklaarbaar [wonderlijk e. d.],
medjin.
Onverlaat, pendoelasa.
Onvermengd, pelin-pelin.
Onvermogend, moesil; la ngasoep.
Onverschillig [er niet toe doen],
la mobah, la ’ndobah; [onaandoen-
lijk], djoeloes; pasë; semën.
Onverstaanbaar, kaloet, kaloeng-
kang.
Onverstandig, lenge.
Onverwachts, rempet.
Onverzeld, sisa.
Onvoegzaam, merêha, kemboeng.
Onvoldaan [v. h, gemoed], lesekate.
Onvoldoend, koerang, la bias, la sêh;
mersoek.
Onvolledig, la koeh, la ’rsêh-sêh,
tjenggal.
Onvoorbedacht, so arap; la itoe-
toesken.
Onvoordeelig, tewas, roegi.
Onvoorzichtig, melantar. .
Onvruchtbaar ]v. d. grond], tenggi-
ring; [v. e. vrouw], lambang, poesa.
Onwaar, boeal, goeak, la toehoe.
Onweder [donder], lenggoer.
Onwel, mekesam, bernoe; bangger-
-bangger, magin-magin.
Onwelvoegelijk, kemali, merêha.
Onwillekeurig [v. e. beweging],
terkidet.
Onwillig, metangkang.
Onzeker, la tentoe; [weifelend], ma-
mang,
Onzichibaar, la teridah; limoen;
zich onzichtbaar maken, ngeli-
moen.
Onzin, tjakap si la ’rboekoe.
Oog, mata.
Oogenblik, kirep; één oogenblik, se-
-ng-kirep. _
Oogmerk, ate, peraten; tandangen.
Oogst, ranin, peranïn.
Oogsten, rani; [overg.], koeperani
(perani).
Oogvuil, bisbis.
Ooit, penahL
Ook, ka ; pë; ook al ..., anem... pe.
Oom, bapa; mama; bengkila.
Oomzegger, beberë, permain.
Oor, pinggel; [uitwendig], tjoeping.
Oorbel, anting-anting; [groot soort],
koedoeng-koedoeng.
Oordeel [vonnis], oekoem, oekoemen;
[meening], oekoer, timbangen;
[gods —]. sipoesta, bilang; door een
godsoordeel getrbffen, kebilangen,
ketoelahen, kena sipoesta.
Oordeelen [vonnissen], koeoekoem
(ngoekoem); denken over], koe-
oekoerken (ngoekoerken).
Oorhanger, koedoeng-koedoeng;
[groote liervormige —, boven door
het oor], padoëng.
Oorlog, perang, permoesoehen.
Oorlogen, ermoesoeh, erperang.
Oorlogstoestand, perang, moesoeh.
Oorschelp, tjoeping.
Oorsprong [v. e. rivier], oeloe, soem-
boel; [i. h. algem.], moela, bena,
pemena
Oorspronkelijk, moelana, tangtang-
na; [van nature], kin.
Oorzaak, sabap.
Oost, Oosten, timoer, kepoeltaken,
arah matawari poeltak; [in de
poestaka’]s, poerba.
Ootmoed, lembap ate.
Op [voorz.],i,idas;ibabo, ibobo; [bijw.],
op zijn, keri.


OPBERGEN.
— 61
OPLOSSING.
Opbergen, koeboeniken (moeniken).
Opborreien [opbruisen], gedjek.
Opbreken [vertrekken], berkat.
Opbrengst [v. e. veld], oelih.
Opdagen, moelgap, poeltak.
Opdat, gelah, maka.
Opdelven, koekoeroek (’ngkoeroek);
koekali (ngali, ’ngkali).
Opdirken [zich —], ngelage.
Opdisschen, koeïdangi (ngidangi).
Opdracht, tenah.
Opdragen [een last], koetenahi (ne-
nahi).
Opdrijven [wild], koeboeroeï, koe-
peboeroei ('mboeroeï, peboeroeï).
Opdrogen [v. e. rivier], mersap.
Opduiken, moelgap, poeltak.
Opeenstapelen, koegoengoen
(’nggoengoen); [rijstbossen tot een
soort opper], minoeh.
Opeenvolgend, roenoet-oenoet;
gantjih-gantjih.
Opelschen, koedenden (’ndenden).
Open [tegenover gesloten], poelka,
terboeka, talang; [ruim], salang;
sai; [van een bloem], terlak; [ont-
sloten, ontgonnen van een landl,
talang; [wijd open van den mond],
nganga.
Openbaar, tangkas, landas.
Openbarsten [v. e. gezwel], poeltak;
[van een vrucht, een bloemknop],
’mbentjil; tjengil; tjelgang.
Opendoen [voor iemand], koepoelkaï
(moelkaï); [een deur e. d. —], koe-
talangi (nalangi); [den mond open-
doen (spreken)], ersoemekah.
Openen [met geweld], koeongkam
(ngongkam); zie verder opendoen.
Opening, lobang, loebang; babah;
[lichaamsopeningen in het algem.],
ringring; [deuropening], labah;
[sluipgat], tjiboeng.
Openkappen, koerentes (ngeren-
tes); koerambasi (ngerambasi).
Openkrabben, koegergoï (’nggergoï).
Openlijk, tangkas; la ’rboeni-boeni.
Openpeuteren, koesiwat (niwat).
Openscheuren, koerigatken (ngeri-
gatken).
Opensnijden, koelapah (ngelapah).
Openspalken, koepengkal (mengkal),
koepoekang (moekang).
Opensperren, nganga.
Opeteu» koepän (man); keri koepän.
Opflikkeren [v. vuur], djingar garana.
Opfokken, koeasoehi (ngasoehi).
Opgaan [v. d. zon enz.], poeltak.
Opgaand [hoog —, van boomen], me-
lëdang.
Opgang [v. d. zon], kepoeltaken.
Opgeblazen, megah.
Opgeruimd [vroolijk], meriah; ik ben
opgeruimd, meriah koeakap.
Opgewonden, mokoep, loeam.
Opgezet, besar; boesoengen.
Opgezwollen, besar; ergoembang;
[v. e. spons e. dj, boegang; [v. d.
b ik door waterzuchtj, boerdjing;
[v. d. borsten], sengkar.
Opgooien [bij spelletjes], ramboeng
koelit; [kruis en munt], ertoeak.
Opgraven, koekali (ngali, 'ngkali).
Ophalen [van netten], koeelar (ngelar).
Ophangen [iets —], koetjanggoen
(’ntjanggoen); [zich —], koedelis
ba-ng-koe, enz. ('ndelis bana).
Opheffen, koeangkat (ngangkat); [te
niet doen, intrekken, enz.], koe-
samsamken (namsamken).
Ophelderen, koeterangken (nerang-
ken).
Ophitsen [een hond], koepetoeïken
(petoeïken).
Ophoogen [een dijkje — ], koebakoel
(makoel).
Ophoopen, koegoengoen (’nggoen-
goen) ; koetamboen (namboen);
[het half verbrande hout op den
akker —], ngangkoet.
Ophouden [uitscheiden], ngadi; [—,
om op te vangen], koetarê[ken]
(nare[ken]).
Opium, apioen ; tëkëh ; tjandoe.
Opiumpijp, batoe 'ntjoelim.
Oplumrooken, ermadat.
Opiumschuiver, permadat.
Opjagen = opdrijven.
Opkijken, gakgak; vreemd opkijken,
djengang.
Opklaren, siang.
Opklauteren, tjiroro, tjirawis.
Opklimmen, nangkih; [een helling
—], nangkeng-nangkeng.
Opknappen [iets —], koepekalo-kalo;
koepehoeli (pehoeli); [weer beter
worden], madan.
Opkomen [van de zon], poeltak; [van
planten en figj, toerah; in groote
menigte opkomen [ter vergadering
bijv], oeloeng-oeloeng.
Opkomst [v. d. zon], kepoeltaken.
Opkunnen, terkeriken.
Opkweeken [bijv, een verweesd
kind], koedidik (’ndidik); koeandoeh
(ngandoeh).
Oplaaien, djoelang.
Opleggen [met iets, bijv, paarlmoer
e. dj, koesoembi (noembi); [sparen],
koeoetip (ngoetip).
Oplichten [met een hefboom], koe-
ongkil (ngongkil); [afzetten], koe-
tëboe-tëboe (?).
Oploop, goentar.
Oplossen [een raadsel], koeteboesi
(neboesi); [smelten, fijn verdeelen],
koelemes (ngelemes).
Oplossing [v. e. raadsel], gelar.


OPMAKEN.
- 62
OPZOEKEN.
Opmaken, koekeriken (’ngkeriken);
[verspillen], koedjodjoken (’ndjo-
djoken).
Opmerken, koeïdah (ngidah).
Opnemen [tusschen duim en vinger],
koedjempoet (’ndjemDoet); [water
met een dweil], koetjahtjah (nah-
tjah).
Opnieuw, sekali nari; ka.
Oppassen [verzorgen], koeïani (ngi-
ani); [de wacht houden], koedjaga
(erdjaga); [oplettend zijn], mete-
nget.
Oppasser, oepas (Nederl.).
Opper [soort van opper, van rijst-
schoven], rantjë.
Oppervlakte, isi.
Oppoetsen [zich —, van vogels],
ngajan-ngajan, tjilikas.
Oprapen, koedjempoet (’ndjempoet);
koedjimeti (’ndjimeti).
Oprecht, pinter, boedjoer, ’ndjalap.
Oprekken, koepoekang (moekang).
Oprichten, koepantek<_ (manteki);
[zich - ], djoergak; kêkë.
Oproepen [voor werkzaamheden],
koeseraja (neraja); koedilo (’ndilo).
Oproer, goentar.
Oprollen [touw —], koepangpangi
(mangpangi); [een mat —], koegoe-
loeng (’nggoeloeng).
Oprulen, koegoeloeti (’nggoeloeti).
Opruimen [afbreken], koerontasken
(ngerontasken).
Oprukken, berkat.
Opscheppen [van rijst], koeoekat
(ngoekat), roekat; [v. vloeistoffen],
koedjaroek (’ndjaroek).
Opschik, oepam, oempam; lagë.
Opschorten [een kleed], ersingsing.
Opschrijven, koesoerati (noerati).
Opschudding, goentar.
Opschuiven [een klein eindje —],
mingkang.
Opslaan [hooger worden v. d. prijs],
nangkih.
Opslokken, koetelin (nelin); koeben-
doet (mendoet)
Opslorpen, koesiroep'(niroep); min-
tjep.
Opsluiten [in een kooi], koekoeroeng
(’ngkoeroeng); [in een stal], koeka-
rangken (’ngkarangken); [spec, van
een volwassen paard], koepandjangi
(mandjangi); [in het blok], koeba-
jangken (majangken).
Opsnijden [pochen], doegal (doekgal)
ngerana; lempoer kata.
Opsnuiven, koesanggeh (nanggeh).
Opsporen, koelajari (ngelajari); koe-
toeloesi (noeloesi); koedoedoe
(’ndoedoe).
Opstaan, këkë; [in opstand komen],
nimbak, noengsang.
Opstapelen, koegoengoen (’nggoen-
goen).
Opsteken, koesagani (nagani); [het
haar —], koesengkoelken (neng-
koelken)
Opstellen [een val, een strik e. d],
koetogeng (nogeng).
Opstoken, koeadjar-adjari (ngadjar-
-ngadjari).
Opstuiven [in toorn], loeam.
Opstuwen [v. water], koetombeng
(nombeng).
Optellen, koepersada (persada).
Optillen, koeangkat (ngangkat).
Opvangen [water], rantjoeh; [een
ontvlucht paard], koebanto (manto).
Opvatten [begrijpen], koeantoesi
(ngantoesi); [een dief e. d.J, koe-
tangkap (nangkap).
Opvatting, antoesen.
Opvlammen, djingar garana, ten-
tjoek garana.
Opvliegend, merambit; ’nggoentjang.
Opvoeden, koeadjari (ngadjari); koe-
pakoï (makoï).
Opvolgen [iemand —], koegantjih
(’nggantjih); [een raad, enz], koe-
ikoetken (ngikoetken); koebegiken
(mtgiken).
Opvolger, gantjih.
Opvouwen, koelimpek (ngelimpek);
[opgevouwen van de beenen, bij
. de gebruikelijke wijze van zitten],
erlimpoen, poenpoen.
Opvreten [plat], koesioek (nioek).
Opvullen [farceeren, een slachtbeest],
koesesang (nesang); [een te wijde
opening e. d.J, koesoembi (noembi).
Opvulsel, soembi.
Opwachten [iemand —], koetimaï
(nimaï); [op iemand wachten], koe-
pimaï (pimaï); [in hinderlaag —],
koegempangi (’nggempangi); [opge-
jaagd wild —], koeampoengi (ngam-
poengi).
Opwachting; zijn — maken, ngadap.
Opwekken [aansporen], koeadjoek
(ngadjoek).
Opwinden, koepoetar (moetar)
(Mal.?);. [garen e.d.], koekoelkoeli
(’ngkoelkoeli); [in opwinding bren-
gen], koegoentari (’nggoentari);
koegoeloeti (’nggoeloeti)
Op wippen, mënggal-ënggal; bonggal.
Opzamelen, koepepoeloeng (pepoe-
loeng).
Opzet; met — iets doen, koetoetoes-
ken (noetoesken).
Opzetten [een strik, val], koetogeng
(nogeng).
Opzoeken, koedahi (’ndahi); [iemand
die weg is—], koelajari (ngelajari);
koedoedoe (’ndoedoe); koedarami
(’ndarami).


OPZWELLEN.
63 -
OVERSTORTEN.
Opzwellen = opgezwollen.
Orakel, [wicheltoestel], pertendoe-
ngen.
Orang oetan, mawas,
Oranjeappel, rimo malem.
Orchidee, kapal-kapal.
Orde, _ atoeren; in orde zijn, djore,
torë; sai, selesë.
Ordelijk, djore, atoer; [ordentelijk],
aroes, patoet.
Order, perentah; kata; pedah;tenah.
Otter, berang-berang.
Oud.metoea; [versleten],male; [ouder-
wetsch], ’ndekah.
Ouderdom, toea, dekali; oemoer.
Oudere [broeder of zuster], kaka.
Ouderling [oudste], pertoea.
Ouderloos, meloemang; la ’rnandë
la ’rbapa.
Ouders, oerang toea; nande-bapa.
Oudje, toea-toea.
Oudste [de oudsten v. e. dorp], per-
toea; si-n-toea-si-n-toea.
Oudtijds, noeria; noeria djaman.
Oven, ginoehoer.
Over [boven] idäs; ibabo; ibobo; [bijw.],
er is nog over, lit denga ; lit ibana;
over en weer, pekepar.
Overal, idja pa pe; [op verschillende
plaatsen], medjedas.
Overblijfsel, iba; bekas.
Overblijven, riba; [achterblijven,
achtergelaten], fading.
Overbrengen, koesehken (nehken);
koebelasken (melasken); koeem-
bahken (ngembahken).
Overbuigen [als bamboe[, mawat.
Overdadig, la iëteh djangkana; nang-
nang.
Overdag, soeari, doengari.
Overdekken, koetamboeri (namboe-
ri); koetoekoepi (noekoepi); koe-
seboe (neboe).
Overdenken, koeoekoerken (ngoe-
koerken); koetimbangken (nim-
bangken).
Overdragen, koeendesken (ngen-
desken).
Overdrijven, ngeloekoet; koepehan-
toe-hantoe (pehantoe-hantoe).
Overdwars, berteng.
Overeenkomen, erpadan, erpoedoen,
erdjandi; erboelawan; [gelijken],
soeboek ras...; dês ras...; roem-
pat ras...; desken.
Overeenkomst, padan, poedoen,
djandi, boelawan.
Overeenstemmen(d), roenroen;
toemboek.
Overeind [— staan v. d. haren], djegir;
[i h. alg.], tedis, pantek; këke.
Overerven [v. e. ziekte], langket; rarat.
Overgaan [een rivier —], koekëpari
(’ngkëpari); koelantas (ngelantas).
O ver gang [rivier — ], lantasen.
Overgeven, koedoedoerkdn (’ndoe;
doerken); koesehken (nehken);
[braken], moetah.
Overgieten [van vochten], koetjoe-
rahken (’ntjoerahken).
Overgrootouders, entah ; ente ; ni-
ni-nini.
Overhaast, teroedoe.
Overhalen, koeendik-endik (ngen-
dik-ngendik).
Overhandigen, koedoedoerken
(’ndoedoerken).
Overheerschen, koeradjaï (nge-
radjaï).
Overhellen, roendë.
Overhoop, rontang, goergar me-
songkar.
Overhouden [van spijs], koeïbaï
(ngibaï).
Overig; de overigen, si deban, deba;
sitengah ; lit si...
Overjarig, [v. rijst], oesang.
Overkant, lepar.
Overkoken, ’nggoentjang, loentjang.
Overlaten [ongedaan laten], koepe-
lepas (pelepas); [nalaten], koeta-
dingken (nadingken); [spijs —],
koeïbaï (ngibaï).
Overledene, si matë.
Overleveren, koedoedoerken (’ndoe-
doerken).
Overleggen [met elkaar —], rarih-
-arih; erpekat.
Overlijden, maté ; moeiih koe dibata.
Overloopen [te vol], sampoer, sim-
par; loentjang; sêr.
Overmoedig, melantar.
Overmorgen, kedoên, doea berngi
nari.
Overnachten, erberngi.
Overoud [van rijst], oesang,
Overpeinzen, koeoekoerken (ngoe-
koerken).
Overplanten, roempat.
Overreiken, koedoedoerken (’ndoe-
doerken.
Overrijp, tasaksa, medakdak; mala.
Overschaduwd, melindoeng, ligen.
Óverschenken, koetjoerahken
(’ntjoerahken).
Overschot, lebih, iba; [onverdeeld
—], roedji.
Overschrijden, koetingkahi (ning-
kahi).
Overslaan [over ’t hoofd zien], me-
lëwas [mata].
Overspel, loea-loea; — bedrijven,
erloea-loea.
Oversteken [een rivier], koekepari
(’ngkëpari); koelantasi (ngelantasi).
Overstorten [v. rijst], koeoesëken
(ngoesëken); [v. grovere voorw.],
koeroengroeng (ngeroengroeng).


OVERSTROOMD.
- 64
PARTNER.
Overstroomd, melengleng.
Overstrooming, kelenglengen.
Overstuur, boerawan.
O vertreden, koelewati (ngelëwati);
ersalah.
Overtreding, salah.
Overtreffen, koeatasi (ngatasi; niet
te —, la teratasi.
Overtrekken [met zilver beslag e. d.],
koelantap (ngelantap); [overgaan,
passeeren], koelawesi (ngelawesi);
koekëpari (’ngkëpari).
Overval, emo.
Overvallen, koeemo (ngemo).
Overvloed(ig), moerah ; [v. d. rijst-
oogst], ’mboeah pagë; [copieus, te
veel gegeten], nangnang.
Overvioelen, sampoer.
Overvol, sêr, sampoer, dêmsa, poegar,
poergak.
Overvragen, koetëboe-tëboe (?)
Overwegen, koeroendingi (ngeroen-
dingi).
Overweldigen, koegegehi (’ngge-
gehi).
Overwelven, ilanggam (ngelang-
gam).
Overwelving, langgamen.
Overwinnen, menang.
Overzakken, roendë.
Overzeesch, i lepar nari.
Overzenden, koetengesken (nenges-
ken).
Overzien, koetatap (natap).
Overzijde, lepar.
Overzilverd, pergoel.
p.
Paaien, koeendik-endik (ngendik-
-ngendik),
Paal, binangoen; [trekpaal voor het
rekken van zilveren staven], lioên;
[slachtpaal]. kalaren ; [de palen van
een omheining], laki-laki.
Paar [stel van twee], pasang; [man-
netje en wijfje], djodoe; de dingen
die met elkaar een paar of stel
vormen zijn eikaars: atoep.
Paard, koeda.
Paardenvlieg, oentoeng-oentoeng.
Pacht, padjak (uit het Mal.).
Pad [weg], dalin; [van dieren], denë;
[kikvorschl, katak poeroe, saring-
goepgoep (?)
Paddenstoel, dawan.
Paffig, boentang.
Pagaai, kajoeh.
Pagaaien, ’ngkajoeh, [op het Toba-
meer ook], erloega (Tobaisme ?).
Pak [van suiker, tabak, gamber], toros;
één pak, si- n-toros.
Pakken [vangen], koetangkap (nang-
kap); koedjermak (’ndjermak); [met
twee handen], koedjerngem (’ndjer-
ngem); [een draagvracht gereed-
maken], koetapel (napel); koeketer
(’ngketer).
Pal [van een val, een knip e. d.], si
nondeli; tongkel; pal staan, djeng-
djeng.
Pgleis, roemah radja; astana (Mal.),
Palen [grenzen], erdemoe.
Paling, beloet; doengdoeng.
Palïngfuik, boebpe.
Palissade, (»idë; djadjar, djarikdjak.
Palm [tal van soorten], toealah; ni-
boeng, riman, pola, poeli, roembia,
pinang, kempawa .enz.; [palm van
de hand), tapak-tapak tan.
Palmwijn, pola.
Pan, belanga; [houten dakpan],boetar,
sirap (Mal.).
Pand, gada-gada, gadë, pertembë, tji-
keram.
Pandanus, pandan, bengkoeang, toe-
meneng.
Pandeling, pertiga.
Pantalon, seloear.
Pap, dakdak.
Papa, bapa.
Papegaai, poeling.
Papier, kertas.
Pappig, medakdak.
Parabel, anding-andingen; oempama.
Parallel, seri.
Paraplu, saoeng; [Eur. en Chin.],
pajoeng.
Parasiet, koetoe.
Pardon, [als uitroep], sintabi akoe.
Pareeren, koetampar (nampar).
Parel, moetiari (uit het Mal.).
Parelmoer, gëwang.
Paren [coire van beesten], narang;
[plat], ’ngkiring, sikiringen.
Park, perlantjang-lantjangen.
Parkiet, lisik.
Part, [deel, portie], adjang; goegoeng.
Partij, belah; in partijen verdeeld,
erbelah.
Partijdig, een partijdig vonnis, oe-
koemen si ngoeak boeloeh.
Partner, kando eng.


PAS.
- 65
PLAFOND.
Pas [tred], tingkah, djingkang; [vrij-
brief], soerat dalin.
Pas [zooeven], ’ndai, ëndam, ’mbaroe.
Pasgeboren, ’mbaroe toeboeh, ’mba-
roe titlk.
Passantenhuis, passanggrahan
(overgenomen).
Passement, pasmën.
Pass en (d> [goed sluiten], pajo;[v. e.
ring], sendeng; [behoorlijk], aroes,
patoet; [passen op], koeïani (ngi-
ani); pas op!, metenget.
Patiënt, si soein.
Patroon [principaal], pandë toea;
soekoet; [v. e. geweer], timah, pë-
loer; [voorbeeld], oesihen.
Patroontasch, kampil bedil; soe-
lempang.
Pauk, gendang.
Pauw [soort wilde pauw of faisant],
oeo.
Pedant, djingar.
Pees, oerat.
Pellen [sondeeren], koeratjak (nge-
ratjak).
Peinzen, roekoer-oekoer.
Pellen, koekoeliti (’ngkoeliti); koe-
lingkë (ngelingkë); [maïs e. d. —],
koepoekoeï (moekoeï); [rijst — door
stampen], koetoetoe (noetoe).
Pen [schrijfpen], pena; [bout om iets
vast te zetten], pasoek, pasoek toe-
riang; [bamboepennen tot het ste-
vig maken der sawahdijkjes], pa-
soek-pasoek; [pin in een boomstam,
om dezen te beklimmen], pating;
[haarpen], silik; [harde pen van de
idjoek], tjoeliki; [stekel van een
stekelvarken], loendoe.
Pendant, atoep[na]; adoem[na].
Penis [verbloemd], manoek, manoek-
-manoek; [plat], natoe.
Pennemes, [piso] lipat.
Pennenhouder, tangkë pëna, batang
pëna.
Pens, temporong; boejak.
Penseel [soort van —, of kwast, bij
de kruitbereiding gebezigd], siser;
[om mee te schrijven], mangsi.
Peper, lada; Spaansche latjina.
Peperhuisje, tembëloeng, saloeng-
soeng.
Per [per man e. d.], nonggal-nonggal,
ternonggal, ter-.
Perceel, terpoek.
Percenten, boenga, tara.
Percussiegeweer, bedil kep.
Perfect, seroeng, koeh.
Perk [vechtperk voor hanen], gelang-
gang.
Pers, oemeldasen; pemidal; [druk-
pers], rekamen.
Persen, koepeldas (meldas); koepil-
nati (milnati).
Persoon, kalak.
Perspectivisch, erloepoengen.
Pest [vee —], bernoeng.
Peterselie, roembane.
Petroleum, minak gas, minak taneh.
Peulvrucht; soorten zijn: katjang,
ritik, retak, e. a.
Peuteren [ergens in —], koekoerkoer
(’ngkoerkoer); koesoelda (noelda);
koekirkir (’ngkirkir); koekoerak
fngkoerak).
Piek, toembak; lembing.
Piepen, erpiak-piak.
Pier [worm], gaja.
Pijl [v. e. boog],sorë; [v. e. blaasroer],
nangkat.
Pijn; — hebben, mesoeï.
Pijnigen, koegasgasi (’ngasgasi).
Pijnlijk, mesoeï; [een pijnlijk gevoel,
doordat er iets zit, enz,], meding-
gel; medongker.
Pijp [tabakspijp, in het Karoland on-
bekend, in de Timoerstreken:] boe-
gak; voorts uit het Mal. overge-
nomen: pipa; [afvoerbuis voor wa-
ter], pantjoer; [voor rook], aling-
goengi; [opiumpijp met porceleinen
kop], batoe ’ntjoelim.
Pijpleiding, pantjoer.
Pikant [van smaak], ketoe, sering,
nering.
Pikken [v. vogels], itagoet (nagoet).
Pikol, pikoel (overgen. uit het Mal.).
Pikzwart, getes biringna.
Pil, pël; pillen maken, koepoeloeri
(moeloeri).
Pilaar, binangoen.
Pin, pasoek toeriang (zie ook op pen).
Pinang, pinang, majang; [— noot,
boeah majang.
Pinangschaar, kalakati.
Pink, kidel-kidel.
Pinken [met de oogen], ’ngkirep.
Pion, bidak.
Pipsch, kerbê.
Pis, tjiah.
Pisang, galoeh.
Pissebed [insect], babi-babi.
Pissen, tjiah.
Pistool, pestoel.
Pit [v. e. lamp], soemboe ; [v. e. vrucht],
batoe, boeah; [spec. v. d. doerian],
bengkiang; [merg], oenoeng.
Plaag, mara.
Plaagziek, megasgas, megoeting.
Plaat, gambaren.
Plaats, ingan; [— waar iets geweest
is], bekas; in plaats van, gantjih.
Plaatsen, koetama (nama).
Plaatsvervanger [in rechten],kakoe,
belit; djamin ; [wisselbeeld bij ziek-
te], persilihi; [opvolger], gantjifh].
Placenta, agi; poesat.
Plafond, langit-langit.


PLAGEN.
PORTIE.
Plagen [m. woorden], koeoeroe (ngoe-
roe); [door zinspeling], koesaling
(naling); [mishandelen], koegasgasi
(’ngasgasi); [knevelen e. d.], koeki-
langi (’ngkilang); meling koebahan;
[door „geesten” e. d. geplaagd
worden], iroelahi (ngeroelahi).
Plakken [kleven], dampel; [overg.],
koedampelken (’ndampelken).
Plan, peraten, atê; [boosplan], entern.
Plank, papan; [de breede plank tus-
schen stookplaats en middelpad],
papan tonggal; [de dikke zijplanken
van een huis], dapoer-dapoer.
Plant [cultuurgewas], sinoean-sinoean
(alg. naam ontbreekt).
Plantage, keboen.
Planten [op droge rijstvelden], mer-
dang; [op sawahs], noean; koesoean
(noean); [een boom e. d. —], koeta-
nem (nanem); [een stok i.d. grond
ook:] koepadjekken (madjekken).
Plantengll [v. d. Antiaris toxycariaj,
ipoeh.
Planter, toean keboen.
Planting [plantsoen], reba-reba.
Planttijd, [paksa] merdang, erdangen;
[paksa]' noean.
Plas [vijver e. d.], tambak, telagah.
Plasregen, oedan medêr.
Plassen, erkatimboeng.
Plat [geplet], pihpih, pelnat; [vlak],
metampak; [vlak op iets rustend],
dedas; [plat tegen d. grond, als door
den regen platgeslagen rijst], lapat;
[v. taal], kasar, tjaram.
Platdrukken = pletten.
Platluis, tanga.
Platslaan [gras e. d.], koerambas
(ngerambas).
Plattrappen, koeperdjati (merdjati);
platgetrapt, erlendas.
Platzak [v. d. jacht, de vischvangst—
thuiskomen], ngambe.
Plechtig, mehaga.
Plechtigheid, kerdja, perlakön.
Pleegkind, anak andoehen.
Plegen [gewoon zijn], semal; [wordt
ook wel door het voorvoegsel e r-
weergegeven, n.l. als iemand van
iets zijn bedrijf maakt].
Plein, kesain.
Pleister, langkoep; [soort compres v.
bladeren tegen koorts], langgoem.
Pleisteren [vertoeven],nganto;ngadi.
Pleisterplaats, pengadi-ngadin.
Pielt, ranän.
Pleizier, riah; ’ntabeh ate.
Plek = plaats: [afgesneden stuk,
schijfje], si-ng-gelat.
Plengen, koeamboerken (ngamboer-
ken); koepirpir (mirpir).
Pletten, koepeldas (meldas); koepidal
(midal); koepilnati (milnati).
Pletter [te —], tapes, meripoek.
Plicht, dahin, si man dahin.
Ploeg [werktuig], tenggala; [groep
werkvolk], arón.
Ploegboom, terter.
Ploegen, nenggala.
Ploegijzer, panggoeh.
Ploegstaart, tekan-tekan.
Ploegtand, gigi, badjak.
Plof [tusschenw.j, boem.
Ploffen, erdeboem.
Plombeeren, koesoembi (noembi).
Plomp [onbehouwen], kaloengkang.
Plooi, lempit; [in het voorhoofd enz.],
ringoet; [vetplooi], bahoet.
Plooien, koelempit (ngelempit); koe-
limpek (ngelimpek).
Plotseling, rempet.
Pluim, djaloe-djaloe; [kuif],djoembak.
Pluizen [touw—], koerirak (ngerirak);
koeset e (nese).
Plukken [rijst —], koeketam(ngetam);
ngerani; [in het alg.], koepoetik
(moetik).
Pluktijd [v. d. rijst], ranin.
Plunderen, koerampas (ngerampas);
koereboet (ngereboet).
Pochen, lempoer kata[na].
Poeder [stof], geboek.
Poel, paja, rawang.
Poep, tai (tê); [fats.], oekal; terites.
Poepen, moekal, koedoeroe; [plat],
tjiret.
Poes, koetjing.
Poets [streek], pendjikdjak.
Poetsen, kotgoesgoesi (’nggoesgoesi).
Poffen, koesaoek (naoek).
Pogen, koetjoeba (’ntjoeba).
Pokdaal, rapak.
Pokdalig, merapak.
Pokken, reme; [verbloemd], si pege-
dangken.
Polijsten, koesepoeh (nepoeh).
Pols [polsgewricht], pergelang-ge-
langen.
Polsen, koeïndang-indangi (ngindang-
-ngindangi).
Pomp, goemba (verbasterd Nederl. ?);
[spuit], kertjek.
Pompoen, taboe-taboe.
Ponjaard, rëntjoeng, keris, bawar.
Poort, pintoe lawang, kerabangen, ka-
rabangen.
Poosje; een poosje, kentisik.
Poot, nahe.
Pootgat, lebeng; loeboek.
Pootstok, perlebeng.
Pop, gana, gana-gana; [van een rups],
rambit.
Popelen [v. h. hart], erdebet-debet.
Poreus, merawang.
Porie, rawang (?).
Portemonnaie, perbeliten.
Portie, goegoeng; adjang.


PORTIER.
- 67 -
RADJA.
Portier, si moelka labah.
Portret, gambar[en].
Post [v. e. deur], sindi-sindi; [brieven-
post], pos; [ambt], pangkat.
Postuur, koela.
Postzegel, kepala radja (uit het Mal.).
Pot, koedin.
Poteling, semê.
Poten, merdang,
Potlood, potelot (Nederl.), mangsi.
Praat, tjakap-tjakap; [looze praatjes],
bahan-bahanen; gerantang; [laster],
tjekoerak.
Prachtig, merandal; getes oelina.
Praten, ertjakap-tjakap; ngerana.
Prauw, perahoe; seloe.
Predikant, toean pandita.
Prediken, noeri-noeri
Prent [plaat], gambarfen]; [afdruksel],
bekas; tapak.
Present [cadeau], loeah; piring-piring.
pemere.
Presenteerblad, tabak; pahar.
Pret, goero-goero.
Prettig, meriah, ’ntabeh, senang.
Prevelen, djoengoet-djoengoet; [ge-
beden —], nabas.
Prevelgebed, tabas.
Priem, temper.
Priester [heidensch — ], goeroe.
Prijs [waarde], erga; [lof], poedjïn;
[buit], tabanen; op — stellen, koe-
ergaken (ngergaken); koepalar (ma-
lar).
Prijzen, koepoedji (moedji).
Prikkelbaar, merambit, merimes.
Prïkkelen(d) [op de tong], meser;
[in de keel], meroesam; [voor oogen
en neus], mesengal; [van reuk]
mesenggang.
Prikken [van muggen e. d.], ikarat
(’ngkarat); [met iets scherps ergens
insteken], koèratjak (ngeratjak);
[bij vaccineeren], koetjongkil
(’ntjongkil).
Priktol, gasing.
Principaal, soekoet.
Prins, radja, anak radja.
Prinses, poeteri.
Probeeren, koetjoeba (’ntjoeba); koe-
oedji (ngoedji); koeoendjoen
(ngoendjoen).
Proces, ranän.
Proclamatie, permomön.
Proclameeren, ermomo.
Product [v. h. veld], oelih; [v. eenig
werk], bekas.
Proef, pengoedjin; tiliken; op de
proef stellen, ertilik.
Proeven, koetjetjap (’ntjetjap).
Profeet, napbi.
Profijt, oentoeng.
Prop, sompel.
Protesteeren, koesimbak (nimbak).
Proviand, bekal.
Pruilen, mesoengoet; djoetdjoet; [v.
kleine kinderen, lastig zijn], me-
senge.
Pruim, soentil; [toebereide sirih-
pruim], belo kinapoer; [uitgekauwde
pruim], tjepah.
Pruimen, ersoentil; man belo.
Pruttelen, djoengoet-djoengoet.
Pudendum muliebre, teli; [verbl.],
apah, adjang.
Puik, kepala.
Puilen, djoentoel.
Puimsteen, aroenggisgis.
Pulst [gezwel, zweer], bareh; [kleine
puistjes], roetoe; [vurige puistjes],
djerewat.
Puistig, meroetoe.
Punt, oedjoeng, tampoek; badjak;
op 7 punt zijn, naroes; moeatna.
Puntig, melantjar,melanggir;tendjoen,
tëndjoeng, toendjoeng, tentjoek;
[— uitloopen], mëntjoer, melan-
tjoek.
Put, telagah.
R.
Raad [raadsvergadering], balë, kera-
paten.
Raadgeving, adjaren.
Raadplegen, koesoengkoen (noeng-
koen); koesoekoetken (ersoekoet-
ken), [een wicheltafel —], koeogë
(ngogë); koetitik (nitik).
Raadsel, koening-koeningen.
Raak, kena; [bij sommige spelletjes],
antik.
Raam [venster], pintoên perik; [van
Eur. huizen], djendela.
Raat, tjambang.
Rad, roda.
Rad [snel v. spreken], maler tjakap[na].
Radeloos, toel oekoer; medjelpa.
Raden, [een raadsel oplossen] koe-
eteh (meteh); [waarschuwen], koe-
loembaken (ngeloembaken).
Radja, radja, sibajak, pengoeloe.


RAFELEN.
68
REPETEERGEWEER.
Rafelen, koesese (nesë).
Rag, santo.
Rakelings, ’ndeges, ’ndelges.
Raken, kena; koekenaï (ngenaï); [door
een raak gezegde: op zijn kop slaan]
koepangkeh (mangkeh).
Ram. badjar.
Ramboetan, ramboeten.
Ramen, koeagak (ngagak).
Raming, roendingen.
Rammelen, erderang.
Ramp, banga, mara.
Rampzalig, tjilaka, bene._
Rand, tepi, doeroe; biber; pepe; [— van
franje om een kleed], ketang-ke-
tang.
Randjoe. ranjljo, batjer.
Rang, pangkat, djabaten, djabat-dja-
baten.
Rangschikken [naar kleur enz.], koe-
tjelo-tjeloken (’ntjelo-tjeloken).
Rank [v. e. olant], djoloer, lata.
Rank [slank], melajah, melipoer.
Ranselen, koebalbali (malbali).
Ransig, mangir.
Rantsoen [losprijs], teboes; [portie],
goegoeng.
Rap, ’mboelajat.
Rapen, koedjimeti (’ndjimeti).
Ras [geslacht], bangsa; biak.
Rasp, koekoeren.
Rasterwerk, djadjar, djarikdjak.
Rat. mentji; [bamboerat], ’mpedi;
[soort marmot?], ’nggaroem.
Ratelen, ngarngar.
Rattenval, soenggapit, ragoem.
Rauw, matah.
Ravijn, kelboeng, embang, loehoeng.
Ravotten, erbebë, roempil, ergoempil.
Razen [van heet water], gedjek.
Razend, merawa, gila.
Reaal, serpi mehoeli.
Rebelleeren, koesimbak (nimbak).
Recht [niet krom; en fig.],pinter; be-
toel; boedjoer.
Recht [het recht], oekoem, oekoemen;
[billijkheid], djoedjoer.
Rechtbank, bale; kerapaten.
Rechten, ngeroenggoe.
Rechtens, arah djoedjoer.
Rechter, si ngeroenggoe; pengoeloe.
Rechter [tegenover linker], kemoe-
hoen.
Rechtop, tëger.
Rechts, arah kemoehoen.
Rechtsch, kemoehoen.
Rechtsehapen, boedjoer, benar.
Rechtsgeding, ranän.
Rechtspraak, roenggoên.
Rechtspreken, ngeroenggoe.
Rechtstreeks, pinter; tepet-tepet;
[zonder ergens aan te doen door-
gaan], ermantas.
Rechtsvordering, ido.
Rechtuit, pinter, teroes, neroes.
Rechtvaardig, boedjoer.
Rechtzaak, ranän.
Reciteeren, noeri-noeri; [een verhaal
omtrent iets], erdjaga-djaga; [een
formulier], ermangmang.
Redden, koesampati (nampati).
Rede [denkvermogen], oekoer; [toe-
spraak], tjakap.
Reden, sabap.
Reede, laboehen.
Reeds, enggo.
Reeks, teran.
Reet, renggang-renggang.
Regeeren, koeradjaï (ngeradjaï); koe-
gemgem (’nggemgem).
Regeering, keradjan, gemgemen.
Regel, atoeren; [gewoonte], bitjara,
basa; [rij], teran.
Regelen, koeatoerken (ngatoerken);
koedjoedjoerken ('ndjoedjoerken).
Regeling, atoeren, djoedjoeren.
Regelmatig, seri, seroeman.
Regen, regenen, oedan.
Regenachtig, peroedan oeari; paler.
Regenscherm, saoeng; pajoeng.
Regentijd, paksa oedan.
Reiger, si gedang kerahoeng.
Reiken [naar iets —], koedjaka ('ndja-
ka; [voldoende zijn], sêh.
Rein, mehoeli.
Reinigen [het haar —], erpangir; [het
lichaam], moeang doenoet; [vaat-
werk —], koeloeso (ngeloeso); [klee-
ren —], koetaptapi (naptapi); [een
wond —], koeboerak (erboerak).
Reis, perdalinen.
Reisgeld, belandja.
Reisgenoot, teman erdalin; sidalinen.
Reiskosten, belandja.
Reisvaardig, sikap.
Reiszak, kampil, soempit.
Reizen, niar-niar, erdalin-dalin.
Rek [vlierinkje], para, para-para;
[staand — voor het drogen v. maïs],
torongen; [— voor het drogen der
rijstbossen], tjambang-tjambang.
Rekbaar, mëndat.
Rekel [reu], sangkar.
Rekenen, koekira (’ngkira); erkira.
Rekening, kirän.
Rekken [zilverdraad uitrekken], narik;
ngelioe; [iets oprekken], koepoe-
kang (moekang); [een verhaal — ],
koepegedang (pegedang).
Relaas, toeri-toerïn.
Relletje; eert — maken, pioe-pioe.
Rennen, kiam; [van paarden op een
wedren], erloemba (uit het Mal.).
Rente, boenga; anak.
Repareeren, koepekalo-kalo (pekalo-
-kalo).
Repeteergeweer, peterom (van het
Nederl, patroon?).


RESIDENT.
- 69 -
ROMMELZOO.
Resident, toean rësidën, toean besar.
Rest [van eten; overschot], iba; [on-
verdeeld overschot], roedji.
Resteeren, riba, tading.
Resultaat, bekas.
Retour, moelih.
Reu, sangkar.
Reuk [geur], baoe; [spec, aangename
—], riem; [reukzin], penganggeh;
[fig. als „in een kwaden reuk”],
entjeng.
Reukwerk, si meriëm-meriëm.
Reus [in de verhalen], si pitoe depa.
Reusachtig, kegalangen.
Reuzel, minak babi.
Revolver, pëstoel.
Rhinoceros, badak.
Rhlnoceroshoorn, soengo.
Rib [been van het lichaam], rangrang;
[dakrib], roesoek; (ook: Mal.?) kaso
[dit vooral v. d. tabaksschuren e. d.].
Richel, takah.
Richten [een geweer], koerentang
(ngerentang); [zich — tot iemand],
koedahi (’ndahi); [zich naar iets—,
begeven], koetandangi (nandangi);
.[het gezicht — naar], koealaken
(ngalaken).
Richtig, toehoe.
Richting, arah, empak; toedoe; pe-
ngala.
Ridderorde, bintang.
Rieken, ’mbaoe.
Riem [van leer, voor ’t spannen van
de trom], tarik; [buikriem], gen-
dit; [roeiriem], kajoeh.
Riet, [soorten:] sanggar, beski, rengo
• [dit laatste echt „riet”, veel aan de
oevers der Lo Biang].
Rij» teran ; bandjar.
Rijden [te paard], ngersak [koeda];
[i. e. wagen], ergareta.
Rijgen, koetoestoesi (noestoesi).
Rijk, bajak.
Rijkdom, kebajaken, kinibajaken;
emas; erta-erta.
Rijkelijk, mesiboek.
Rijksdaalder, serpi (ringgit) belanda.
Rijp, tasak; [van de rijst ook:] me-
toea, gersing; [van vruchten als de
galiman], 'mberno.
Rijpen [overg.], koepetasak (petasak);
koekeramken (’ngkeramken); [bijna
rijp zijn v. d' rijst], rajo-ajo.
Rijst, page; [ontbolsterde—], beras;
[gekookte —], nakan; [enkele on-
gebolsterde korrels onder de ge-
stampte], betah-betah.
Rijstkorrel [om te zaaien], benih;
[v. gekookte rijst], rimah.
Rijstplant(jes) [zoogen. „bibit”],
rengkat.
Rijstplanten [op droge velden], mer-
dang; [in sawahs], noean.
Rijstschuur, keben, perkebenen,
sapo, loemboeng, mandah.
Rijststampen, noetoe.
Rijststamper, laloe.
Rijststampblok [en — gebouw], le-
soeng.
Rijststroo, ’nggala.
Rijstveld [droog —], djoema, djoema
toehoer, djoema daraten; [bevloeid],
sabah, djoema sabah.
Rijstvogeltjes, perik; pidoek.
Rij st wan, 'ndiroe.
Rij st water •_ kandji.
Rijtuig, gareta.
Rijweg, pasar.
Rijwiel, garëta angin.
Rijzen, nangkih.
Rijzig, melajah.
Rijzweep, pertaka.
Rillen, girgir.
Rimpel [in het gelaat], ringoet.
Rimpelig, meringoet; rendoek; [van
de huid van oude menschen], rikan-
-ikan.
Ring [om den vinger], tjintjin; [om
den pols], gelang; [halsring], koe-
lang-koelang; [neusring v. buffels],
keliker; [om het heft v. e. mes],
langgoe.
Ringvinger, djari mamis.
Ringworm, koerap.
Rinkelen, erdeting.
Risten, koeperoesi (meroesi).
Rits, rep.
Ritselen, erderis, erderoes; erderep.
Rivier, lajo, laoe, lo.
Riviermond, koeala.
Rochel, kahak.
Rochelen, moengkoer-oengkoer.
Roeien-, erkajoeh.
Roeischuit, seloe; perahoe.
Roeispaan, kajoeh.
Roekeloos, melantar.
Roemen, koepoedji (moedji).
Roemrijk, terberita, termoermoer,
teranggoer.
Roepen, koedilo (’ndilo); erdilo ; koe-
elboeh (ngelboeh); relboeh.
Roer, kemoedi (Mal.).
Roerloos, djeneh.
Roest, te-m-besi.
Roesten, te-besïn.
Roet, te-m-para.
Rog, pari.
Rol, goeloeng; [wals], djintera.
Rollen, goeling; delang; megoelang.
Rommel, rommelig, rontäng, boeng-
kar.
Rommelen [ergens in —], koegargari
(’nggargari); koeboengkar (moeng-
kar); koeongkam (ngongkam); [v.
d. donder e. d.], tager ;S[v. d- buik],
geroedoek.
Rommelzoo, rëwa-rewa.


ROMP.
- 70 -
SAMENGAAN.
Romp [v. dieren vooral; ook het eig.
lichaam v. e. trom], baloeh.
Rond [bolrond], kiboel, bolat; [cirkel-
rond], metjengkë.
Rondas, otar-otar.
Ronddolen, ladjang; ranto ; niar-niar.
Ronddraaien, ergening; [zeer snel
— v. e. tol], pendeh.
Rondgaan [bijv. v. e. sirihzak], er-
dalin; [overg.], koesiari (niari)’
Rondloopen [verwilderd — v. vee],
djalang; [doelloos —], kelato.
Rondom, ^kelëwet; rondom insnijden,
koegelir (’nggelir); [overal], idja pa pë
Rondventen, koedjadja (erdjadja).
Rondzwerven, niar-niar, ranto, ke-
lato.
Rood, megara.
Roodgloeiend, merara.
Roodkoper, tembaga.
Roodvonk, djaba-djaba ?, raba-raba ?
Roof [diefstal], emo; [korstje op een
wond], kerang, lingkerang.
Roofvogel, koeliki, radjawali; [my-
thische —, in verhalen], manoeksi
goerda-goerda.
Rook, tjimber, geboek; [een groote
hoop], loekoeten.
Rooken [tabak], ngisap; [opium], er-
madat^ [iets in den rook hangen],
koesale (nalë).
Room, minak[na].
Roos, boenga mawar (uit het Mal);
schilfers op het hoofd], toertoer.
Roosteren, koetoetoeng (noetoeng),
koepanggang (manggang).
Rooven, koereboet (ngereboet); koe-
emo (ngemo).
Roover, kalak pemangoes.
Ros, koeda.
Roskam [v. e. klapperdop], soedoe.
Rot [rat], mentji.
Rot [verrot], matjik, boeroek, moden.
Rotan, ketang; [dikke soorten —:]
’mbelno, goeang-goeang.
Rots, batoe.
Rotskloof, loehoeng.
Rotswand, tingling.
Rotting, ketang; [een stok van —],
soemamboe.
Rouwklagen, ngandoeng.
Ruchtbaar, manggoer-anggoer, ter-
berita.
Rug, goeroeng; [— v. e. mes, en rug-
zijde], toendal; met den rug ge-
keerd naar, koetoendalken (noen-
dalken); met de ruggen tegen
elkaar, petoendal-toendal.
Ruggegraat, [toelan] tenggoeroeh.
Ruggesteun, penoendalen.
Rugleuning, toendalen.
Ruggestuk [spier langs den rug, van
een slachtbeest], lemboesir.
Ruien, moepoe.
Ruig [langharig], medjaboet.
Ruigte, peren.
Ruiken, koeanggeh (nganggeh).
Ruilen, koepetoekar (petoekar); koe-
sambar[i] (nambar[ij).
Ruim, longgë ; [ruim zitten], longgar;
[te ruim], longkang; [uitgestrekt],
melambas; [van uitzicht], salang.
Ruimte [— onder het huis], teroeh
karang; [tusschen twee huisstijlen],
roeang.
Rutschen, erdeso; erderoes.
Ruiten [in het kaartspel], retim. *
Ruiter, kalak ngersak koeda.
Rukken, koesintap (nintap), koesin-
tak (nintak), koerintak (ngerintak).
Rukwind, kalisoengsoeng.
Rul, megaboer.
Rumoer, goentar, gedjek.
Rund, lemboe.
Rundvet, minak tjapi.
Rups; soorten zijn: katimoekmoek;
ketadoe, keltah; api-api.
Rust, pengadtn.
Rustbed, peratas.
Rustdag, oeari peselangken; oeari
reboe.
Rusten, ngadi.
Rustig [vreedzaam], koekoet, teneng.
Rustplaats, pengadi-ngadin.
Ruw, meregen, merisi, segar; [ruw-
bewerkt, vezelig v. hout], ’mboet-
boet; medjagoet; [fig.], kasar, me-
djantoer; [wreed], megasgas.
Ruzie, roebaten, dawa.
s.
Saai [van iemands spreken], medëngat.
Sabel, pedang.
Sago, sagoe.
Sagopalm, roembia.
Salamander, ilik.
Salaris, gadji.
Salpeter, sira sindawa.
Samen, ras; roet; radoe.
Samenbinden [een draagvracht — ],
koeketer (’ngketer).
Samenbrengen, koepepoeloeng (pe-
poeloeng); koepetoemboek (pe-
toemboek).
Samengaan, ras; sidalinen.


SAMENKOMEN.
- 71
SCHERTSEN
Samenkomen, poeloeng; erdemoe;
toemboek.
Samenkomst, perpoeloengen.
Samenloopen [van allerlei omstan-
digheden], ridoek.
Samenroepen [oproepen voor een
gemeenschappel. werk], koeseraja
(neraja).
Samensmelten, koeleboeri (ngele-
boeri).
Samentrekkend, metjapet.
Samenvloeien, toemboek.
Samenvloeiing, pertoemboeken,
perdemoên, koeala, kinangkoeng.
Samenzweren, ertaki, erpekat.
Samenzwering, pertakïn.
Sap, laoe, doeroeh.
Sappig, erlaoe, erlaoe-laoe.
Saroeng [kleed[, kampoeh; [een soort
scheede om de padoeng-padoeng],
saroeng.
Sarren, koeoeroe (ngoeroe); koegas-
gasi (’nggasgasi).
Satan, sëtan, sibelis; bëgoe gandjang.
Saus, koeah.
Schaal, koesa; pengalis.
Schaakbord, papan satoer.
Schaal [van een schaaldier], lambak;
[bord], doelang, tjapah, pinggan.
Schaamdeel, kemaloên; [mannel.—],
natoe; [vrouwel. —], teli.
Schaamte, mela.
Schaap, biri-biri.
Schaar, goenting; [pinangschaar], ka-
lakati; [knijper v. e. krab e. d.],
gambal.
Schaarde, schaardig, toebing;
[kleine schaarde], poepoer; [groote
—], toelpang.
Schaarsch, mahal, merakrak.
Schade, roegi, tewas, bolok.
Schadelijk, lit tjedana; pantang.
Schadeloosstelling, aboel, tjatjat.
Schadevergoeding = schade-
loosstelling.
Schaduw, tjelinoeh; awih; [lommer],
linggem.
Schaduwrijk, linggem, melindoeng.
Schakel, mata; boekoe.
Schakelnet, dotan.
Schaken [een vrouw —[, koepa-
ngoesken (mangoesken); [schaak-
spelen], ersatoer.
Schamen [zich —], mela.
Schampen, tjëloes.
Schande; te — gemaakt, soesoet.
Schans, koeboên.
Schat, erta; erta-erta.
Schaterlachen, tawa.
Schatten, koeagak (ngagak); koetak-
taki (naktaki).
Schatting [taxatie], taktaken, roen-
dingen; [belasting], tjoekë, hasil.
Schedel, takal-takal; berkoe-berkoe.
Schedelhuisje, geriten.
Scheede, semboeng; [vrouwel. —],
lapang titik.
Scheef, nider (sider); [m]iring;_sëring,
seding; [— v. d1 mond], mëhoeng.
Scheel, djëling, djëring.
Scheen, bites.
Scheet, kesoet.
Scheiden sirang; [overg.], koesirang-
ken, (nirangken); [vechtenden —J,
koetelahi (nelahi); [v. e. vrouw],
moelih.
Scheiding [v. h. haar], tjibelah.
Scheidsrechter, pengoeloe.
Schel [belletje], giring-giring, genta.
Schel [v. geluid], pinger mersik; [v.
licht], mesilo.
Schelden, koeoeroe-oeroeï (ngoeroe-
-ngoeroeï).
Schelp [waarvan men kalk brandt],
boear-boear.
Schelpdier, tjih, kerang, katjoenggi,
tiram.
Schemer, singgep gelap.
Schemerachtig, mehelhel
Schemeravond. bên, karabên.
Schenden, koetjedaken (’ntjëdaken);
koeliami (ngeliami).
Schenken [uitgieten], koetjoerahken
(’ntjoerahken); [bij kleine beetjes],
koeilingken (ngilingken); [geven],
koeberëken (merëken).
Schenkkan, [fraaie —, voor palm-
wijn], kitang; [gewone], kandi-
-kandi.
Scheplepel, sendoek; [spec, voor
rijst], oekat.
Schepnet, doeroeng, soejoek.
Scheppen [opscheppen v. d. rijstl,
koeoekat (roekat); [doen worden],
koedjadiken (’ndjadiken); [formee-
ren], koetembe (nembë).
Schepping, kedjadin; [het heelal],
si nasa lit.
Schepsel [de mensch], ginargar, gi-
noee, minik-minik.
Scheren, ergoenting.
Scherf, taper-taper; sanga-sanga;
senggajah.
Schering, sawen.
Scherm, saoeng, pajoeng.
Schermen, ermajan dikar.
Schermmeester, pendikar.
Scherp [van messen e. d ], telap; [op
de tong], meser, mesiak; [bijtend
voor oogen, neus], mesengal, me-
senggang; [van het gezicht], me-
sinting; [van het gehoor], meting-
gel; [van woorden], metadjem.
Scherpen, koetelapi (nelapi).
Scherts, djagar.
Schertsen, djagar-djagar; [over iets
niet au serieux zijn], koekanam-
-kanami (’ngkanam-kanami).


SCHEUR.
— 72 —
SCHRIFT.
Scheur, regat, rigat, renggang-reng-
gang.
Scheuren [onovergj.merigat; [overg.l
koerigatken (ngerigatken), koetja-
ing (’ntjaïng); koerirak (ngerirak);
[—, trekken], koeroentoen (nge-
roentoen); [v.pijn], nentap-nentap.
Schichtig, 'mbiar; taramen.
Schieten, koebedil (medil); koetim-
bak (nimbak); [voortschieten, als
een slang], erkëntjer.
Schietspoel, toeldak.
Schijt, pertandän.
Schijfschieten, ertanda.
Schijnen [lijken], roepana; [van de
zon], ernala; [v, e.lamp ook:], gara.
Schijnsel, kinalsal, sinalsal; gara,
terang.
Schijten, tjiret.
Schikken, koeatoerken (ngatoerken).
Schil, koelit, laklak.
Schild, perise, ampang-ampang; otar-
-otar.
Schilderen [een huis met figuren be-
schilderen], koegergaï (’nggergaï);
[verven met verf of teer], koebo-
long (molong).
Schilderingen [op de dapoer-dapoer
van een huis], gerga.
Schildpad, lêbo, baning, garap, teng-
girep.
Schildwacht, kawal; kalak djaga.
Schilfer [van hout, spaanders e. d.],
empak-empak; [huidschilfer], toer-
toer, kalintoertoer.
Schilferen, metoertoer.
Schillen, koekoeliti (’ngkoeliti); [een
boom —], koelekar (ngelekar); koe-
laki (ngelaki).
Schim, begoe
Schimmel, lapoek.
Schimmelen, schimmelig, lapoe-
ken.
Schimpen [op iem. —], koeïsakken
(ngisakken).
Schip, kapal; perahoe.
Schipbreuk [— lijden], karam, tom-
bang.
Schipper, nakoda.
Schitteren, erkilat-kilat, milar-ilar,
rendihawa, merlap-erlap.
Schoeisel, soelampak.
Schoen, soelampak; tjepatoe.
Schoffel, kiskis.
Schoffelen, koekiskis (ngiskis).
Schoft [schouderstuk], kajo.
Schokken [geschokt worden], teran-
toek; [overg.], koedeger (’ndeger);
koedoegoer (’ndoegoer).
Schol [groote aardkluit], goelbak.
Scholier, adjar-adjar, si ’nggoeroe;
anak sekolah.
Schommelen, molah-olah, djemolah,
djemolë; monggal-onggal.
School, sekolah, roemah sekolah.
Schoolgaan, ersekolah.
Schoon, mehoeli, merandal; [van den
grond], mesai.
Schoonbroeder, silih, peribän.
Schoondochter, permain.
Schoonmaken, koeboerihi (moerihi);
[wapens —], koemambo (mambo).
Schoonmoeder, mami, bibi.
Schoonvader, mama, bengkila; ka-
limboeboe, adjinta.
Schoonzoon, kela.
Schoonzuster, ëda; toerangkoe.
Schoot, ampoenen (ampoên), abin-
-abinen; [van een kleed, om iets
in te dragen], keldoengen.
Schop [spade], tjoedoek.
Schoppen [achteruit — ], koetoekoel
(noekoel); [van een paard], ipa-
dit (madit); [naar voren], ko^ipak
(nipak); [tegen de schenen], koe-
lajang (ngelajang); [tegen het li-
chaam], toerandjang; [met de wreef
van den voet, als bij sommige spel-
letjes], ersoelpak.
Schoppen [in het kaartspel], seko-
pong.
Schor, pero.
Schorpioen, katjip gelang; [het ster-
renbeeld], kala.
Schors, laklak.
Schorsen [een strijd —1, koepegeng
(megeng).
Schot [geluid], sora bedil; [afschei-
ding], belat.
Schotel [bord], pinggan; [groote van
hout, of v. rotan gevlochten], tja-
pah, doelang; [grendel], eroek-
-eroek.
Schots; schots en scheef, boerbar;
mëhoeng-mehoeng.
Schouder, bara.
Schouderblad, tjoean-tjoean.
Schouderdoek [over één schouder
hangende], oeïs kadang-kadangen;
[om de schouders geslagen tegen
koude], tjabin.
Schraag, kalang.
Schraal [van den grond], [taneh]
tengginng, ’ndoergis; megas.
Schram, roro.
Schrander, tjerdik, keras.
Schrapen, koealis (ngalis); [zijn keel
schrapen], ragam.
Schrappen, koelislis (ngelislis); koe-
keroes (’ngkeroes).
Schrede, tingkah, djingkang.
Schreeuwen [van pijn e.d ], 'nder-
koeh, ’nderko, serko;[een keel op-
zetten], ngakngak, perak; [juichen],
ersoerak.
Schreien, tangis, ngandoeng.
Schriel, mediker, kedik, kedit,poeloek.
Schrift, soerat.


SCHRIJDEN.
- 73
SLAPERIG.
Schrijden [langs of over iets—], koe-
djingkangken (’ndjingkangken).
Schrijlings [— op iets zitten], nger-
sak.
Schrijnen(d), nangis.
Schrijven [onoverg,], noerat; [overg.]
koesoeratken (noeratken).
Schrikken, tersengget.
Schroef Jmetalen schroefje], gerit;
[schroefdraad], pelir; [van de haan
van een geweer], padalajam.
Schroeien [onoverg.], meseng, ra-
ngoes; [overg.], koetoetoeng (noe-
toeng); koesengsengi (nengsengi).
Schroevedraaier, oengkë, peroeng-
ke.
Schrokken [als een hond e. d.],noel-
kapi.
Schrokkerig, rangap, metobar; me-
lobar.
Schroomvallig, mehangke.
Schub, sisik.
Schudden [beven], moegoer-oegoer,
moejoeng-oejoeng; [van een vloei-
stof], montjak-ontjak; [overg.], koe-
deger (’ndeger); koeodek (ngodek);
[met het hoofd], koekoepirken
(’ngkoepirken); pëwal-pëwal.
Schuifelen [van een slang], djoloer;
[geluidnabootsing], erdedjar.
Schuilen ]voor den regen], tjitjio;
[voor de hitte], tjilinggem; [onder
iets], tjimoetjoek; [in het alg. schui-
ling zoeken], 1 jiligeni.
Schuilhouden [zich —], tjeboeni.
Schuim, oegoep.
Schuin [vuil], tjaram, ’nggesoeh;
[scheef], sedjng, nider; [van den
hoofddoek], sengging; [overhangen
van een boom], mandë.
Schuit, perahoe.
Schuiven [opium], ermadat; [wegdu-
wen], koedjemba (’ndjemba); koe-
rimba (ngerimba).
Schuiver [opium], permadat.
Schuld, oetang; salah.
Schuldeischer, peroetangen.
Schuldenaar, peridón.
Schuldvordering, ido.
Schuren, koegoesgoesi (’ngoesgoesi).
Schurft [van dieren], darang; [van
menschen], koedil, koedis.
Schurftig, darangen; koedilen.
Schutblad [bij bamboe], lawak; [bij
palm bloesem], oepih. ,
Schutter, pemëtar.
Schutting, bide.
Schuur [voorrijst], keben, sapo.loem-
boeng, mandah; [droogschuur voor
tabak], bangsal; [fermenteerschuur],
goedang.
Schuurpapier [waarvoor men het
blad van de terep — Artocarpus
elastica — bezigt], pelas.
Schuw, ’mbiar; taramen; [lichtschuw],
mesilo.
Scrotum, katoel-katoel.
Sedert, kentja; [i] ... nari.
Sein, perloemba.
Seinen, erloemba.
Seizoen, paksa.
Sesam, lenga.
Sidderen, girgir.
Sieraad, erta-erta.
Sigaar [inl.], isap. isapen; [Eur,], tje-
roet.
Sigarenasch, abam, aboeng.
Signaal, perloemba.
Sijpelen, tjires; ’ndermes.
Sik, mise.
Sikkel [maaiwerktuig], sabi-sabi
[krom grasmes], sabit.
Sinds = sedert.
Sirih, belo.
Sirihpruim, belo kinapoer.
Sissen [van olie in een braadpan],
koeritik; [van water in 't vuur],
tjeng, erdetjeng.
Sits, tjit, tjita.
Slaaf, kawan.
Slaan, koepekpek (mekpek); koebal-
bal (malbal); [met de vlakke hand],
koeparap marap); [met de vuist],
koetindjoe (ertindjoe).
Slaap, toendoeh, pertoendoeh; [van
het hoofd], pipi.
Slaapplaats, perpedemen.
Slachten [een kip e. d.], koegeleh
(’nggeleh); [een hond], koetampoel
(nampoel); [een varken], koetebak
(nebak); [een rund, een buffel], koe-
pantem (mantem); [op Moh. wijze
vee slachten], koesembelih (nem-
belih).
Slachtolfer [bloedig offer], pemangka.
Slachtpaal, kalaren.
Slag [klap], parap; [geluid], sora.
Slagen, djadi, soeroeng, sahoen.
Slaghoedje, këp, tembaga.
Slagtand, sawit.
Slagveld [strijdperk bij het „bengket
salep”], pengelëbaten.
Slak [huisjesslak], te-m-bintang; [ge-
wone —], oehoer-oehoer (?).
Slakkengang; een — gaan, moe-
hoer-oehoer perdalanna.
Slang, nipe; (soortenj nipë sawa, ni-
pë oepar. nipë sorë, niperatah, ni-
pë boelan, nipe si embah kakana).
Slangengif, bisa.
Slank, melajah.
Slap, rendoek; [v. d. borsten], kesip;
[v. werkzaamheden], longgë.
Slapen, toendoeh, medem; [van een
lichaamsdeel], penggingen, ngam-
piren.
Slaperig, badat mata; moendoek-oen-
doek.


SLAVERNIJ.
— 74
SNEL.
Slavernij, perkawanen.
Slecht, latlat, ilat.
Slechts, kentja, ngentja, nari.
Sleepen, koesaren (naren); jhout—]
koerintak (ngerintak).
Slenteren, medak-ëdak; gedak-gedak.
Slepen, karing-karing.
Slet, beroe djalang.
Sleutel, anak koentji.
Sleutelbeen, selodang-selodang.
Slib, koebang, boetak.
Slijk, koebang, boetak, tjinah.
Slijkerlg, koebang (erkoebang), le-
tjah-letjab.
Slijm [dat men ophoest], kahak; [bij
kleine kinderen, als zij kwijlen],
tehteh; [van palingen e d.], linder.
Slijmerig, melinder.
Slijpen, koegaroet (’nggaroet).
Slijpsteen ]draaiende —], tjanë;
[grove —], garoet; [fijne —],
poengga.
Slijten [venten], erdjadja; [afslijten,
versleten], mawes, rompas.
Slik — slijk.
Slikken, koetelin [-telen] (nelin, ne-
len); koebendoet (mendoet).
Slim, keras, bidjak
Slinger [werpwerktuig], kalimbawang.
Slingeren [met een slinger], koeka-
limbawangken (’ngkalimbawang-
ken); [met de handen], ngodak;
ngodak-ngodak; [schommelen], mo-
lah-olah, djemolah, djemolë.
Slingerplant, oearen.
Slinken, lesles, lesek, lehleh; [van
een gezwel], kesip.
Slippen, selpat; [uitglijden], tjeloes.
Slok [één —], si-m-belgoek, si-n-telgek.
Slokdarm, teldan (?).
Slokken, koebelgoek (’mbelgoek).
Sloopen, koerontasfken] (ngerontas-
[ken]).
Sloot, parik.
Slordig [— afgewerkt], meroegoet;
[in zijn werk], ngerboes; [in Wee-
ding enz.], djerboe, koerba.
Slorpen, koesiroep (niroep).
Slot [sluiting], koentji; [van een ge-
weer], pëtjoe; [einde], pendoengi,
doeng[na].
Sloven, poekpoek.
Sluik [v. haar], lepat.
Sluipen, noeroek, noesoek, ’nggarang,
'nggepa.
Sluipgat, pinoesoe, tjihoer.
Sluiten [dichtdoen], koetoetoepi (noe-
toepi); [de deur —], koepintoeï(min-
toeï); [met een slot], koekoentji-
[ken] ('ngkoentjijken]); [op elkaar
sluiten], tangkoep; [goed sluitend],
pajo, sendeng.
Slurf, boelëlë.
Slurpen = slorpen.
Sluw, ’mbitjoek.
Smaak [zintuig], pentjetjap; [— van
iets], nanam.
Smaakloos [van water], tawar; [flauw
van spijzen], melantjë; [van sirih-
kalk], malap; [van tabak], la ’ntabeh.
Smakelijk, ’ntabeh, ketoe, meketket.
Smaken [overg.], koenanami (ngena-
nami).
Smakken [neerwerpen], koeempas
(ngempas); [met den mond], koel-
tjap; [idem, bij ’t hooren van iets
bedenkelijks], koeltjipen.
Smal, sepit, pitjet, la ’mbelang; [v. e.
weg], kitik; [smal in ’t midden].
kelting._
Smart, ate mesoeï.
Smarten, mesoeï ate.
Smeden, koetepaken (nepaken); [een
schaardig mes weer goed —], koe-
titipi (nitipi).
Smeedkool, arang.
Smeedtang, angkoep.
Smeeken, mekeskes pemindo[na],
[letterl. met aandrang (zijn) vra-
gen] ; [de góden —], ertoto; koe-
totoken (ertotoken).
Smelten [onoverg], meleboer; [van
olie of vet, die gestold waren],
medak: [overg,], koeleboer (ngele-
boer).
Smeltkroes, sanga-sanga
Smeren [glad maken met olie], koe-
linderi (ngelinderi); [inwrijven],
koealoeni (ngaloeni); [met lijm, pek
e. d.), koedaleh (’ndaleh); [met
verf], koebolong (molong).
Smerig, boengoes, ’mbiring; [ook van
taal], ’nggesoeh.
Smetten, rihrihen.
Smeulen, seboên; [heel laag branden
v. e. lampje], mehelhel, medik-ëdik.
Smid, pandë, pandë besi.
Smidse, perpandën.
Smijdig, medate, medalit.
Smijten - gooien.
Smoorheet, ngisah.
Smoren, tjekak; [iets gaar stoven],
koebenemken (?).
Snaar [v. e. viool e. d.], dekoeng.
Snakken [naar lucht —], mengkap-
-engkap, menggak-enggak; [van
visch in bedorven water], noelkam.
Snaphaan, bedil.
Snappen [happen], talkoep.
Snauwen [tegen iem.], koesergangi
(nergangi), koeperngasi (merngasi).
Snavel, toebi.
Sneb, toebi.
Snedig [van een gezegde], nergi (van
sergi).
Snees, kodi [alleen v. naalden].
Snel, meter, pedas; [als uitroep], ko-
tep, kotes!


SNELSTROOMEND.
75 -
SPINT.
Snelstroomend, metêr, deras (’nde-
ras).
Sneu, tersoelsoel; iem. sneu behan-
delen, koesoelsoeli (noelsoeli).
Sneuvelen, mate ibas perang, poeng-
goer.
Snijden» koekeret (’ngkeret),koegetap
(’nggetap); koesajat (najat); [figu-
ren —koeoekir (ngoekir); [padi-
—], koeketam (ngetam); koesabi
(nabi).
Snijdend [v. pijn], ngënter.
Snijwerk, oekiren, loekis.
Snikken, sembep-sembep.
Snip, boertjit (?)
Snoeien = afhouwen.
Snoer, rantë; [halssnoer], sengkoek-
-sengkoek, si mata, boera-boera;
[v. e. hengel], terter.
Snoeren, koerakoeti (ngerakoeti).
Snoet, intjoem.
Snoeven, lempoer kata.
Snor, goemis.
Snorken, mengker.
Snot, imen; [dikke —], sengseng.
Snotterig, penengsengen.
Snuit, intjoem £ [v. kevers, olifanten
e. d.J, boelele.
Snuiten [den neus —], erkeseng.
Snuiven [ruiken], koeanggeh (ngang-
geh); [— van buffels, uit boosheid],
ngengkoes.
Snurken = snorken.
Soldaat, seridadoe.
Soldeeren, koepidjer (midjer).
Soldeersel [eig. borax], pidjer.
Som [geldsom], pangkal, pokok; emas.
Sommlge(n), dëba, lït...., lit si...,
sitengah.
Soms, sekali-sekali; soms. ..soms...,
sekali... sekali...; soeng.. soeng..
Somtijds, sekali-sekali.
Soort [genus], biak; bage (gew. er-
bagë); matjam (Mal.?); twee soor-
ten, doea erbagëna; in soorten,
erbage-bage.
Souvenir, [tanda] peringeten; [per-]
maneh-manehen.
Spaak [v. e. wiel], perkajoe.
Spaakloopen, soendat.
Spaander, empak-empak.
Spaarzaam [niet ruim], mangkar;
[sparen], ngoetip.
Spade, tjoedoek; tadjak.
Spalk, tjoeroe-tjoeroe.
Spalken [den mond open —], nganga;
[de oogen —], bendil.
Span [handspan], djengkal; [stel,
paar], djodoe; pasang.
Spannen [een strik e. d.], koetogeng
(nogeng); [strak aanhalen], koepe-
gesteng (pegesteng).
Spanning; in — zijn, tertekan-
-tekan.
Sparen, koeoetip (ngoetip).
Spartelen, keliting, ’nggoerapas, goe-
lase.
Spatten, bintjar, mestak; tjahar.
Specerijen, awas-awas, roemroemen,
si meriëm-meriëm, kesaja.
Specht, ampoek.
Speeksel, tjidoer; [van kleine kin-
deren], tehteh.
Speelgenoot, teman, arön ; [vrouwel.
speelgenoote v. vorstel, kinderen],
kandoe-kandoe.
Speelgoed, ajam-ajam, majam-ma-
jam.
Speelhuisje, perdjoedin ; [spec, voor
het rampah-spel], gadoeh.
Speelkaart, pako.
Speelschuld, oetang djoedi.
Speer, lembing.
Spek, tabeh-tabeh babi.
Spel, goero-goeron; [verschillende
spelletjes: voetbal, tipak raga;
spelen met een kuifbal, er to-
tal; soort van knikkerspel, er-
bitjik; het panta-spel, e r p a n-
t a; stokslaan, erkatinggal, enz.
enz.]. '
Speld, djaroem, paniti (Mal.); [lange
haarspeld], silik.
Spelen, ermajan-majan; goero-goero;
[— om geld], erdjoedi.
Speler, perdjoedi.
Spellen, koetengeni (nengeni):
Spenen, moelang.
Sperma, togos-togos.
Spichtig, me gas.
Spieden, ngirik-ngirik, ngandapi.
Spiegel, katja, tjermin; [klein spie-
geltje,tevens dikwijls tabaksdoosje],
taboeng.
Spiegelbeeld, awih.
Spiegelen(d), milar-ilar, melinang.
Spier, oerat.
Spiets, lembing.
Spietsen, koepantem (mantem).
Spijker, labang.
Spijs, nakan, pangän, panganen.
Spijt, pengakap, kadiola.
Spijten, erpengakap, erkadiola.
Spijzigen, koeberë (merë) nakan.
Spikkel, roentik.
Splkkelig, meroentik, tjaboer bin-
tang; [v. e. bepaald soort haan],
korek.
Spil, koentjir.
Spin, lawah-lawah.
Spinazie [soort — ], aroem.
Spinnen [garen —], nerka; [v. e. kat],
mengker.
Splnneweb, [asar] labah-labah,banto.
Spinnewiel, serka.
Spinrag, banto.
Spinsbek, soeasa, soeahsah.
Spint, limboe.


SPION.
- 76
STEENPUIST.
Spion [in den oorlog; verkenner],
perkakap; [in het algem.], mata-
-mata.
Spionneeren, erkakap, ngira-ngira,
ngirim-ngirim.
Spiraal (vormig), djëngkar, erlëng-
kar.
Spits [punt],tampoek,antjoek-antjoek;
[puntig], tëntjoek, tëndjoen.
Spleet, renggang-renggang.
Splijten, [onoverg.J, beka; [overg.],
koetaka (naka); koeïgar (ngigar).
Splinter [spaander], empak-empak;
[kleine —], binar; [doorn], tonggar-
-tonggar.
Spoedig, lampas, djengkas; [als uit-
roep], kotes, kotep.
Spoel, toeldak.
Spoelen [den mond —], tjiroekroek.
Spook, begoe, [h]antoe.
Spookachtig, medjin.
Spoor [v. e. haan], tadi; [vechtspoor],
tadji; [indruk], bekas; [spec, van
hand of voet], tapak; [door wild
gebaand oad], denë, lapang; [door
lang gras], limbas.
Spoortrein, gareta api.
Sport [van een ladder], tangga.
Spotten, ngoeroe.
Spraak [— vermogen], pengerana;
[taal], kata.
Spraakzaam, ’mbatjar.
Sprakeloos, la ngaloï, pekak.
Spreekwoord, oempama, ’ndoeng-
-’ndoengen.
Spreeuw, kioeng,
Spreiden, koekimbangken ('ngkim-
bangken).
Spreken,ngerana, ertjakap, soemekah.
Sprengen, koepirpiri (mirpiri).
Sprengkwast, perbasbas.
Sprenkelen, masbas; koepirpiri (mir-
piri) ; koetjirtjiri (’ntjirtjiri).
Spreuk, oempama, koean-koeanen.
Springen, lompat; [barsten], petjah;
[met een slag — ], erdetang.
Sprinkhaan; soorten zijn: labang,
kirik, katir, katjinano.
Sproeien,koetjoertjoeri(’ntjoertjoeri).
Sproet [moedervlek], endeng.
Sprokkelen [brandhout zoeken], ki-
ranting.
Spruit, toenas, dombek; [spec, van
bamboe], toebis; [v. pisang, e.d.
aan den top], koentjir.
Spruw; de spruw hebben, dilamen.
Spugen, tjidoer.
Spuit, kertjek.
Spuiten, koegoemba (’nggoemba).
Spuug, tjidoer.
Spuwbak, pertjidoeren.
Spuwen, tjidoer.
Staaf [een — ijzer e. d.J, lawir (si-ng-
-kelawir).
Staak, tjiker.
Staal, badja, badjak, besi malëla.
Staaldraad, kawat.
Staan, tedis; teger, tjinder; djeneng,
djengdjeng, djekdjek; tandek; [gaan
—], këke; [op de teenen — ],tjing-
kal; [in erectie], tegangen.
Staar, pirik; aan — lijden, piriken.
Staart, ikoer; [v. vogels], lajoek; [v.
e. ploeg], tekan-tekan; [aan een
molenlje, een vlieger e. d.], djaloe-
-djaloe.
Staat [toestand], bangoen[na], ketji-
bal[na].
Stad, koeta.
Stadgenoot, sikoeta, sada koeta.
Stat [om op te leunen], tjiken; [too-
verstaf], toengkat, toengkat pana-
loean, toengkat malëkat.
Staken [tijdelijk ophouden], koelang-
langken (ngelanglangken).
Stal, karang.
Stam [v. e. boom e. d.], batang; [van
klimplanten], tawan; [geslachtseen-
heidj, merga.
Stamelen, beret-bereten.
Stampblok, lesoeng.
Stampen [rijst e. d.], koetoetoe (noe-
toe); [grof stampen], koepoekpoeki
(moekpoeki); [de eerste maal —],
milbili; [de laatste maal stampen,
waardoor de rijst fraai wit wordt],
ngatasi.
Stamper [rijst —], laloe; [— van de
bloem der pisang], goeal-goeal.
Stampvoeten, gondjih, goerdjih.
Stampvol [van veel menschen], sing-
kem.
Stamvader, nini.
Stamverwant, ersenina [v. gelijk-
slachtigen]; ertoerang [v. mannen
met vrouwen of omgek.]; sada bapa;
senini,
Stand [staat], ketjibal, bangoen; [rang],
pangkat.
Standaard [vaandel], pandji.
Stank, baoe (bo).
Stap, tingkah, djingkang.
Stapel, tamboenen; [v. rijst], pinoeh.
Stapelen, koetamboen (namboen);
minoeh.
Stappen, koelangkahken (ngelang-
kahken); koetingkahken (ningkah-
ken); koedjingkangken ('ndjing-
kangken).
Staren, nelnel mata, djangal; [wild
starend], djelangar.
Staroogen, nelnel mata.
Steeds, lalap, gelgel, roesoer.
Steel, tangkë; [v. e. dissel e. d. ook:]
sengkir.
Steen, batoe.
Steenachtig, erbatoe-batoe.
Steenpuist, bareh, bareh peradjoet.


STEIGER.
77
STOKEN.
Steiger, lako-lako; batar-batar.
Steigeren, ramboeng nahe.
Stell, padjek, tjinder; [v. d. ooren, v.
haar], djegir.
Stellte, lantjip.
Stekel, doeri; [van het stekelvarken],
loendoe.
Stekelvarken, landak, ’ndoerin.
Steken [branden v, e. wond], ngilas;
[met een mes], koetebak (nebak);
[met een Ians e. d.], koetadjak
(nadjak); koepantem (mantem);
[stekende tevens sondeeren], koe-
ratjak (ngeratjak); [van insecten,
met het achterlijf], ’ntjit; [meteen
angel]; iseren (neren); [v. planten
als brandnetels], ’nderngit; [iets
ergens tusscheh—],koesilep(nilep).
Stel, pasang; peranggoên.
Stelen, koetangko (nangko).
Stellage, batar-batar; lako-lako;
djantang; [in een tuin, soort wacht-
huisje op een —], pantar, pinto.
Stellen [voorwaarden —], erkoenë-
-koenê; gesteld dat.. , koene...,
bitjara...; [een val e. d. —], koe-
togeng (nogeng); [plaatsen], koe-
tama (nama); [op een tijd bepalen],
erpoedoen.
Stellig, tentoe (Mal. ?); la bantji läng;
la tampil läng; [positief, van een
bewering], bedeh.
Stelpen [vooal bloeddiarrhee —], koe-
pantan (mantan); [bloeding —],
koedjampi (’ndjampi).
Stelpingsmiddel, pemantan; pen-
djampi.
Stelt, nahë-nahë.
Steltloopen, ernahë-nahë.
Stem, sora.
Stempel, tjap, sëng.
Stenen, ’ndehereng.
Stengel, tangkë.
Ster, bintang.
Sterfte, kematen.
Sterk [gespierd], megegeh, koeat;
[stevig], 'ntegoeh, tegap. tokoh;[v.
tabak], mesergi, ’ntabeh; [v. peper
e. d.], mesêr, melas; [van reuk],
mesengang; [als bijw. = zeer], kal,
mekelek.
Sterkte [vesting], kota; bëntëng, koe-
boên.
Sterven, mate, matën; [euph.], moe-
lih koe Dibata, nandangi taneh ke-
salihen.
Stervensuur [fatalist, opgev.], sipat.
Steun, toempak; [hulp], penampat;
[helper, beschermer], penoendalen.
Steunen, koetoempak (noempak);
[stutten], koetoengkati (noengkati)_;
[iem. in den rugsteunen], koerande
(ngerandë; [kreunen],’ndehereng;
[leunen tegen], tertandë.
Steunpunt, si nondeli.
Stevig [van spieren], pesing; [sterk],
’ntegoeh, tegap.
Stichten [een dorp e. d.], koepanteki
(manteki); [brand —], koeselkoet
(nelkoet).
Stiefmoeder, nandë ngoeda.
Stiefvader, bapa ngoeda.
Stier [v. h. rund], djenggi; [v. d buffel],
bergoeh.
Stift [aan een mes], pasi; [aan een
dissel], poeting; [pen, bout], pa-
soek; [klein stiftje], gerit.
Stijf [gespannen], gesteng; [stijfge-
bonden], keskes; [stug], terkal;
[stevig], tegir; [in erectie], tega-
ngen.
Stijfhoofdig, mekelkel, gedjal, djer-
gal, metangkang,
Stijfsel, kandji.
Stijgen, nangkih.
Stijl, binangoen.
Stikdonker, petêr.
Stikken [smoren], tjekak, gedel, ge-
del-gedelen; [bijna —], geder, ge-
der-gederen.
Stil [windstil], pelteng; [eenzaam]
mesoeni, mengeingel, meloengoen;
[zwijgzaam v. aard], mesinik; [niet
meer schreien], enggo sinik; [als
uitroep], sip! sinikken!
Stilhouden, ngadi, djeneng; [even
—], singgah.
Stillen [sussen], koepesip (pesip); ge-
rusttellen], koepepalem (pepalem)
koealemi (ngalemi).
Stilletjes, nangko-nangko.
Stilstaan, ngadi; djengdjeng, dje-
neng, djekdjek.
Stilstaand [v. water], moneng-oneng;
telngo.
Stilzwijgen, sinik.
Stinken, ’mbaoe.
Stlnkkever, katjingangngang.
Stip [ter afwering, bijv, op het voor-
hoofd], poetar.
Stoelen, erbëbe, ergoeloek.
Stoel [meubel], koersi; [gemeensch.
stam], bena. één stoel, si-ng-kebena.
Stof [asch e. d.], geboek; [geweven—],
oeïs; [witgoed], dagangen [stof
waarvan iets gemaakt is], pertja.
Stoffig, geboek.
Stofgoud, emas oerë (?).
Stofregen, oedan gemboera; geba-
-geba.
Stok, kajoe, perkajoe ; [staf], tjiken ;
[knuppel], goedam; [tooverstok],
toengkat; [de stokken v. e. totebel],
bestik; [—in den grond,bijv.onder
een drooglijn], adjek-adjek.
Stoken, koepegara (pegara); koepe-
toenggoer (petoenggoer); [kwaad
—], ngeritja.


STOKKEN.
— 78 —
STUK(S).
Stokken [v. e. gesprek], embek.
Stokoud, tjawir metoea; derip toeana.
Stollen [van olie, vet], medem; [v.
melk e. d.], kenden.
Stom, pekak; Ia ngaloï; [zeer dom],
ngoelah, longar.
Stomp [tronk], tongkeh, toenggoel-
-toenggoel; [stompje], poentoeng.
Stomp [bot], metoeltoel, madjir
Stompen, koedempari (’ndempari),
koetindjoe (ertindjoe).
Stompzinnig, ngoelah, longor, toem-
poel.
Stookplaats, dapoer.
Stoom, oeap.
Stoomboot, kapal api.
Stooten, terantoek, ’ndempar, doem-
pir, tendeng; [met de horens, v.
koeien], idjoeloeng (’ndjoeloeng);
[v. buffels], ipengkoel (mengkoel);
ngegas; [met een stok —], koedjoek-
djoek (’ndjoekdjoek; [tegen elkaar
stooten], petiktik, sitendengen.
Stootend, merêha; kemali.
Stop, sompel; [in den neus], sengseng.
Stoppel, tongkeh-tongkeh.
Stoppen [opvullen, een varken dat
men slacht met bladeren opvullen],
koesesang(nesang; [e. gat—], koe-
soembi (noembi); [sluiten meteen
stop], koesompelken (nompelken).
Storen, koesiksa (niksa), koeambat-
-ambati, (ngambat-ngambati), koe-
sengka (nengka).
Storm, [angin] kaba-kaba.
Stormladder [soort v. —], djantang.
Storten [morsen], mamboer, ontjah-
-ontjah.
Stotteren, beret-bereten, erkoedjet-
djet.
Stout, degil, goetoel.
Stoven, koebenemken (?).
Straal [van licht], kinalsal, sinalsal;
[— van een cirkel], oerat.
Straatroover, pemangoes.
Straf [rechterlijke —], oekoem, oekoe-
men; oetang.
Straffen, koeoekoem (ngoekoem);
koesalahi (nalahi).
Strak, gesteng, keskes.
Straks [zoo even], ’ndai, ëndadenga;
[over een poosje], kari, tekari.
Stralen, sindar, erkinalsal, ersinalsal;
erkinar-kinar, ernala.
Strand, pasir, tepi lawet.
Stranden, masir.
Streek [list], tipoe, pendjikdjak, per-
takin; in de streek van, nandangi.
Streelen, koesapoe-sapoe (napoe-
-napoe),
Streep [kras], garis; [strepen v.e.tijger]
toran; [de beginstreep bij sommige
spelletjes], pengkoeloe; garis per-
djoetdjoet; [de eindstreep],pendjoe.
Stremmen [van melk], kenden; [iets
in zijn loop —], koetebeng (nebeng).
Streng [van garen], goelamit; rëhan
(bestaat uit 4 goelamit); [groote
streng], sangkilen (=20 rëhan).
Streven [om iets te willen worden;
ambiëeren], koedjabat (’ndjabat).
Striem, lintang, ligas.
Striemen, koeligas (ngeligas); [van
regen], ipaspas (maspas) oedan.
Strijd, perang, permoesoehen, moe-
soeh.
Strijden, erperang, ermoesoeh; [met
woorden], roebat, erdawa.
Strijken, koesapoe-sapoe (napoe-
-napoe); [gladstrijken, uitstrijken],
koekeris (’ngkeris); [biezen e. d. —],
koekiasi (’ngkiasi).
Strik, siding, sambil; djarat, lindjak;
[halsstrik met blok], baldoeng.
Strikken [met een strik vangen], koe-
siding (ersiding, niding).
Strikvraag, kata djeret-djeret.
Stroef, pesket.
Strompelen, terdjelpa-djelpa.
Stronk, tongkeh, toenggoel-toenggoel.
Stront, tai (të).
Strontje; een — op het oog hebben,
të-m-pararasen.
Stroo, ’nggala.
Strooien, koeamboerken (ngamboer-
ken), koetjaboerken (’ntjaboerken).
Stroom [rivier], laoe (lajo); laoe ’mbelin.
Stroomafwaarts, kahë.
Stroomen, maler; [van tranen ook];
erüirë-dirë; terbenggoe-benggoe.
Stroomgebied, si ngaloer; stroom-
gebied van de Laoe Biang, si nga-
lper Laoe Biang.
Stroomopwaarts, koloe.
Stroop, tenggoeli.
Strop, [loopende knoop], toentoen
peroes.
Strot, teldan; [v. e. vogel], toempak.
Strottenhoofd, bergeng.
Structuur, [van het lichaam, van de
hand], retak.
Struikelen, soendalit, terlemboes,
tjeloes; [over een woord of letter],
tersoelampir.
Strulkroover, penamoen.
Studeeren, ’nggoeroe, erladjar.
Stug, terkal.
Stulten(d>, soembang; merêha, ke-
mali.
Stuiven, geboek; uit elkaar stuiven,
nelahtjah.
Stuk(s), kiboeli; één stuk, si-ng-
-kiboel; [overigens worden naar
den aard van het getelde voor-
werp verschillende benamingen ge-
bezig], si-ng-keboeah, si-ng-keri-
mah, si-ng-kelawir enz.; [een deel],
si-m-penggel, si-ng-keret.


STUK.
79
TEGENHANGER.
Stuk [kapot], petjah, penggel, tjëda,
tapes, meripoek.
Stukgaan = stuk.
Stukmaken, koetjedaken (’ntjeda-
ken).
Sturen [zenden], koetenges (nenges).
Stut, toengkat; [voor peper e. d. ge-
wassen], djoendjoengen.
Stutten, koetoengkat[i] (noengkat(ij).
Stuw, belanen.
Stuwen [een stuw maken], melan;
[water opstuwen], koesengkak
(nengkak).
Suffen [zitten — ]; koengkoeng.
Suiker, goela.
Suikerpalm, pola.
Suikerriet, teboe.
Suizen, erdeso.
Sukkelen, maringgalah.
Sumatra, poelo pertja.
Sussen [een kind], koepesip (pesip),
koedoah-doahken(’ndoah-doahken).
T.
Taai, mënet; [van een lijmige massa],
këndat,
Taak, dahïn; [het iem. toebedeelde
deel werk], adjang.
Taal, kata; [v. e. volk spec.], tjakap;
de Bataksche taal, tjakap Batak.
Tabak, timbako, ’mbako.
Tabaksasch, aboeng, abam.
Tabaksdoos, petak; [klein doosje
met spiegeltje], taboeng.
Tabakspijp [in het Karol, onbekend],
pipa (Mal.), boegak (Tim.-Bat.).
Tabaksplantage, keboen timbako.
Tabaksrolletje, pangpang (si-m-
-pangpang]; [de rol tabak die men
tusschen de kerfplankjes steekt],
soelangen.
Tabakszakje, koedjam-koedjam,
gadjoet-gadjoet, pergambangen.
Tablet, keping, kepëng.
Tachtig, oealoeh poeloeh.
Tafel, mëdja, (overg. uit het Mal.);
[tafeltje, waarop men offergaven
plaatst], pantar-pantar, batar-batar.
Tak, dahan, toepang; [doode tak],
dango; [takje], ranggas.
Takkenbos, ranting si-m-berkis.
Talisman, adjimat, sarang timah.
Talmen, langlang.
Talrijk, melala, ’mboeë; [v. menschen
ook], ’nterem.
Tam, melemoek.
Tamarinde, atjem.
Tamelijk, terpanto; (wordt gewoon-
lijk door verdubbeling van het be-
paalde woord weergegeven, of door
achtervoeging van s i t i k = een
weinig).
Tand, ipen; [ploegtand], gigi.
Tandvleesch, ’nggoesi.
Tang [smeedtang], angkoep; [klein
tangetje], angkoep-angkoep; [pin-
cet], senam; [nijptang], pendjabat.
Tante [vaders- (ook moeders-) zuster],
bibi; [vrouw van moedersbroeder],
mami.
Tapir, ’nggeltoes.
Tappen [palmwijn], ngeria; [sap van
een boom], koetaïs (naïs).
Tarten, koeoeroe (ngoeroe).
Tarwe [Turksche —], djaoeng.
Tasch. kampil, koedjam, gadjoet.
Tasten [in het rond —], tjigargar;
[naar iets —], koedadap (’ndadap);
koedjamah (’ndjamah); koedjaka
(’ndjaka).
Tastzin, pendjamah.
Taxatie, roendingen.
Taxeeren, koeagakken (ngagakken);
[de zwaarte van iets met de hand
taxeeren], koeantan (ngantan).
Te [voorv.], i; [bijw. v. graad] -sa te
veel, 'mboeësa.
Teeder [fijn], meloemat.
Teek, tjingkabek.
Teeken, tanda.
Teekenen, koegambarken (’nggam-
barken).
Teekening, gambaren.
Teelaarde, taneh mehoemoer.
Teelbal, pinang-pinang.
Teeldeelen, kemaloên.
Teelgewas, sinoean-sinoean, soean-
-soeanen.
Teen, djari nahë.
Teer [verfstof], bolong.
Teer [bros], merampek.
Teerkost, bekal.
Teerling, dadoe.
Te gelijk, radoe, ras; remban; te
gelijk (twee tambë’s bijv.), dragen,
ngeremban.
Tegemoet [— gaan], ngalo-ngalo.
Tegen [— iets aan leunen btfv.Lkoe;
[tot iem. iets zeggen bijv.], tarë,
ngata, kata, empak; [er tegen in,
in omgekeerde richting, noeng-
sang.
Tegendraadscii, noengsang.
Tegengaan, koeolangi (ngolangi).
Tegengif, tawar.
Tegenhanger, atoep; adoem.


TEGENHOUDEN.
- 80
TIJDING.
Tegenhouden [van voren], koeam-
bat (ngambat); koeambaug (ngam-
bang); [van achteren], koetagangi
(nagangi); [afhouden iets te doen],
koesabat (nabat); [op zijn plaats
houden, als door een veer, door
drukking], itekan (nekan); [be-
letten te vallen], koetatang (na-
tang).
Tegenkanten, koesoengsang (noeng-
sang); koesimbak (nimbak).
Tegenkomen, djoempa.
Tegennatuurlijk, kemali.
Tegenover, tingtang; [—elkaar], pe-
tingtang, petala-tala, pederppak.
Tegenpartij, imbang, si ngelawan.
Tegenpraten, koesoengsang (noeng-
sang).
Tegenspoed, liah, sial; kalesa; pe-
ngindo la mehoeli.
Tegenspreken, koesoengsang
(noengsang); [ontkennen], koeper-
soï (mersoï); [elkaar tegenspreken],
sisimbaken-
Tegenstaan [van spijzen], medoejak.
Tegenstander, imbang, timbang ka-
jo, si ngelawan.
Tegenstrijdig, petembil.
Tegenvaller, liah.
Tegenwerking [vooral geheime —],
ritja.
Tegenwerping; tegenwerpingen ma-
ken, ertahan.
Tegenwoordig [aanwezig], lit; [nu],
endawari, goendari, gendoari, ba-
gidi e.
Tegenzin [om iets te doen], kisat.
Tehuis, i roemah; een tehuis hebben,
erdjaboe.
Tehuiskomen, moelih [koeroemah].
Tekort [te weinig], koerang, la sêh;
een tekort [een passief], oetang;
[verlies], tewas._
Tekortkoming, tewas; hij meet mijn
tekortkomingen breed uit, inehen-
na tëwaskoe.
Telegraal, taligrap, kawat.
Telegrapheeren, poekoel kawat.
Telephoon, talipoen, kawat.
Teleurgesteld, terän; kengalen: ter-
soelsoel, gënggang, toelpak.
Telg [afstammeling], singoedan, si-
noersoer, marak.
Telkens,roesoer-oesoer,moelih-oelih,
ernoenoet-noenoet.
Tellen, koebeligaï (meligaï).
Teloorgaan, benë, mago, mewar;
toengkal.
Temerig, medale.
Temmen, koepelemoek (pelemoek).
Tenger, kitik, meloemat.
Tenietdoen, koepelasam-lasam (pe-
lasam-lasam).
Tenzij, di läng; pala, palana.
Tepel, [anak] tjoetjoe.
Tergen [met woorden], koeoeroe
(ngoeroe); [kwellen], koegasgasl
(’nggasgasi).
Termijn, poedoen; in termijnen (be-
talen), ernihnih; een termijn bepa-
len, erpoedoen.
Ter neder geslagen [ontmoedigd],
dongal.
Terong, teroeng.
Terras, telpam.
Tersluiks, nangko-nangko, boeni-
-boeni.
Terstond, mintes, minter, mintas.
Terug [achteruit], koepoedi, soeroet;
[weerom], moelih, molak.
Terugbrengen, koebaba (maba)
moelih; koeoelihken (ngoelihken,
moelihken).
Terugdeinzen, soeroet, soeroet koe-
poedi, oendoer.
Teruggaan, moelih.
Teruggeven, koeoelihken (ngoelih-
ken, moelihken), koeolakken (ngo-
lakken); [een woord —, vertalen],
koebelasken (melasken).
Terugkeeren, moelih; [op denzelf-
den dag nog —], ermoelih.
Terugstooten, koepetoelak (petoe-
tak).
Terugtrekken, soeroet, oendoer;
[zich als kluizenaar terugtrekken],
ertapa.
Terwijl, sedang, sidang, iher, dingen
(ningen), tengah ; en dat terwijl...,
selangsa...; terwijl toch ..., sam-
pang.
Teug, telgek (si-n-telgek).
Teugel, rante koeda.
Tevens, iher, dingen; djanah.
Tevergcefs(ch), sia-sia, la ’rgoena.
Tevreden, senang; ’ntabeh atë; sapa,
sipi.
Thans, bagidi e, goendari, gendawari,
endawari; [vandaag], sendah.
Thee, teh.
Theekopje, tjangkir.
Thuis = tehuis.
Tien, sepoeloeh, sipoeloeh.
Tiende [heffing], tara.
Tienduizend, silaksa.
Tiental, poeloeh.
Tieren [welig groeiend van planten],
moelo, roelo; mehoeli, djadi.
Tijd [gelegenheid, tijd hebben], sem-
pat, sampang; [seizoen], paksa;
bij tijden [voorkomen, als vruch-
ten bijv], ernembas.
Tijdens, asoem, sangana, tengahna.
Tijdgenoot [van denzelfden leeftijd],
bekbekna, si bekbek.
Tijdig [vroeg —], lampas; [juist op
tijd], pajo.
Tijding, berita.


TIJDSTIP
- 81 -
TOEVOEGEN.
Tijdstip [omineuze tijdstippen], kati-
ka, mamis; de verschillende tijden
van dag en nacht: [6 uur voorm.],
poeltak matawari; [omstr. 7 uur],
sigalah matawari; [omstr, 8—9
uur], pengoeloeï anak-anak; [9—10
uur], pengoeloeï ’mbelin; [11 uur],
nandangi tjiger; [middag], tjiger,
pantek tjiger; tjiger matawari;
[omstr. 1 uur], geling; [2—3 uur],
lingë; [3—4 uur], karang kambing;
5— 6 uur], karabên, karagelap;
6— 7 uur], bên, bên oeari, gelap;
8 uur], poeh medem anak-anak;
9—11 uur], poeh medem djelma
’mbelin; [middernacht], ’mbagas
berngi; [3—4 uur], tekoeak manoek;
[omstr. 5 uur], sampoer manoek.
Tijdverdrijf, takoet-takoet.
Tijger, arimo.
Tijgerkat, tempoelak; [groot soort],
arimo toeltoel.
Tikken, erdetik; [overg.], koetiktik
(niktik); [tegen elkaar —], petiktik.
Tillen, koeangkat (ngangkat).
Timmerman, pandë, pandë roemah.
Tin, timah; zeker oorversiersel van. tin,
tjimberah.
Tintelen [v. e. lichaamsdeel], ngam-
piren, penggingen; [flonkeren], mi-
dep-idep.
Tinteling [omineuze — v. e. lichaams-
deel], gerek-gerek.
Titel, gelar; pangkat.
Toch [wordt op verschillende wijzen
weergegeven:] -ken; kin; kêh;
’ndia; sta toch op, tedisken; het is
toch zoo, bage kin kepë; waar toch,
idja kêh; wie zs dat toch, isë [kin]
’ndia.
Tocht [luchtstroom], angin; tochtje,
[zacht windje], angin loemang-loe-
mang; [reis], perdalanen; [verre
tocht], pertandangen.
Toe [dicht], toetoep, pintoe; [aanspo-
ringswoordje], enta.’ndo, endi[h]; toe
geef hier, enta; toe, laat ik het doen,
’ndo, koebahan; toe,pak aan, endi[h].
Toedracht, toeri-toerin.
Toeëigenen [zich —], koeakoeken
(ngakoeken); [onbeheerd goed zich
—L koekoelihken (’ngkoelihken).
Toegang, pintoe-pintoe.
Toegeeflijk, mekoeah atë ; boedjoer;
toeroet.
Toegenegen, erkeleng.
Toegerust, sikap, serser.
Toegeven [aan zijn lusten, enz.], toe-
roet.
Toegift, tambah; tokok.
Toehooren, koedengkehken (’ndeng-
kehken).
Toejuichen, koesoerakken (ersoe-
rakken).
Toekijken, ’ndëdah.
Toekomen [er mee —], tjoekoep,
bias, sêh; [er recht op hebben],
aroes, patoet; het komt mij toe,
aroes (patoet) man ba-ng-koe.
Toekomend [in de toekomst], si rêh.
Toekomst [in de — ], pagi, pagin;
denggo.
Toelaten [laten gebeuren], koebere
(mere); koepelepas (pelepas).
Toeluisteren, koetinggelken (ning-
gelken).
Toen [bijw.], idje, djenari; [voegw.],
kentja, enggo
Toenemen, tambah, tambah-tindih,
erboeëna; [in volume toenemen],
ngiat; [erger worden], erkelekna.
Toenmaals, idjë, toepoeng e, noe-
poeng ë.
Toepasselijk [v. e. gezegde], pajo.
Toereiken(d), bias, tjoekoep, sêh;
[iem. iets toereiken], koedoedoer-
ken(’ndoedoerken);koeelaken (nge-
laken).
Toerusten, koesikapken (ersikapken).
Toeschieten [op iets — v e. vogel],
itangkis (nangkis).
Toeschouwen, ’ndëdah.
Toeschouwer, si ’ndëdah.
Toeslaan [v. e. val e. d.], sajep.
Toeslag, tokok.
Toesnauwen, koesergangi (nerga-
ngi); koesoelsoeli (noelsoeli).
Toespeling, penaling-naling.
Toespijs, bengkaoe (bengko), goeie.
Toespreken, koeperkoeanken (per-
koeanken).
Toestaan, koeberë (merë).
Toestand, ketjibal, bangoen.
Toestemmen [toestaan], koebere
(merë); [de waarheid van iets], koe-
toehoeken (noehoeken); koeoeëken
(ngoeëken).
Toesturen, koetengesken (nenges-
ken).
Toetasten [bij ’t eten], 'ndaoek.
Toets, pengoedjin.
Toetsen, koeoedji (ngoedji); koetoe-
loeki (noeloeki)
Toevallig [het toevallig gebeuren
wordt gewoonlijk weergegeven
door het voorvoegsel ter- voor
den verbaalstam]; [toevallig tref-
fen, samenvallen], rembang.
Toeverlaat, penalemen, penoenda-
nen.
Toevertrouwen, koeendesken,
(ngendesken); koepelimiken (peli-
miken).
Toevlucht, penoendanen, penoen-
dalen, tjiligenen.
Toevoegen, koetambahi (nambahi);
koepeboee (peboeë); voeg er aan
toe!, tolë!


TOEWENKEN.
— 82
TRIVIAAL.
Toewenken, koekiap (’ngkiap).
Toewijden [in gods.-bijgel. zin],
koekahoelken (’ngkahoelken); [zich
— aan], noehit oekoer koe...
Toezenden, koetengesken (nenges-
ken).
Toezien [toezicht houden], koeïani
(ngiani); koedjagaï (’ndjagaï).
Tokkelen, koekoeït (’ngkoeït).
Tol [schatting], tjoekë (Mal.?), tara,
teragoe.
Tol [speeltuig], gasing; [een tolletje
v. e. pinangnoot], gening-gening;
[een soort tol gebezigd voor het
draaien van garen, hengelsnoeren
e. d.], sening-sening.
Tolk, djoeroe basa.
Tollen [met een tol spelen], ergasing,
ergasing-gasing; [in het rond
draaien], ergening; tjendeh.
Tomaat, teroeng kaloeat.
Ton, toeng.
Tondel, loeloek.
Tong, dilah.
Tool, oepam, oempam, pakën.
Tooien [zich —], ’ngkatjak.
Toom, rantë koeda, sangam.
Toon [teen], djari-djari nahe ; [klank],
sora.
Toonen, koetjidahken (’ntjidahken).
Toorn, pernembeh.
Toornig, nembeh (van tembeh).
Toorts — fakkel.
Toovenaar, goeroe [datoek, in som-
mige verhalen].
Tooverboek, poestaka.
Tooverdrank [minnedrank], doerma.
Tooverlormuller, mangmang, tabas.
Tooverij, kinigoeroên.
Tooverkunst, kinigoeroên.
Toovermiddel, poepoek; [toover-
potje met poepoek], perminaken.
Tooverstaf, toengkat panaloean;
toengkat malëkat.
Top [v. e. berg], antjoek-antjoek, tam-
poek; [van planten, vooral die aan
den top uitloopen], poetjoek.
Toppen [een boom], koetombeng
(nombeng).
Tor, kajat, tempenek.
Toren [wachttoren in een rijstveld],
pinto; [soort stellage bij lijkfees-
ten], kedjerën; [in het schaakspel],
tir.
Tortelduil, ’nderapati, ’ndarapati;
’ndoekoer.
Tot [dienende tot], man, lako; [tegen,
jegens], man, kata, ngata, tarë,
koe; [tot aan], ter-, bijv, tot aan
de knie, tertiwen; [tot een bepaal-
de plaats bijv, iemand brengen],
tibar, sibar, ngajak, ngelële.
Totdat, asa, sêh.
Totebel, soelangat.
Touw, tinali.
Touwdraalen, ngoentë-ngoentë; [v.
drie strengen, door den derden bij
te voegen], ngerotas
Traag, betat, mekedat.
Traan [oogvocht], iloeh; [vet],minak,
Traanoogen, iloehen.
Trachten, koetjoeba (’ntjoeba).
Traditie, bitjara, basa, adat.
Traktement, gadji.
Tranen, iloehen.
Tranig [van smaak], mangir.
Trans- [overzijde, in sommige namen],
kepar.
Transplreeren, panasen,’ndarat pa-
nas; [een weinig —], riam.
Trap, redan; [een enkele trede], tang-
ga; [schoo], zie op trappen.
Trappelen [van een paard], ngandjak.
Trappen [een trap geven] = schop-
pen; [op iets trappen], koededeh
(’ndedeh); [rijst —, d. i. dorschen],
ngerik.
Trasl, belatjan.
Trawant [lijfpage], djoeak-djoeak.
Trechter, paloengen.
Tred, tingkah, djingkang.
Trede [van een trap], tangga.
Treden [rijst treden], ngerik; [vertre-
den], koeperdjati (merdjati); [stap-
pen, zie aid.
Treilen, kena; koekenaï (ngenaï);
[ontmoeten], djoempa; het treffen
[gelukkig zijn], sangap; [juist vallen
op, samentreffen met iets], pahe,
pajo; het trof toevallig dat . . .,
rembang.
Trein [spoortrein], gareta api.
Treiteren, koepesega-sega (pesega-
-sega).
Trek [goede eetlust], pêt man; [belust
op iets], metjoemboe; [verslaafd
aan], ketagihen.
Trekken, koerintak (ngerintak); [van
een mes uit de scheede], koesintap
(nintap); koesintak (nintak); [scheu-
ren van pijn], nentap-nentap, nin-
tap-nintap; [naar zich toe—],koe-
awin (ngawin).
Trekker [van een geweer], gamiten,
emboep.
Treuren, treurig, tjeda atë, mego-
go, meriso.
Treurzang, andoeng; [zekere treur-
wijze bij begrafenismuziek], noe-
roen-noeroen.
Treuzelen, langlang.
Trillen [van koude e. d.], girgir;[van
de lucht door warmte], ’nggeloeh;
[van moerassigen grond], mamboek-
-amboek; [van een huis e. d.], moe-
goer-oegoer.
Trippelen, boertis-boertisen.
Triviaal, tjaram, ’nggesoeh; kasar.