Citation
Woordenlijstje von het dialekt van Sikha (Midden-Flores)

Material Information

Title:
Woordenlijstje von het dialekt van Sikha (Midden-Flores)
Creator:
Calon, lambertus Franciscus
Place of Publication:
Batavia
Publisher:
[s.n.]
Publication Date:
Language:
Dutch
Physical Description:
2 volumes : ;

Subjects

Subjects / Keywords:
Sikka language -- Dutch -- Dictionaries ( lcsh )
Dutch language -- Sikka -- Dictionaries ( lcsh )
Bahasa Sikka -- Belanda -- Kamus
Sikka-taal -- Nederlands -- Woordenboeken
Genre:
dictionary ( marcgt )
non-fiction ( marcgt )
Woordenboeken
Dictionaries ( lcsh )
Kamus
Temporal Coverage:
- 1890
Spatial Coverage:
Asia -- Indonesia -- East Nusa Tenggara -- Flores
Asia -- Indonesia -- Nusa Tenggara Timur -- Flores
Azië -- Indonesië -- Oost-Nusa Tenggara -- Flores

Notes

General Note:
Sikka language is sometimes spelled Sika

Record Information

Source Institution:
SOAS University of London
Holding Location:
Archives and Special Collections
Rights Management:
All applicable rights reserved by the source institution and holding location.
Resource Identifier:
10242792 ( aleph )
845158829 ( oclc )
EM3137 /25934 ( soas classmark )

Downloads

This item has the following downloads:


Full Text
259134

WOORDENLIJSTJE

VAN HET

DIALEKT VAN SIKKA (MIDDEN-FLORES),
(SIKKANEESCH-HOLLANDSCH),
VERZAMELD

DOOR

L.F. CALON.

1° De werkwoorden zijn aangegeven in den 3en pers, te
genwoordigen tijd, aantoonende wijs.

2° Elke klinker is lang:

a) als er een andere klinker op volgt,

b) als er midden in een woord slechts één medeklinker
op volgt; tenzij de klemtoon op de volgende letter-
greep valt b. v. warang,

c) op ’t einde van een woord.

3° Elke klinker is kort:

а) als er een dubbele medeklinker op volgt; in dit
geval luidt de e b. v. in newwang; wennang; ep-
pang enz. als de holl. e in de, te, ze. Hierop zijn
enkele uitzonderingen b. v. in renna, denna klinkt
de e als in holl. woorden: rennen; den (boom);

b) in de laatste lettergreep van een woord dat op een
medeklinker eindigt.

4° Van een klinker gevolgd door twee (verschillende) mede-


f

284

klinkers wordt de lengte aangegeven of de uitspraak
aangeduid.

Noot: De uitspraak van de uitgangen ang, eng, ing, ong
heeft veel overeenkomst met de hollandsche uitspraak
in de woorden lang, leng, ding, long; bij sommige
menschen meer overeenkomst met de fransche uitspraak
in de woorden: aimant, demain, long (ang, eng, ong).

5° De klemtoon valt altijd op de voorlaatste lettergreep,
behalve als anders aangegeven wordt.

6° Het teeken (accent aigu) boven eene lettergreep betee-
kent dat op die lettergreep de klemtoon valt.

7° Het teeken (accent grave) boven een klinker beteekent:
d) boven de a, dat die uitgesproken wordt ongeveer als
de holl. a in ’t woord pak.

6) boven de è, ongeveer als de eerste è in ’t fransche
woord père; of ook wel ongeveer als in ’t holl.
woord pret.

8° Het teeken - boven een klinker duidt aan dat die klinker
lang is; het teeken v dat die kort is.

9° oe is altijd, tenzij er een •• (trema) op de e staat, de
oe-klank zooals in ’t holl. woord moeder, doch nu eens
dof, dan open, dan gerekt; ’t laatste wordt aan gegeven
door een dwarsstreep boven de öë (en niet zooals ver-
keerd gedrukt is in ’t eerste lijstje b. v. öe of oë of öê.
10° aoe klinkt als aw (zie: Bemerkingen).

Verklaring der verkortingen en teekens.

s. beteekent soort.

i. „ iemand of iels, licht uit den zin op te maken.
? beteekent 1° achter een Maleisch woord: twijfel of dat
woord wel algemeen gebruikt wordt, 2° achter een
Holl. twijfel aan of onbekendheid met de beteekenis.
Het ? (vraagteeken) dient vooral om de aandacht der
beoefenaars der taal erop te vestigen.

( ) parentheses, beteekenen dat bedoeld woord of uitsluitend

of ten minste in dien zin voorkomt.


285

A.

abang, 1° den weg afsnijden.
2° te gemoet gaan,
abo, afvaren, uitzeilen.
abon(g), bij elkaar doen.
abon(g) alang, ’t haar bij
elkaar doen.

adir, buikje vol; stram,
adja, adjawa, maïs,
adj ar (— pare warang),
uit elkaar doen (rijst).

adjing, ?

ata adjing, geen heks,
adoek, ergens tegen aan
loopen.

adoeng, ?

bette adoeng,vastbinden
b. v. een slaat zoo vast-
binden dat hy niet weg kan.
agan, iets met de handen
tegen houden.

aha (waan), uittrekken
(gras).

aha rodieng, hakmes scher-
pen (als ’tnog nieuw is).

ahang, kies,
ahoe, hond.

aï, hout.

a k a r, om den tuin leiden; slim,
akat, zachtjes.

aket, ?

doeë doe aket, pijl of
iets anders ergens in blijven
steken.

alang, hoofd; hoofdhaar.

al ar, gleuf (door slang of
touw in den grond achter-
gelaten).

alieng, ader,
alieng tena, klein lampje.

aï alieng, draderig hout,
aloë, stamper.

al o es, fijn,
alok, strand.

alma, geest, ziel der gestor-
venen.

ama, vader,
manoe ama, haan,
pare ama, ongebolsterde
rijst.

Amapoe, God.

amapoe, alle soort van beeld
of prentje.

ima amapoe, s. schelp
(conus).

ami, wij.
aming, ons.

ampon? vergiffenis,
anak, 1° jong van dieren.

2° klein.

3° wat in iets anders
zit als kogel, prop, stamper,
bendi anak, kogel,
anak wehak, hagel,
boes anak, stamper;prop;
zuiger;

kikir anak, pink,
panah anak, pijl,
taïng anak, hart; inge-
wanden ;

tiloeng anak, oorvlies.

t


286

ane, lokkken; bekoren,
aning, wind; waaien;
anjo, engel,
a n o e n g (pakoe), tusschen
een tang knijpen (spijker),
bette anoeng, iemand
tegen een boom binden.

anis, arak,
antsin, drift.

aöe, ik.

aoe, gii (enkelv.).
aöen, mijn.

aoen, uw.

aoer, s, bamboes,
apa? wat?

apa-apa, iets; al wat.
apa ha?, hoeveel?

apar, dik.

apet, tegen elkaar (drukken
de zijden van eene wond).

api, 1° vuur.

2° stoken b. v. zout; inl.
drank.

aï api, lucifer,
apoeng, 1° dauw.

2° landwind (’t a-
vonds).

apoer, kalk,
apon, vergiffenis.

ara, 1° gekookte rijst.

2° plicht.

3° s. vrucht.

arang, plank,
areng, kruit.

aroen, 1° kin.

2° spinazie.

aroen welang, porselein,
ar óen, hals.

asa ara, geen partij trekken
bij vechtenden?

asa ara nai, b. v. zijn par-
tij door een ander laten
zingen.

as ar, ingemaakt zuur,
assoeng, aanhitsen (hanen
b. v.).

ata, 1° mensch.

2° dak.

atabiang, mensch, (vrije
mensch).

at ar druif.

atoen (aï—), s. hard zwart
hout.

awang (ata blarang), op-
passen (zieken).

awe (bette—), twee zoo bin-
den dat ze zich niet los kun-
nen rukken.

awe doenang., op den rug
binden.

awoe, 1° asch.

2° keuken.

3° grijs.

B.

ba, stortregen; overstrooming;
stroomen.

baa, geweest; voorbij; genoeg;
noehing baa, smeulen,
oeran baa, ’t regent.

baai, rijst stampen.


287

wajer baan, stroomend
water.

baang, tegen iets leunen,
baat, planten (b. v. tabak),
verplanten in den grond zet-
ten (paal).

b a b o n g, keuvelen ; samen
overleggen.

badj ong, groote slingeringen
maken.

ba ga, schillen,
bahar, goud
bahar mitang, goud.
bahar boera, zilver,
bahoe lapoet, lastig; onge-
hoorzaam.

baimoeri(ng), later; daar-
na; achter aan.

baïng, doorn, stekel.

aï baïng, hout met door-
nen.

hello baïng, bamboes-
naald (voetangel).

baït, werpen (jongen),
baït (baïs), bitter.

bakak, afnemen; van zelf
loslaten b. v. pleister van
eene wond.

matang bakak, oogen
opengaan (van jonge hon-
den).

bak at, harden b. v. mes.
bakke, opzetten; aanstellen,
bakko, tabak.

bakkak (b a k k o k), ver vel-
len.

bak o et, rib van een blad,
kabor ba koet, rib van ’t
klapper blad.

kolibakoet, rib van koli
blad

bala, olifantstand; ivoor,
b a 1 e n g, veranderen.
balèr, omkeeren; omdraaien,
balido, verstoppertje spe-
len.

balimbeng, s. vrucht,
balirang, zwavel; vuurspu-
wende berg die zwavel uit-
werpt.

balong, ?
tokar balong, lang
mensch.

balok, opwippen,
hangkas, ?

manoe hangkas, witte
kip;

manoe hangkas soesi,
spierwitte kip;

banting ladjar, zeil opge-
rold boven in den mast laten
hangen.

ban o, gaan.

banit, villen.

baoe, een uitroep van beves-
tiging.

ia baoe, daar,
eï baoe, hier.

b a ö, waringinboom, en vrucht,
baöek, s. visch (groot en
zwart).

baöesar, dik s. gras.


288

bappang (mè), (kind) op
den schoot leggen.

bara, branden.

b ara kan, s. doosje 5 bakje

b. v. sirihbakje.

b ar o (n g), werpen (naar iets),
basa, in de handen klappen.

1 a d j a r b a s a, zeil terstond
omslaan met anderen wind,
bas ar, laag gebouw (tent,
loods).

oring basar, laag huisje,
blaadje.

bas ia, blaadje.

bas o, groote aarden schotel,
bata, golf.

bate, = batik?

linsoe bate, hoofddoek
met witte en zwarte vlekken,
batoe, vallen (iets of iemand
die in of op den grond staan),
a ï batoe, omgevallen
boom.

baton, op wippen,
battar, doorhakken.

b a 11 i, slaan; slachten; ver-
moorden; afsnijden (hoog
gras).

balabatti hala, olifants-
tand van meer dan een
vadem.

b a 11 i r a a, plunderen; rooven.
b a w a n g, schenken; gieten.
bawo, boven; hoog;

b e a (—w aan g), (den mond)
openen,

beak, scheuren, barsten (van
hout, ijzer etc).

beang beak, (beenen) uit
elkaar.

bebbar. s. visch.

bed da, ergens uitgaan; . .
ergens uitkomen;

b e g g a n (a d j a), aan gebrand
(maïs).

beggèr, verschrikken.

dri beggèr, zitten schud-
den.

beggo, schrikken.

(iöer) bego lelo, kwis-
pelstaarten (staart).

b e g o r, kwispelstaarten.
behak, strooien; zaaien,
behe, roeien metschepriemen.
behoek, zie bakak.

bei, te.

bèk, ’t geluid der herten,
bekkan uitspreiden; ontvou-
wen.

bek kar, uitzetten door wee-
ken.

bekkat, op voeden.

bekket (bikket), slaan,
bekkor, verrijzen; rijzen.

1 e r r o bekkor, zes uur ’s
morgens (de zon komt op),
belak, rijgen.

belang, de zaak is uit.

b e 1 e (m è), op den arm dragen
(kind).

beieng, slingeren,
bellang, kleine bamboes.


289

bellar, wrang,
bellèr, vermoeid; druk,
bello, pokken.

bello en, loslaten,
belo, wegwerpen.

belok, zeilen met wind op zij.
bemme, knijpen; samendruk-
ken ;

bemmok(bemmók), zacht;
bèndi, geweer.

bèngok, ?

plari bèngok, met den
hals krom één kant uitloopen.

bennoe, vol.

b e n o e, om den hals hangen;
bén tang (wajer—), gewijd
water.

beo (— k o 11 i r), zetten, uit-
gooien (tol).

b e p p a, ontluiken ; op komen,
beppat, ?

dola doe beppat, slaan
dat het kletst.

beppi, fijn wrijven (stampen)
b. v. aardkluiten; mais;

bera, slaan met iets b. v. stuk
hout, goed enz.

berra boera, tin.
berra mitang lood,
beraboeka, s. zwaluw,
beris, aanstrijken.

berri, uitwisschen.

b er rik, parkiet,
berroe (berróe), zout,
berroemböng, ?

manoe berroemböng,

kip met witte, roode en
zwarte veeren;

b e r r o k, zeker geluid van een
zieke kip.

bes sa, doorbreken (zweer).

bessoek, ontsnappen (pijl
van een boog); onverwacht
dicht slaan (b. v. een mui-
zeval).

beto bel o, slingeren.

b e t o t, neen schudden ; zwaai-
en met een stok.

bètta, zeggen,
betta, losbreken (een touw).

bette, binden;

betti, snijdende pijn;

b e 11 i r, spartelen ; op en neer
gaan;

bettoe, ?

bendi betttoe, ?

dola doe bettoe, ’tge-
luid als men iemand slaat.

bettoek, s. krabbetje;

s. vischje.

b e 11 o k, spartelen; in de hoog-
te springen.

bewar, besprenkelen,
bewat, iets van de hand
schudden.

bewo (aï —), s. boom en
heester.

bewoes, geur.

waoen bewoes, stin-
kend.

bewwar, splijten,
bewweng, wegjagen.


290

bewwoeng (di löëk) tot
bloem gekookt.

bia, persoon.

biang, lijfeigene.

biassa? gewoonte; gewoon
zijn;

bida, zwaard.

bid ar, naar zich trekken.

bidar oeter, boog uittrek-
ken.

bid o, uitstrekken b. v. arm,
zich uitrekken.

biha (biha bid oer), scheu-
ren.

b i h i (n), indoen; instoppen,
bihin ga, eten geven.

bik o, dalen; ondergaan,
biko blattang, vijf uur
’s avonds.

lerro biko, drie uur na-
middags.

dri biko, scheefhangend
zitten.

bik oer, af brokkelen.

b i 1 a, de oogleden met de hand
openhouden.

bile, zwijgen; stil zijn,
bilik, kamer.

bilok, open doen (oogen).
binatang? beest.

bio, pellen (maïs).

bioes, ?

dola doe bioes, geluid
maken als men slaat; of
bettoe; beppat;

b i r a, kapot springen (geweer).

bireng, ?

manoe bireng, roode
haan of kip,

bissi, pompoen,
bitak, breken.

bitek, ?

bitek a woea taa, sirih
pinang te eten geven.

biti, iets met twee man
dragen.

bito balong, opwippen (b.
v. bank).

bitoe, hengelen.

bissoen (wissoen), wijk;
dorp ?

boel eng, ?

toetoer boeleng ha-
ler, ’s morgens zoo, ’s a~
vonds anders spreken.

b 1 a b 1 a w i r, uit elkaar (ver
....?).

blain, 1° lui.

2° kwijnen ; verwelkt;
blain blear, lui.

b lam o en, licht van kleur,
blaoer, kik vorsch.

b lap oer, ?

watoe blapoer, offer-
steen.

blara, ziek, ziekte,
blarang, ziek.

blassoer, uitglijden,
blattang, koud.

waoen blattang, ’s a-
vonds.

blawir, ver.


291

ble, ?

aï ble, scheeve boom, die
op vallen staat.

lerro ble, één uur’s mid-
dags.

bieb boek, vroolijk.
bledjon, ?

(kottir) bledjon, (tol)
maakt zijn laatste trillende
bewegingen voor hij neer-
valt.

b 1 e d j o r, fladderen (een vlag).
bleïng, dor; verdroogd,
blekkoer, verkeerd;

toetoer blekkoer,

slechts spreken b. v. een let-
ter niet kunnen uitspreken,
blelèr, dun.

blemak, schil van den pi-

nang boom;

blemmang, (grond) niet ef-
fen, gelijk.

b 1 e m m o e k, uitgeput van
krachten.

moroen blemmoek,
flauw van den honger,
blennoer, droevig,
b 1 e o t, 1° pas hersteld,— ge-
zond.

2° gewillig,
blepien, langwerpig plat en
dun zooals een lineaal.

bleppan, langwerpig dik zoo-
als een glas, een flesch;

bleppar, ?
bleppon, ?

toetoer bleppon, goed
(een taal) spreken.

blerri, kitteling gevoelen,
blewwa ?

bli (beli; belli), geven,
blino, effen; kalm;
blirang, frisch; koel;
bliro, s. roofvogel,
blo dong, dwarsbalk,
bloedoe bieden g, zeer veel,
bloegoeng, vlijtig,
bloeöer, s. schelpvischje.
bloepoeng, volgeladen,
bloepoer, zeer oud; geen tan-
den meer.

blo er o eng, instorten,
bloetoek, klein.

ata bloetoek,kinderen tot
16 jaar.

mè bloetoek, kinderen
van 7 tot 8 jaar.

blöng, lang.

bo, gewezen van eene wond,
bo tan ah, met aarde aan-
vullen om een kuil ondieper
te maken.

boang, gat.

iroen boang, neusgat,
boboe, masker; maskeren,
bob ok, opzwellen; vervellen;

opborrelcn; verbrand door
de zon.

limang bobok, blazen in
de hand.

böë, zat; misselijk,
toea böë, dronken.


bakko böë, misselijk (van
’t rooken.)
tahi böë, zeeziek.

ohoe aï böë, vergiftigd
(door ’t eten van oebi kajoe).
boea, voortbrengen; baren;
dragen; blaffen.

boeang, laden; meenemen
(op praoe of boot), pikkelen
(met een paard).

boeboer, (bloed) met geweld
uit eene wond stroomen.

boedjang, walgen.

dri boedjang badjak,
lang op ééne plaats blijven
zitten.

boe do eng, schimmelen,
boeë, groene erwtjes,
b o e h e, liegen, veinzen; valsch
(nagemaakt).

toetoer boehe liegen;
foppen.

boera boehe, van buiten
wit van binnen een andere
kleur.

bida boehe, een houten
zwaard.

boehoe, wind laten,
boehoe kappa,kapok slaan,
boeï, wachten.

boeka, laten liggen b. v. pi-
sang om rijp te laten wor-
den.

b o e k a n , vergezellen.
boekoe, sirih-pinang scho-
tel of bakje.

boek o en, met twee handen
met een hout slaan.

boela ladjar, het zeil onop-
gerold overbrengen.

boelak, groote oogen opzet-
ten.

bo e 1 a n, galoppeeren.

plari boelan, galoppeeren,
ima boelan pleot,s.
schelpje.

boeli, kruik,
boeloek, laag; kort.

along boeloek, 12uur
’s middags.

boe nar, walgen.

boene,

bano boene banar,ver,
veel loopen.

boëng, opwinden,
boenga? bloem; s. boom?
boeöet, halen.

boe poe, afplukken,
boera, wit, vrede.

boera bara, schuim voor de
praoe.

b o e r a s, uitspuwen; bespu-
wen.

boere (manoe—), gespik-
kelde (... kip),

boeri, zaaien; bestrooien met
zout; peper, suiker enz.

boeroek (berroek), zwart
beest in zee.

böës, spuiten; spuit; prop-
peschieter.

boesoe, groote waterkruik.


293

boesoeng,

ata boesoeng, wichelaar,
boesoer,

moede matang boesoer,
limoen met bultjes op de
schil.

boeta, inpakken; inwikkelen,
boetoe, ?

merak boetoe, zeer rood,
boetoek (linsoe), opzetten;
opbinden (hoofddoek).

boewoe, verdeelen.
boewoeng (boeöng?) nok
van het dak.

boga, breken.

bala boga, olifantstand tot
aan de elleboog.

bohe-kassien, barmhartig
zijn; barmhartigheid.

boïer, strot.

boka (bokan, bokang)
zingen en dansen na eene
overwiuning; antwoorden
met zingen; meêzingen.

bokak, ?

taïng bokak, milt,
bok o, dakje op een praoe.
bokon(g) (bokkon?) ge-
spannen bij ’t bukken.

dri b okon, gekromd zitten,
gerra bokon, met achter-
ste gebogen staan om er op
te laten slaan.

tena bokon, praoe met
achtersteven in de hoogte,
bola, s. kapokboom.

bolek, vet (van dieren),
bol el o long, uitgelaten van
vreugde.

boleng, een bamboehoutje
bij het weven gebruikelijk,
bano boleng balèr, ter-
stond hier terstond daar loo-
pen.

bano boleng balèr, dik-
wijls ergens komen,
bolet, om iets kronkelen,
bol o, s. gebak,
bolor, langwerpig rond,
bolot, rollen b. v. tabak; touw
op een steen.

bonbon, ?

adja bonbon, gekookte
maïs,

wewe bonbon, gekookte
boontjes.

boeë bonbon, gekookte
erwtjes.

boneta, bajonnet.
bongi, ?

mangoe bongi,’t kromme
hout boven aan den mast,
bongkar lossen; uitdoen,
bongor, s. vischje.

b o ö, uitschelden; onfatsoen-
lijk bejegenen.

boöe, komen,
boöe oeta, s. uil.

bèok, hakken,
boon, stomp.

boong, naroepen; toeroepen;
roepen.


boppo (bopo), waschen.
borang, kwijlen?
bore, ?

dani bore olieng, s. hard
schreeuwen.

boreng, zwaar zuchten,
boro, snijden.

b o r o e, doordringen; reiken
tot.

boroet, afstroopen.
borok, snorken.

aning borok, landwind
over dag? zuide wind?

b o tang, met medecijn be-
spuwen.

botik, voederen,
botter, koopen.
bottir, flesch.

bower, iets omwinden (met
touw een lap enz.)

bowo, opzwellen; zweer;
braan, vlug.

braat (aï. . .), ?

b r a b a t, ’t geluid van een ge-
scheurde bel, klok.

branoe (adj a........), rood-

gebakerde (maïs).

braoe, vreezen; ontzien; ver-
schuldigden eerbied hebben;
brat, zwaar.

watengbrat, hardvochtig,
brata (aï. . .), s. zwart hout,
brawang, s. heestergewas,
brawan, luid op droomen.
bre, uitdoen (vuur, kaarsen),
sluiten (de oogen).

brebbo, afgebroken,
breggan, ?

mara breggan, zeer laag
water.

brekak, groot (dik van buik),
breke, draad (ijzer, koper),
aï brekket, s. heester.

breng, verdord; verdroogd;
uitgedoofd;

bréng briong, knipoogen.
brewwe(kotta—), omval-
len (muur —).

brewwoet, vermolmd,
brinet, leeg; maïsschuurtje?
brioe, verliefd zijn.

b r i o e n g, stooten met elleboog,
bröë, tam; mak;

b r o ï, verward; om wonden;
broin brakit, ?

bross o, poetsen.

C.

cantar, zingen.

ceram,

ata ceram, zeeroover.
ceöe, hemel.

conta, tellen,
dennaconta, zich om iets
bekreunen.

cöntas, rozenhoedje,
contratoe, handelen.

».

d a a, raken; treffen; bereiken.


295

bello daa, de pokken
krijgen, — liebben.

daan, groen; blauw, leven-
dig van kleur; rauw, onrijp;
iang daan, versclie visch.
aï daan, jong hout,
daan taan, licht groen,
roemang daan,zeer duis-
ter.

daang, ladder; trap;
dabak, lap; lappen.

dab eng, ?

dab is, veel (van menschen).
dada, ?

toetoer dada lowor,
nog niet goed kunnen pra-
ten (van een kind).

da dak, aan flarden.

dadi, worden; dus = dit
zijnde.

d a d o e, dobbelsteen; ermee
spelen.

dagar (aï—), s. boom.

dagir, vastraken; in blijven
zitten; warren;

daha, rijp; gaar;

d a h a n g, dwarsbalk; hout ot
bamboe boven aan den nok,
dai, groote beboette doen,
daïng (ima—), s. schelp,
daïs, dikwijls.

dakor, vuil (van kleeren).
dala, ster.

dalang, wandelen; loopen
buurten;

dalima, granaatappel.

dam ar, damar.

dani, weenen.

daoe, dragen b. v. water,
dapar, bepleisteren; lijmen,
dapoen (deppang—), een
kaakslag geven.

dara, zon; heet;

darang (woelan—), Oost-
moesson.

daring, gevlochten kolitom
een bord in te hangen,
das si (k o long—), s. vogel,
da tak, nu en dan ’t water
raken zooals de vliegende
visch.

d a w o e n g, van uitgewied
gras de aarde af kloppen;

d e a, ontsieren; knoeien; vuil-
maken; ongehoorzaam; on-
deugend zijn;

dea da o er, ondeugend;
debadaak, uitspansel,
debbis, dicht bij elkaar v.
menschen.

deddo (wateng), zich ver-
ontrusten ; beven;

dedoen, i. helpen met loo-
pen (b. v. een zieke onder-
steunen).

deggan, ’t geluid als men
op iets klopt b. v. op een
glas of tafel.

liar deggan, heldere
stem;

deggar, uitschudden,
deggèr, ?


alieng deggèr, kramp;
stijve pees.

deggo en deggo deddo,
donder; donderen.

deggo, (kawiij, den hoek
van een hengelhaak ma-
ken.

deggoe, met de lans werpen,
dek ar (woea) in schijfjes
snijden (pinang).

dek kak, (een zak) op en
neer doen om den inhoud
te doen zakken.

dekkeng, stollen.

d e k k è r, verstopt in de keel,
in den neus; te nauw; span-
nen ;

dekki, punten; scherpen;

del la (tali), van 2 strengen
één touw maken.

delli, opzwellen b. v. ’t zeil),
dello, eieren leggen.

de 11 o en (tali), van 3 stren-
gen één touw maken.

del lor, recht.

d e m m è n g, zeker; wezenlijk;
ja waarlijk.

denak, varkensbak.
dèng, glimmen; blinken,
d e n g o r (1 iar—), zware stem,
d e n n a, doen; maken; om te;

opdat; behandelen (zieken,
wonden).

dennoe, s. boom waarvan
ze de vrucht met sirih eten.

deöeng, vriend; bevriend.

depang matang, s. nacht
vlinder.

dep o, volgen.

kela dep o, overschrijven,
betta dep o, nazeggen.

dep pang, een kaakslag ge-
ven.

de pp ar, waschen met slaan,
dep pi, wannen (rijst),
dep po, licht breekbaar?
deroe dede, s. gras,
deroe delang, s. groote tor.
derradó, veel.

derro, oprispen.

dessak, op den grond neer-
zetten ; — grooien.

desson, zakken (laag water
worden), terugwijken.

dessor, uitglijden.

dèt, gedeeltelijk.

dèt da dak, naar alle kan-
ten.

bano doe dèt, van huis
tot huis loopen b. v.

dete, voortleiden.

deteng, na het stijven den
draad droogen.

d et tak, doorhakken,
dettik, vlug.

dettoe, ?

lerro dettoe, 12 uur
’s middags.

dettoen, efien, gelijk; vallei,
dettok, uitkomen (jongen uit
de eieren).

dewa, boodschappen.


297

dewwang, verlangend,
dewwir, verbreeden.

dewwoei’, bons als vaneen
klapper die uit den boom
valt.

dewwo(e)S; in den grond
steken zoodat liet er ver
inschiet.

di, ook.
diat, overreiken,
dibo da bok, ?
dië, openen.

digoer, stijf (arm of vingers
b. v.)

dihi, s. boom en struikge-
was.

dike, s. visch.

dik o dakot,—dakorvuil.
dilang, glimmend,
dimoen, watermeloen.

dira, dirang, snijden; scherp;
wapen.

dirang lèng, wapenen,
diri, luisteren,
d i r i n g, scheef.

disse, op zij! weg!
ditok (......tello), stuk

slaan (een ei).

diwir, rand.

dj aan, — djengga, snau-
wen; verbieden;

djadja wiïng, pralen;
djadjan, vuil van een kleed
afschudden.

djadji, beloven,
djadjoek, slaperig.

Tijdschr, Ind, T, L. en Vk., deel XXXIV,

djaga, bewaken; zich in
acht nemen ergens voor
zorgen;

djaga p i t a, niet toestaan;
verbieden;

djala, ?

m a n o e djala, zwarte
kip.

djaling, mengen.

d j a 1 o k, onverwachts een

schot of steek krijgen.

djamhing, ?

waïn g dj am b i n g, groote
wond aan voet of been.

dj a n a n g, boom met groote
kruin, veel blaren; scha-
duwrijk.

djaoen, ondeugend,
djaoen djemmón, on-
deugend.

dj aram ba, pager om een
â– praoe.

djaran(g), paard.

d j a 11 a k a p p a, spinnen; spin-
nenwiel.

d j a w a n a, ?

manoe d j a wana, een kip
die gaat loopen en terug-
keert bij ’t vechten.

djeang, groot van opening
zooals een put, vat, deur;
dj eb boen, tot ’t gevest in-
steken.

dj e d d a n, diep insteken, —
intrappen.

djedjoe, wiegen.

20.


298

* bano djedjoe, slinge-
rend loopen.

d j e d j o e n, iemand die op den
grond ligt trappen.

djegga, ?

bennoe djega, zeer
booge zee.

dj e k i dj o w e, i. met den vin-
ger in ’t gezicht steken.

djekka, stompen geven;
stoeien.

djekkoet, kneden.

ma tang dj ekk o et, zwa-
re oogen; slaperig.

dri dj ekk o et, zitten wor-
stelen tegen den slaap,
djelir, twee hanen wijken
en draaien voor ze elkaar
aanvliegen.

d j e 11 o n g, mank; mank

gaan;

djemme, met de handen
ergens op vallen.

djemoedan, ?

mi djemoedan, zeer zoet,
d j e p p a, groote happen doen,
dj eren g, kijken en probee-
ren of twee dingen even
hoog zijn; vergelijken?

dj er r o eng, schoon wrij-
ven.

djewoeng, met de voeten
grond gelijk maken.

djewwang, ondengend.
djima, band met geld of
obat om ’t lijf.

djina, ?

d j i n a dj a n an g, boom mét
veel takken; schaduwrijk.

dj ingon django n, ?

dri djingon djangon,
geroepen worden en niet
willen komen.

dj o bang, stompen geven;
stoeien.

dj o dj o r, ?

djoedi, kaart spelen, dob-
beien;

d j o e d j a n, wrij ven om vuur
te krijgen b. v.

djoedjoeng, ?

plari djoedjoeng dj o-
meng, nergens naar kij-
ken, maar 'toeloopen.

djoegan, groote golf; bran-
ding.

djoelong, groote praoe.
djoemet, nauw; juist pas-
send aan ’t lijf

djoeroe geddang, dans-
tro m mei tje.

dj o ge, dansen met geba-
ren.

dj oï, opruien; aanzetten;
djokka, i. sturen, bevelen,
dj o k o k, (vrucht) afstooten
met een hout.

dj oio (iang), ’s avonds
hengelen.

djolong, ?

ata djolong, i. die nu
hier dan daar woont.


299

djöngo, scheef (gezakt),
djong, schip.

djora, altijd maar gelijk ge-
ven.

do, geven.

doa doang, de een na den
anderen b. v. schieten.

do ar, ?

toetoer doar, op een
hoogte staande spreken ?
juist spreken.

dö don, bij troepjes na el-
kaar eten.

dodo er, niet ingaan b. v.
een kogel.

dodor naar boven steken,
naar boven aangeven; weer
opkomen (een zweer).

doe, versterking van ’t adje-
tief, bij een naamwoord.als,
gelijk.

doë, vasthouden 5 nemen.

doea grootmoeder; titel voor
deftige gehuwde en onge-
huwde vrouwen; vrouws-
persoon ;

doea po moang, voorou-
ders.

doeang, oud; dor; donker
van kleur;

d o e d a k, versperd; niet door
kunnen; ergens tusschen
spannen.

d o e d e n d a a k, zie d o e-
dak.

d o e d o e, zwam; tondel; werk

om te kalfateren.

doeë, liggen; slapen;
doeëng, stollen.

lengi doeëng, olie stollen,
doeg ar, toereikend; totdat;

genoeg; juist;

doegi, raken, zich aan iets
stooten;

doegoer, in eengekrompen
(liggen).

dri doegoer, met de knieën
in de hoogte zitten,
doekoeng, s. visch.
doe labara, ballast.

d o e n a n g, ontoereikend; ont-
breken.

doen ia? aarde.

doening, buigen (’t hoofd);

zich buigen; bukken;
doeö, s. visch.
doeöer, droog; dor;
d o e t o e, met de hand op iets
slaan.

doetoe kappa, kapok
slaan.

doe roe, wijzen.

doero, naar den kant zeilen,
do ga, te ver slaan,
dogo, s. dansen,
dog on, scheef.

aï gerra dongon, de
boom staat scheef.

do hor, glijden,
doï, klein.

dol’ doï, langzaam, zacht-
jes; voorzichtig.


300

ban o doï doï, zonder ge-
rucht loopen.

toetoer doï doï, zachtjes
praten.

dokok, een wond stooten;
schrampen;

d o k i t, iets uitsteken met een
hout.

dokó, inlandsche paraplu,
dola, slaan.

doling, gras uil steken met
een scherp hout.

dol o, druppelen;

dol o toea, distilleeren inl.
drank.

doel oe, ?

aï doloe, hout om te me-
ten.

dolor, op een zij achter el-
kaar; aangetrouwd;
narang dolor, familie-
naam.

do mak, s visch.

domo, iets in de lipa stop-
pen.

don d o m a n g, bij troepjes na
elkaar eten.

d o m e n g, * toonen; onderwij-
zen ;

dong, schouderkleed.

dóö, hoesten.

doöe, luizen.

doöek, braken zonder over
te geven.

döör, antwoorden.

dopa, uitnoodigen?

dopan g, aï do pang, aan
gespoeld hout.

dop po, roepen, ontbieden,
narang doppo, roep-
naam.

dora, ?

iroen dora, neus terstond
(licht) bloeden;

dota, hamer (van ijzer).

dot ar, vleesch of iets fijn
snijden.

dotto doming,

ga dotto doming, vlug-
ger eten dan een ander,
toetoer dotto doming,
een ander overpraten met
vlug spreken.

dot tor, ?

d r i d o 11 o r, met de beenen
recht uit zitten.

dowa, uittrekken.

drab bik. stollen.

dri, zitten; wonen; blijven;
drieng, ?

toea dri eng, veel inland-
sche drank.

E,

e, ja.

eang, kind in slaap sussen,
eang wawi, varkens roepen
om eten te geven.

eba, s. schelpje.

ebang, met de hand wenken
om weg te gaan.


301

eb o, groote golf.

eddèr, ?

ban o eddèr, blijven
staan; slenteren.

edo, aardbeving,
eèr, slijm.

ege, ook.

eg ga, s. bamboes.

ego, mondtrom van bamboes
ehe, ja.

eï, deze, dit;

in, aan, bij, uit, op, te, tot;
eï apa zie epaï, waar,
eken, gebonden, lijmig.
eker, gelijk vijlen.

eko enne mitang, groote
zwarte zeevogel.

ekok (pare), enkele padi
korrels van de bras afzon-
deren.

eler en elerwaga ’t raam
van den sampan (uitleg-
gers).

ella(ng), vallen.

wa enne ella, gewillig,
linsoe ella, 12 uur
’s middags.

ellang taïng, wolken ’s
avonds, zonnevlekken;

elke, schuld.

el oer, jong (klapper),
elpeneti, speld.

emai, kom hier; herwaarts;
aan dezen kant.

ena, zoo even; van daag;
ena eï, nu.

ena goemang, van nacht,
ena gróó(ng) pas; zoojuist;
ena g r ó ó n g t e ï, pas; zoo
juist;

ena loeat, van morgen.

enahoen eertijds; al lang
(ook als ’teen half uur ge-
leden is).

enahoen watoe, bij ’t be-
gin der wereld.

enak, enkel van den voet; s.
ronde platte vrucht.

enateï, nu.

eneï, nu, hier,
èng, gehoorzamen.

ëngen, knorren (v. een hond
voor ’t bijten).

ëngèr (hëngèr?) „ „

ènna, zes.

ennang, schub.

énne, niet.

enne, stroom; stroomen.
ennèk, in een drukken.

eong, neen; niet; niets; geen;
mauwen.

epaï; waar; van waar; waar-
heen.

e p p a k,

waïng eppak, wrijf (v.
d. voet).

limang eppak, palm (v.
d. hand).

eppang, goed; gezond; op
’t eind van een zin = mag
dat?

ep-eppang, goed.


302

èr, s. slang.

era, schildpad; draad trek-
ken (goud, koper).

errepé, kalfateren.

errién (herring?), kant,
oever.

esang, op trekken.

es o. hout in den grond om
b. v.

es o ten a, een praoe eraan
vast te leggen.

esoer (aï), even hoog ma-
ken, (hout) gelijk maken
wat wij met schaven doen.

estribo, wierooksvat.
etang, s. groote visch.
et ei, deze; dit; hier;

eti n g, stekels op den rug van
een visch.

et tang, moot (visch).
ewang, staart vanvisschen.
ewe, dit; ’t bedoelde;
ewina, buiten; van -—naar
buiten.

ewoer, bamboes blaaspijp.

e w w e (b e n d i), tegenhou-
den (als men den haan van
’t geweer neerlaat).

ga, eten.

ga gim a, vischjes zoeken als
’t laag water is.

roetoe ga, roesten,
iang, ga, de visch bijt

aan den hengel,
ga gadji, loon krijgen,
ga soendang, bruidschat
ontvangen.

gaa, om vademen; iets me-
ten met hand, vadem of pas;

gabar hoera, deken.

g a b e, met een hout aan een
dassa de aarde uithalen.

gabo, volmaken; dempen;
gadi, slijpen met een steentje,
gadjo, s visch.

gaë, afnemen b. v. een pot
van ’t vuur.

gaën, ?

gewoen gaën, door elkaar,
gaër, omroeren; rijst met
erwtjes gemengd.

gaging, i. vragen of zeggen
(om) mee te gaan.

gabar, hoog.

gahi, stijven; stijfsel.

gahoe, warm; koorts; zwaar
(v. tabak), sterk (v. drank
of eetwaar), duur (van prijs)
streng (van straffen),
aning gahoe, hevige
wind.

dara gahoe, heet, mid-
den op den dag;

gaï, willen; verlangen; rot-
tang; stok;

gaït, op hoogen (aarde om
een boom of plant).

gaka gamo, ?

ban o gaka gamo, onder


303

een zwaren last zóó loopen
dat men bijna valt.

gakang ge rok, varken zijn
jongen roepen.

ga kar, s. boom.

tö gak ar, hardop lachen,
gala, gespleten lat; rustbank
van zulke latten.

galeng, uitzoeken.

gal p we, klein zeil aan voor-
steven.

gali, graven.

galoeng, met den voet zich
vasthouden.

galoeng nai, obat of iets
lang in den mond houden
b. v, obat tegen een kies,
gambir, een vrucht die men
bij sirih eet.

ganga, (twee planken die)
niet juist sluiten.

ganoe, zooals; omtrent,
ganoeïa, aldus.

ganoepai, hoe, op wat
wijze.

ganóetia, aldus; zoo.
gaoe, scheppen.

gaoe wajer, water schep-
pen.

gaoe loeroeng, sous schep-
pen.

gape, klein zeil achter ’t
groote.

gapir, (keppik) (vlengels)
op en neer slaan.

gapoe, omarmen.

garang, kleine s. bale.
garo, krabben.

garong (alang), (’t hoofd)
in smeren met kokosmelk.

gaseng, ?

gaseng la dj ar, zeil opge-
rold halfweg praoe en mast
laten hangen.

gaseng la re s. dwarshout
aan een dak.

gatta, lezen; tellen,
gattar, jeuken.

ga wang, veel.

ga we, wenken; recht trek-
ken (. . . paal), visch op-
halen.

gawi, stappen.

ge ba, werpen.

geba da doe, dobbelen,
gebbi, wand; wand maken,
ge b b o e, wolk; regenachtig;

onweer.

ge oor (... kappa), (draad)
rood maken.

dri gebor gaèr, maar op
den grond zitten met de
kleeren in ’t stof.

geddang, kleine trom,
geddir, groote oogen opzet-
ten om bang te maken.

geddo, ?

ge ga, uitnemen b. v. uiteen
mand.

geggar, gescheurd,
bewwar geggar, erg ge-
spleten.


304

geggoen, hand dicht doen;
vuist ballen.

geïng, wieden.

geke, op een rij; achter el-
kaar.

gek ka, roepen van vreug-
de.

gek ka glan, roepen van
vreugde.

gekker (gekèr?) schate-
ren.

gekon, kakelen vóór ’t leg-
gen.

gelang gissang, glimmen
van de olie.

pare gelang gissang,
zeer schoone rijst.

gella (gella), bijten'(vocht
in eene wond, tabak op de
tong).

gellang, koper.

geile (aï), brandhout ver-
zamelen.

gellir, draaien.

gello (n geil o), s. boom en
zijn vrucht.

gel oer, scheef.

woelan geloer, halve
maan.

gel o k, schoon.

a 1 a n g g e 1 o k, kaal hoofd,
gemma, nat.

gemmeng, stuk koper om
op den mond te leggen.

gemmi, knijpen.

gemmoe (bakko), (tabak)

pruimen.

gen na, dicht slaan (strik,
muizeval).

geppoen (g). sampan,
gèr, ?

do 1 a gèr, noch hard noch
zacht slaan.

ge ra, bij troepjes staan.

ge ra góng schuilen onder
een boom.

ge ren g, afsluiten tegen wind,
zon.

gereng pita, goed afslui-
ten.

geri, grond omkrabben (kip),
geroe, aanscherpen.

gerra, staan.

g e r r a e 11 a n g, op punt staan
om te vallen.

gerra hele, sta uit den
weg;

gerri, hard roepen.

gerri giën schreeuwen,
gerro, krabben.

gerroet, soort naaien.

g e s s o, niet sluiten, niet pas-
sen b. v. de balken in el-
kaar.

getta (pare), (rijst) inoog-
sten; snijden.

getté (gette), groot; dik;
zeer;

goemang getté, midder-
nacht ;

na rang getté, roepnaam;
waang getté, zwetsen;


305

wateng getté, hovaar-
dig;

taïng getté zwanger;
getté gawan g, zeer veel;

getto, (kip haar kuikens)
roepen.

gewoen(g), mengen,
gewon, ?

toetoer gewon, ergens
over heen praten; doen als
of men niets hoort.

a gewon feest vieren.

ge w wa, grooten honger heb-
ben.

gewwit, aanstooten.
gewwit goeroet, ?

ge wwo, knijpen met den
nagel.

gewwoen (rodieng) (hak
mes) bederven.

gide, trekken.

gide leddon (oen) i. bij
de schouders schudden.

gideng, gespannen (touw
enz), trekken van eene wond,
gideng widoeng, een
wond waarop geen obat is
pijn doen, trekken;

gieng, ?

taing gieng, hongerig,
giï, bijten.

giïng, bijtend (van eene
wond).

giït, ?

gellir giït, (tol) zeer snel
draaien zonder te verloopen;

giling, schild; rondom;
gioeng, kijken.

giro eng, pijn doen (eene
wond).

gissing, ver weg vallen,
gisir, ?

d r i gisir, gehurkt zitten,
gita, zien.

gitoe, met den nagel door
breken.

glaak, s. roofvogel (zee-
arend?)

glabing, takjes van een
boom afhakken.

glapoer, tegen ’t hoofd slaan,
glawar in de war brengen,
glèd, ?

waen glèd, duizelig zijn;
flauw gevallen;

toea glèd, dronken,
gleho, verzwikken; verdraai-

en;

glékka gan. schreeuwen (als
er dieven zijn of zoo iets),
glekoet, ?

liama glekoet, op i.
trappen en erop blijven
staan om meer pijn te doen;
gleppoe, fluisteren.

glessoek, dicht slaan van
een val, boog enz. ontsnap-
pen; ontvallen.

glewar, en glewèr, losjes
gebonden;

globo (batti), van een boom
alle takken afslaan.


306

glohoek, los gaan (touw),
glök, pinangblad.

potoglók, aker van dat
blad gemaakt.

g 1 o s i r, de bast van hout
afdoen ; en zie g 1 a b i n g.
goang, van Goa.

ata goang, Makassaren,
Boegineesen ete.
go ar, insekt s. juffer,
goba, op bekken, klok etc
slaan.

go do, op handen en voeten
kruipen;

goea, werken; knoeien;
goebi gabir, ’t geluid van

’t slaan.

goeër, rond.

goeleng galeng, door el-
kaar rommelen, bijna bra-
ken.

goemang, nacht; overnach-
ten.

goemit, knypen.

goemoet nai ara, iets op
de rijst leggen om gaar te
koken.

goeng, oud; versleten;

goeni, s. geel goed waar-
mee ze hun lichaam be-
smeren.

goeöen (aï), s. zeer hard
hout.

goeöer, uitschelden,
goeöer lekké, uitschelden,
goereng halfrijp.

go er ik, s. schelp (patella).
g oer o eng, (garen), draad,
goët, mengen.

netti goët ginit, iets
vies aanpakken.

goeti, schaar; knippen,
go ga, eten zoeken.

gogo, steil.

gogor, voortrollen;

g o g o r kap p a, draad op een
houtje rollen.

goha, schram.

goï, graven; delven,
goï ha was, (djamboe?), s.

vrucht.

goïs (goït), slecht; leelijk;
gole, om zeilen.

golo, wezenlijk,
góng, i. in ’t licht staan.

gerra góng, onder een
boom schuilen; klok; bek-
ken, tamtam;

goö (n g), verzengen; branden,
goöer, knagende pijn doen;
gopi, omhakken.

go pi roa, omhakken.

g o r a n g, krets ? (s huidziekte
komt op met vlekken).

gorak, krabben;

goroe, alvallen (klapper),
go rot, schrampen;

gowir, peuteren;

graan, ?

tena taïng graan, een
hooge praoe.

gragoeng, ?


307

limang gragoeng, ge-
armd.

grake, in de takken blijven
bangen b. v. een aange-
schoten vogel, klimmen (van
een kat).

graoe, altaar.

grasa, schertsen.

gremmi, twee stukken hout
aan elkaar hechten,
heppoeng gremmi?

6 */3 uur ’s avonds?

g r i d i e n g, sidderen; stuip-
trekken ;

g r i n g a n, graag hebben; ver-
langen; blij zijn;

griok, flikkeren (van kleine
lamp of vlam).

grip et, knellen,
groging, ?

bette groging; handen
op den rug binden.

gróó (róö, gróóng), dicht
bij.

II.

ha, één;

bia ha ba een voor een;
waï ha ha, een enkelen
keer.

babi, s. hout.

hada, s. visch.

badang, leunen.

hadang wolong, 4 uur ’s
middags.

h a d c n g, helling; hellend;
overkant?

haë, klimmen; opgaan;
liaët, grijpen (v. roofvogel),
haï? wie?

hakan, ?

ga hakan gal oen g,
niet kunnen kauwen;

haken, van dag tot dag uit-
stellen

li a k k o er, s. geurige vrucht,
hala, verkeerd, fout; mis.

ban o hala la lang, ver-
dwalen.

h al ar, gespleten bamboes,
hale, s. boom (koolboom?)
oetang hale, s. groene
alg.

barna, op iets trappen; over-
treden.

h a m a ham a, hetzelfde.

barna hama nora, even-
aren.

hame waoen, morgen a-
vond.

ha na, ?

bano hana, den voet zacht
op den grond zetten; voor-
zichtig loopen als men eene
wond heeft.

hangar, schreeu wen van
schrik.

hangasoe (ngasoe ba),
één honderd.

hanggor, gillen,
haö, te leen vragen;


308

ha oepoe, de helftivan de
lengte; een weing; een
stuk;

ha o la, half vol.

hapang (anak), pijl op den
boog leggen.

ha pappa (ng), de helft,
haper, de hand op den

schouder leggen; een kind
op de heup dragen.

hap o et, s. kunstenarij: met
de hand over een zieke
strijken.

h a r a n g, laken; berispen; uit-
schelden ;

h a w i n g, ?

batti hawing, over de
schouders snijden.

bette hawing, met strop
en knoop binden (zooals ze
hun varkens binden).

ha won, schreeuwen; huilen,
lieak, licht.

watengheak, opgeruimd;
heang, in de handen wegen
wat van twee ’t zwaarste is;
heb bon, prop; stop,
h e d o (aï w o e a n g), afstooten

(vruchten van een boomk
h e d d o r, ? .

bala lema heddor, oli-
fantstand iets langer dan
tot den elleboog.

hege (. . . ap i), vuur halen,
heg ga, lang zaam ademen,
hegin (roetoeng—), pen

van stekelvarken; haarspeld

(ook van hout);

begon, met het hakmes
zwaaien.'

heï, op zij doen; van zich
af doen.

heket, ?

bette heket, touw twee-
maal omwinden en dan bin-
den;

liekor, i. voorbij loopen.
hela, spannen; rekken,
helak, rukken;

hele, op zij! weg!

helèr, zijde (beneden de rib-
ben).

helleng, i. verstooten; be-
velen weg te gaan.

hellet, kalfateren.

heil o, (bamboenaald) voet-
angel.

helloek, den hik hebben,
heloe (liri), (paal) verwis-
selen.

liemmak, ?

k a b o r h e m m a k, gerasp-
te klapper met klapper wTa-
ter gemengd tot een pap;
hemmang. zuur (bedorven
eetwaar).

hemme, ?

djaran hemme, paard
met ingebogen rug (te zwaar
geladen).

toetoer hemmerem-
moes, i. hinderen met pra-


309

ten b. v. als men zit te le-
zen.

bemin o e, bederven; versleten;
leelijk; bedorven.

hena, ?

ban o bena, met den buik
vooruitloopen.

henne, bakken; braden,
hèngok, ?

bala h e g e n hèngok,
olifantstand tot aan ’t ander
schouderblad.

hennepaï, s. zeegewas.

heó (beo warang), s. plant
(haar vrucht).

heöen, ?

bala lieöen, olifantstand
tot aan ’t ander schouder-
blad.

hepat, kleine behoefte doen,
hepoet, uitglijden; eventjes,
heppi, kleine tros van een
grooten tros.

heppoeng, muskiet,
heppoengmenniek, kleine
muskiet.

liera, s. groente.

herak, ondiep.

her et, geel.

lerro her et, tegen zons-
ondergang.

bering, bering n ai, plaat-
sen, zetten; wegbergen;

heroek, opslurpen; een
teug.

h err a (t ena), (praoe) hooger

maken met planken.

her rong, zeggen; vertellen;
beteekenen;

lieti, iets vooruit schoppen,
liewoet, schemering,
h e w w o (r o d i e n g), (hakmes)
harden.

hia, ?

1 e m a n o r a h i a, met touw
aan de voeten in een boom
klimmen.

hibir (walong), (opnieuw)
uitbotten

liida, zuchten van smart,
hidar (eï tali), in een touw
vallen.

hide, uitglijden.

hidi, met den voet ergens

tegen stooten;
bid o, s. roofvogel,
hido hadok, kind bij de

wang vatten; vliegen af-
slaan.

hi getté, karbau.

h i g o (b i s s i o e b o e n g), (de
bovenste blaren van de pom-
poen) afslaan.

higoen, hoek van een ka-
mer.

big on, ?

goba higon hagon, op
meerdere tamtams (7—8)
slaan.

hihak (bowo), (zweer) open
maken.

hiï (kabor), het wit bij


310

stukjes uit den klapperdop
steken.

hik o, wijken als i. slaat,
hik on, hoek tot aan den nok.
hile, blinken5 vonken; blik-
semen.

.liilit, eventjes.

h i 1 o, open, — uitbreken b. v.
kist; steen uit den grond.

himo, ontvangen.

hini, zout.

hini berróe, zout.

hini mi, suiker.

hini reggon, grof zout,
hioeng, elleboog,
h i p e t (h i p a t ?) n a i, mes enz.

ergens tusschen steken,
hiri, nadoen; bespotten;
hirok, opslurpen; opsnuiven
inademen.

hitek (bowo), zweer open-
steken.

hiti, afplukken.

hitok (bano—), (bij ’t'gaan)
’t achterste heen en weer
schudden.

hiwa, negen.

hiwon hawon, om hulp

schreeuwen,
hiwor, fluiten,
hoak (tali), afstruipen (touw),
hoar, ergens opspringen,
hoar maang, strik toetrek-
ken.

mara hoar, dorstig,
tena hoar poar, de kop

van de praoe op en neer
gaan.

h o b a n g, ?

pare hobang, bras in den
hoek van een huis.

hoda, overgieten.

h o ë a dj a, maïs uit een boom
afhalen.

hoë lipa, ’t kleed van ’t
getouw afnemen.

hoeang, s. hengelen,
hoebi, pager om een dorp,
hoe bit, kam van bamboe,
hoeèr, meten.

hoegoe, ’t hoofd buigen.

dri hoegoe, met ’t hoofd
naar beneden hangend zit-
ten.

hoehoen, eertijds.

hoeï, baden; bij vlechten;

stoppen b. v. een gat in ’t
kleed.

höëk, be-, na-, overdenken
herinneren?

höëk pita, zorg dragen,
hoelier, vergeten; niet ken-
nen; niet weten;

h o e 1 o e, met een licht vischjes
vangen.

hoeloet, ?

nia — ileng hoeloet,
als men van uit ’t donker bij
’t licht komt, of als men in
de zon gekeken heeft dan
ziet men, kijkt men hoe-
loet.


311

h o e m a, rooven; met geweld
afnemen; plunderen.

t o e t o e r li o e m a; in de re-
de vallen.

hoemang, ?
nimoebraoehoemang,
hij is erg bang (als een
dief).

nimoe naö hoemang,
bij steelt verschrikkelijk
(veel);

hoe na, i. koken (in water),
h o e n o e r, borstbeentje; borst,
kuiltje.

hoeöe, i. op’t hoofd dragen,
trachten? zoeken?

h o e p è r, pijl met ijzeren punt,
oetang hoepèr, s. hees-
tergewas waarvan men 't
blad eet;

hoe pit, uitglijden; eventjes
raken.

hoera, s. oebi.

h o e r a n 1 i p a, strepen op een
kain maken.

hoeri, peuteren.

aï hoeri, scherp hout om
iets uit te peuteren.

hoeroe, lepel; opscheppen;
hoeroe soet, vork;
hoeroe tan ah, schop.

boet oe, vier;

hoetoeng, bijlichten.

h o e w e k a p p a, zwarte pitjes
uit de kapok doen.

hoewoen (g), voor schedel.

hoewoer, kuikens zich on-
der de vleugels verbergen,
hoga, ?

toea ho’ga, s. inlandscbe
drank.

hogar, bloed, etter afgaan,
hogor, ontwaken, opstaan;
hoï, verlossen; vrijkoopen;
hok o, opscheppen:
hokok, s. vogel.

hokot (—waan), land wie-
den vóór ’t bezaaien.

hol ar, naakt.

hol o, aansteken; in brand
steken*

hoio pesa, kanon afschieten,
h o 1 o r, vlammen ; opvlammen,
bon, ?

dri hon, in den wind gaan
zitten.

honggèr hanggèr, geluid
van alle kanten.

lioni, sluipmoorden.

batti boni hebo, zich
een weg banen; alles op-
eten wat men tegenkomt,
hoöe, s. tor met één hoorn
op den kop.

hoöe hewon, s. groote ,tor
zonder hoorntjes op den kop.
hoók, af regen.

hoor, opnemen.

boot, bespotten; uitlachen;
hoppang, astma; aambor-
stig p buiten adem zijn;

horoet (waïng) (den voet)


312

insmeren met een soort geel
goed;

h o r o (n g), vliegen; zij dak van
een buis;

henneha horong, (een)
vogel; •

dala horong, vallende
ster;

hotok, hanekom.

howang, geld; ’t kleinste
muntstuk hier n. m. oud holl.
dubbeltje.

liowe, uitgieten.

I.

i a, dat; gene; wat; — daar
ia! (uitroep) dat is ’t
hem!

ata le ia tia, iemand van
hier.

iang, visch.

ia tia, zoo; die; van daar;
ida, een uitroep van bewon-
dering ; verschij nen van
dooden.

ïëngo, een pijnlijk gezicht
trekken.

ihi (iang), van den hengel
afdoen (visch).

ihieng, stof (substance).
rebboe ihieng, staal;

ihing, stollen.

ikoet, klemmen.

ila, s. visch;

wrat;

ilang, verliezen; wild;

ileng, kijken; naar iets uit-
zien ;

iling (ili), berg;

iloe, strik;

iloer, spuw.

i m a, schelp.

i m i t (t i 1 o e n g), (bij de ooren)
trekken;

imoeng, vriend; bevriend;
ina, moeder;

inang, wijfje van hond, paard
etc;

kikir inang, duim;
bendi inang, geweet;

in ga, helder;

iöe, haai.

iöer, staart van viervoetige
dieren;

ipi, drukken b. v. etter uit
eene wond.

ira, besnijden.

ireng, groot in zijn soort;
iri adja, lange tros maïs
maken;

iri toea, de vrucht snij-
den om inl. drank te ma-
ken ;

iroeng(g), neus.

geppoeng iroeng, gat
in den kop van een sam-
pan.

isi (is si) long go, haasje
(filet).

ita, wij.

itang, onso


313

ite, ?

roemang ite oang, zeer
duister.

iwa, ander.

i w a . ... i w a, eenige.

andere, de een........de

iwang (ata—), heiden,
iwèr, houten pijl.

K.

kaan, s. kraai.

kaat, ?

toetoer kaat kettoe,
zachtjes praten.

toetoer kaat, fluiste-
ren.

kabor, klapperboom en zijn
vrucht.

k a b r i s s o e, een touw op een
oog om iets slaan; hals-
ter.

kadang (waïng), de voe-
ten ergens op laten rusten
bij ’t zitten.

k ad era, stoel,
kaderadak, tol heen en
weer loopen.

kaderang, groot e ijzeren
pan.

kaët, haakje; vasthaken.

aï kaët, hout met een
haakje eraan om iets op te
visscben.

k a h a n (r i ï), (gras) tot kleine
bundels binden.

Tijdschr. Ind. T

L. en Vk., deel XXXIV.

k a h e, oorlogsdans; dien dans
uit voeren.

kahok, iets afschrabben b.
v. met een stuk glas.

kakoe, onrijp; hard.

ka la, s slingerplant waarvan
men ’t blad eet.

k a 1 a m i d i, „ „

kal ar, armband; katrol.

kale, kralensnoer om den pols
doen; polsband van kra-
len.

kale wajer, waterschep-
pen b. v. uit de praoe.

kal eng, omroeren; onderarm,
k a 1 e n g p e r a, zilveren
armband.

kaliraga, kalmoes.

k a 1 o e a r, eruit; uit den dienst
b. v.

kalong, ’t binnenste van den
pisangstam.

karna, matras; ten minste,
ka meng, denken,
kanoloe, ankersteen om
achter ’t roer te gebruiken,
kan on a, s. lekkere vrucht,
kans in g, knoop.

kansing kaët, haak en oog;
haak.

ka oen da, ?

toetoer k a o e n d a, de
eene of andere letter niet
kunnen uitspreken.

kappa, kapok,
kapaseti, ?

21


314

iangkapaseti, ?
kararakak, (ai. ...) doode
buom zonder blaren.

karakaras, s. lekkere eet-
waar.

karang, koraal; rif.
kare, aan stukken snijden.

kare oenoer, nagels
(knippen) snijden.

karok (ai... ) klein dun
hout.

kassan, zelden,
kas sar, (grof linnen).

k a t a, grove mand voor vruch-
ten etc.

katan, kolf.

katana (kaitana?), lange
sabel.

kattoe iang, viscli in een
blad bakeren.

ka wat, koperdraad,
kaweaï, spinneweb.
kawelawak, veel gaten,
kawir, vischhaak.

ka wit, kerkelijk trouwen,
kawoe, ’s morgens vroeg,
kebbar ?

taïng kebbar, ingeval-
len buik.

k e b b e, omslaan (sampan
enz,).

keb boer, troebel.

kedda, schoppen; trappen,
keddo, snel terugtrekken.

keder (koli.. . . ) ’t drooge
blad van den koli.

kedjo (keo.......) schudden;

heen en weer gaan,

keh o, draaien.

kèk, grommen (varken),
taïng kèk, wormen in
den buik.

keket nioeng, knarstan-
den.

kek o en, i. fijn wrijven voor
obat.

kela, schrijven; merkteeken;
van meikteeken voorzien,
kela oli, doopen.

keliek, oksel.

keli gahoe, andijvie.

kei la (. ...wajer), warm
water gereed maken.

tali kei la, bepaald touw
aan ’t zeil.

kei lak, ?

dettoe kellak, 12 uur
’s middags.

kellang (manoe............),

bruine kip.

k e 1 o e t (k a b o r), jonge (klap-
per).

keloti, s. kruipplant.

kern mit, knijpen; nijp-
tang.

k e m m o e r, i. den mond dicht
doen; dicht rijgen b. v. een
zak; zelf zijn mond dicht
houden.

kendewendek (bano....)
loopen als een klein kind.

kenneha, iets, iemand?


315

keo, schudden; zich bewe-
gen ; aanzetten (paard), weg-
jagen, schroomen?

keöe, vezels van klapper,
s. klapper.

keor, s, vogel (bijna als de
„loriof”).

keppa, tasten; betasten,
keppi, s. struikgewas,
keppik, vleugel; vin.
keppo, ?

bala keppo, olifantstand
van bijna een vadem.

kera, zwager; volle neef (bei-
de van vaderszijde).

keret (toeka), (oebi) fijn-
snijden en tot soep ko-
ken.

kerrirreté, kibbelen,
kerroe (manoe), (kippen)
roepen om te eten.

k er rok, uit de hand eten.

k e r r o k k a b o r, ’t wit met
de tanden uit den klapper-
dop halen.

kessa, bij voegen.

kessi k ellik, kittelen (b. w.)
kessik, klein.

liar kessik, fijne stem,
kessik ha, een beetje;
weinig je.

kèt (alang—), ineen ge-
draaide haarvlecht achter
op ’t hoofd.

kettik, klein.

kewwar, s. schelp (vischje).

k e w w e, deksel van pot-

enz.

kewwik, ijzeren pan.

k e w w o, graf.

k e w w o k, uithollen, s. schelp
(vischje).

kiat, mes.

kibok, zeer fijne bamooe.
sorongkibok, zoo'n bam-
boe branden en aan ’t
knetteren en scheuren be-
merken of men veilig kan
ten oorlog gaan.

kiek, piepend geluid geven;
gespleten bamboesje waarop
men blaast (piept).

liar kiek, fijne stem,
kiïr, gierig.

kikir, vinger.

waïng kikir, teen.

k i k o 1 i 1 o (k i k o e 1 i 1 o e k),
vlinder.

kila, ring.

kil as ar, ring.

kilimidi, gierig.

kilokalong, s. insekt met
lange vleugels.

k i o k, piepen als kuikens, met
velen hardop en door elkaar
schreewen en praten,
kiok kaoek, razen; met
velen door elkaar hardop
praten en schreeuwen.

k i or (ö e r a n. . . .) regen met
een straal loopen (van ’t
dak b. v.)


kirèk, bont; voor de oogen
schemeren.

kirèk 1 a g a r, veelkleu-
rig.

kireng, krekel.

kisak, modderig, smerig;
overrijp.

ad ja kisak, zeer jonge
(zachte) maïs.

kisserissèk, brommen; on-
verstaanbaar mompelen.

kiwo, smal; nauw.

klaak, klieven,

ima klaak, s schelp (na-
tiën).

k 1 a b o e, de praoe voorzien
van een rand tegen ’t in-
slaan van ’t water; rand om
de praoe.

klagoe dissan, leven ma-
ken ; dreunen in een buis.

klaï, s. kruid (lijkend op
citroenkruid).

klamang, brak.

klaoe klegan, leven ma-
ken; dreunen in een huis.

klap et, aan elkaar vast b.
v. twee of drie kraaltjes;
twee saamgegroeide pisan-
gen.

klapoer, bedekken met een
lapje b. v. iemands ge-
zicht.

klaroe (iang........), wal-

visch.

k 1 e b b a r (t a i n g. . ..), inge-

vallen buik; honger heb-
ben.

kleboe klèn, wijd.

k 1 e g g a k (b o w o.), slen-

ken (wond).

klejoek, ontwijken (een
slag).

kleke, klekeng, rond, bol;
klapperdop om tabak te
meten.

taïng klekeng, dikke
(gespannen) buik.

k 1 e k k a h i 1 e, bliksemen;
bliksem.

k 1 e k k a k (i r o e n . . .) vuile
neus.

kiek kar, scheuren (van
grond, muur, pleisterwerk),
aï k 1 e k k a r, een stuk ge-
barsten hout.

klekor, fluit.

k 1 e k o t (m a g e. . . .), jong,
onrijp (tamarinde).

klellién(g), roode hond.

k 1 e m m e of k 1 e m m o n e,
kuiltjes in de wangen.

klèn, wijd.

kleoek (. . . alang), (met
’t hoofd) wijken als i. slaat.

k 1 e p p è k (1 a d j a r. .. . ) los
zeil (niet gespannen).

klep poet, door gehakt (b.
v. met een hakmes een
wond toebrengen).

klera, s ronde vrucht,
kleren g, tak.


kleroek (woea....) jonge
pinang.

kletang, doek waarin men
een pas geboren kind wik-
kelt.

mè kletang, pasgeboren
kind.

k 1 e 11 o k, borrelen (zooals
kokend water).

klewwang, breed,
kliboer, verbaasd zijn; ver-
geten; in de war komen.

k 1 i h o e r, steenpuist; bloed-
zweer; groote zweer.

klimo klamor, onsmake-
lijk.

klo, vies b. v. om iets aan
te pakken.

kloda, als ’t eene voorwerp
in het andere gelegd (ge-
stoken) niet past maar be-
wegen kan, dan zegt men
dat het ingelegde (ingesto-
kene) voorwerp: „kloda”,
b. v. de voet „kloda” in te
groote schoenen; de vinger
„kloda” in een te grooten
ring; enz.

kloeroet kloret, veel,
kloeroet kretang, veel,
klogo, s. bruine alg.
klogo bloetoek, ander s.

bruine alg.

klogo matang geile s.
alg.

kloeön moeron, ineen ge-

krompen (als de koorts na-
bij is).

klokók, vervellen.

k 1 o 1 o n g (n i n o e. . .), drin-
ken als een eend.

klowok, slap (touw).

ko, of; daarna; maar; dan.
k o a (. .. k a b o r), blad om
den boom (klapper) bin-
den op dat men er niet zou
inklimmen.

koad waïng, trekker aan
’t geweer.

koak, huilen van honden (die
vast liggen).

koang, water ergens uitloo-
pen.

koat, sprinkhaan.

koat pare, groote roode
sprinkhaan die op de rijst-
velden is.

koat w i d i n g h o g a r, ander
soort sprinkhaan.

koat klodak, ander soort
sprinkhaan.

koat oema holar, sprink-
haan zonder vlerken.

koat bliro, s roodesprink-
haan.

koat oeëng, s. sprinkhaan
die geluid geeft als wanneer
de haan van een geweer
dicht slaat.

k o b e w a w i, 5 % uur ’s mid-
dags.

kobèk, diep.


318

kobo (ata......) kogelvrije

man.

koboe, krokodil.

koboe maling, ruimte tus-
schen duim en voorsten
vinger.

koboe r a 8 a, 5 uur ’s mor-
gens.

k o b o r, op den schouder dra-
gen.

k o dj a, kanarieboom en vrucht,
kodj eromae (bano........)

krom loopen van ouderdom,
koe at, familie; stam.

k o eb ar (kab o r...) zeer

jonge klapper.

koehak; overschot van ge-
raspte klapper; de melk
eruit; afgetrokken thee.

koeïr, afschrabben.

koela (pare); (rijst) uitme-
ten met een dassa.

koekoe moeroeketc.woor-
den om een kind bang te
maken.

koekoeraka, spin.
koelaboe(manoe.,.) ascli-
kleurige (vale) kip.

koe mak, paardehoef.
koemeng; toom,
koemoek; kiel (van schip,
praoe).

koemoer, zie kern moer,
bij elkaar geregen.

koëng (—goeroeng), ga-
ren op houtje winden.

koeöek, schreeuwen (van
kleine honden).

koepik zie keppik, vleugel,
koepok, klein mensch.
koerang, ontbreken; kreeft,
koer as, merg.

koe ren g, gedroogd klapper-
wit.

koerinti; groote ketting,
koeroe moĕn, stroef, on-
efien.

koeroeng (roedieng....)
versleten (hakmes).

k o e s è r (r a a...) iemand ver-
volgend pakken.

k o e s i ng; slot; sleutel; sluiten,
koetang, (pare....) stroo
van padi.

koet, krom (vingers, hand),
k o e w o e (n), afdak; praoehok;
varkenshok etc.

koew.oen, nest; nestelen,
kohe, draaien.

k o h e k a b o r klapper van
den boom afdraaien.

koï, op den rug dragen.

kokak (ai...) boom waar
van de bast alleen over-
blijft.

kokko, ontluiken; kraaien;
daarna; dan; eerst nu;
slechts.

manoe kokko, 4 uur ’s
morgens.

kokko hèk, kakelen na ’t
leggen.


319

kokkon (g) ?

matang kokkon, wenk-
brauw.

paë kokkon, steen van
mangga.

kolang i. tussclien steenen
fijn wrijven.

kol eng, stengel.

koli, koli-boom.

k o l o (— i a n g) viscli in een
blad bakeren.

k o loer, neerlaten.

k a 1 o e r w a t o e t a r a, an-
kersteen neerlaten.

kolok, op zij hangen; scheef -
staan.

kiling kolok, scheef
staan.

kolok baa, 2 uur ’smid-
dags.

kolot, op den loer staan;
spionneeren; door een spleet
kijken.

komberoë, muizenval,
köngerongon (bano. ,.

onder een zwaren last ge-
bukt gaan.

k o n g o n g (h o e g o e....) zich
buigen.

k o ö e n (t o e t o e r....) slecht
een taal spreken.

köök, zeeëgel.

kopoe, glas.

kopoe nep ar, glas zon-
der voet.

kopoe waïng gabar,

glas met voet.

kopoe wajer, waterkan,
kopoe kopi, koffijkan.
kopor, stal.

k o r a k o r a (t e n a.. .) praoe,
die van achter anders is
dan van voren.

korak, klapperdop, achter-
hoofdscliedel.

kor ar, s. kraal.

korèk, prikken.

korek bello, pokken in-
enten.

kor o, lombok; spaansche pe-
per.

korok, rib.

k o r o n g, klapper raspen; klap-
perrasper.

k o r o w o 1 o n (g), scheenbeen.
kose(ng), opstroopen (b. v.
baadje).

b a 1 a k o s e n g, olifantstand
tot aan de andere band lang,
kotta, muur; metselen?

kotta watoe, tot een
muur opstapelen.

kotta koar, op elkaar
gegooid.

kottir, tol.

kottor, ?

noehing doe kottor,
veel rook.

kowa, s. vrucht om vischte
dooden; mist; witte wolken
die halfweg de bergen
hangen,


320

kowan(g), schimmel; muf;
schimmelkleur van paard,
kowerowok, leven maken
met praten; door elkaar
schreeuwen b. v. in een
school.

kowewower, slang of slin-
gerplant om een boom kron-
kelen.

kowin (koli.......), jonge

vrucht van de koli.

kowo, ?

oeran kowo lewwoe
waoek, zeer lange regen,
kowoen ata, ’t dak bijstop-
pen.

kowoen rabang, ’t net bij-
werken.

kradoeng, ’troode van de
kieuw.

kragat, s. vischje; veel bij
elkaar b. v. veel spijkers in
een plank.

erra kragat, ze staan er
dik.

krageng, vertakt als een
hertshoorn.

krakit, uit de hand eten,
krangan (wawi. . . .) on-
dersnuit (v. varken).

k rang at, krom (vingers),
kraoen, een stuk eraf,
krebbèk, zich of iets om-
keeren.

kreen kremis, aan flarden,
k r e g g e n, ineengekrompen

(v. een hond).

kreïng, kleine witte schelp-
jes die zich aan de praoe,
op steenen hechten.

kremot (oeran.......), door

regenen.

kreppak, zich onder iets
verbergen; op den grond
gaan liggen.

kremissi, leven maken;lastig
maken als men zit te praten,
krewong, gebroken?

nioeng krewwongslech-
te tanden.

krian krewwes (ara. . . .)
aangebrande rijst.

kriek, geschreeuw van een
zwangi vogel.

kringit (netti. ...), iets
vies aanpakken.

kringoet nawar, neus
snuiten.

kroe, wolk,
kroebis, s. polijp.
k r o e g o e, ineengekrompen

van koude,
kroe kre, veel,
k r o e n (k a b o r.) gesrasp-

te klapper,
kröët, vuilnis,
kroetoek, s. schurft,
krok, (ima—), s. schelpje,
kröng roea, tweeling,
krowe, oudtijds een groote
kampong van dien naam
dicht bii Maumerie. Daar


321

van daan komen de bewoners
der omstreken op de bergen,
ata krowe, lieden nitdie
streek; in ’t algemeen hei-
denen ; men onderscheidt
hier de lieden in ata serani
= christenen en in ata kro-
we = heidenen.

laa loshaken; losdoen; los-
tornen.

laak; kapot.

laan (bano. ..) metgrooten
pas loopen.

laba, beitel.

la ba (iang); i. rooken
(visch).

laba neppak; s. vogel,
labang (—waning), (op
den grooten trom) slaan.
laboe; baadje,
lada, s. bloedzuiger (in zee),
ladi, dicht rijgen (een mand),
la dj ar, zeil.

tiloeng 1 adjar. oorlelletje.

1 ad o en, peillood; peilen,
ladong, staart (van vogels);

hooge vlam.

karang ladong, zwarte
koraal.

lado waï liwar, s. vogeltje
(wit met zwarte plekjes en
met twee zeer lange staart-
veeren).

laën; nog; nog niet.

laèr, verontrusten.

laèt; spelen; schertsen; pla-
gen.

laga; af breken; invallen?

lagan; houtjes die men op
den grond legt om een
praoe op ’t drooge te trek-
ken.

laga(n) bea(n), versleten; in
vallen.

lage (nora rodieng); (met,
de punt van ’t hakmes) door
hakken.

lagen, huur.

lag et, in den boom hakken,
lago, s. boom.

lakang, s. vruchtboom.

lagi (lahi tali), (touw) uit
de war doen.

lahin(g) wond.

la hém, wond.

laï, man; echtgenoot.

laïn kappa, de draden (bun-
dels) even lang maken.

lakang, helpen.

lakka merak, rood goed. .
lakki(ng), heg; omheining;

gevlochten pager.

lako, bezoeken b. v. zieken,
lalang, weg; pad;’t betaamt;

’t past; smelten (ijzer goud).
lale, vlieg.

paö lale Iaën, jonge klei-
ne mangga.

laleï, hier.


322

lam eng, man in den bloei
zijner jaren; mannetje van
dieren.

1 a m i n g (— k a b o r) geraspte
klapper met water mengen,
kabor laming, klapper-
rnelk.

lamoeng, s. blauwe alg.
lamoer, mond spoelen,
lanang, slingerplant,
langgar, over iets stappen;

overtreden.

langgar lelong, voor i.
heen loopen; niet achterom-
gaan.

langoe langoe, s. rood bijna
als paarsch.

laöe, moessang.
la o e (na), zeewaarts,
lapan pita, versperren,
la pen g, om den anderen (b.

v. witte en roode kraaltjes
om den anderen tot een
snoer rijgen).

lapèr, om den anderen.

gahoe lapèr, ander daag-
sche koorts.

lapo ?

oen oer lapo, de nagel
van vinger of teen afzijn.

1 a p o t, golven tegen de praoe
slaan; iemand om de ooren
slaan.

lap pi, rij van een pisang
tros; familiegraad
djaran lappi, zadel.

lap pi djaran, ’t paard
zadelen.

waïng lappi, schoen,
korowolong lappi, been-
schachten.

b i d a 1 a p p i (n g), schede
(van een zwaard).

geppoeng lappi, zit-
bankje in de sampan.

lappi kandeng, bij sta-
pels op elkaar.

larang, rooken (b. v. visch)
roosteren.

larat (—kabor), met een
touw aan de voeten in een
klapperboom klimmen.

lare, oplegger.

1 a r e n g 1 a h é m, etter uit een
wond verder vreten.

lari, schillen.

lasa, een hout om i. op te
droogen.

latan (—te na), de praoe
zoo dicht bij ’t drooge bren-
gen dat men die vast kan
houden en dan kan lossen,
lating, moot (visch); visch
in mootjes snijden.

la wak; vlug.

la war, gebonden sous.

lawat, i. vooraan in hun kleed
verstoppen, — wikkelen.

la wit, binden; om winden.

Ie, als men met ’t gezicht
naar zee staat: rechts; rechts
heen; daar rechts.


323

lea, likken; gember.

Ie ar, lendenen.

leba, i. aan een stok op schou-
der dragen; s krijgertje
(spelen), s. groente.

leb ba roeha, op hertejacht
gaan.

lebbé, dicht maken; spelen.

1 e b b é n g, ’t vet aan den buik
van ’t varken.

leb boer, smelten (goud).

leb o n, i tegen ’t hoofd slaan,
leb on ara, pap maken
van rijst.

ara leb on, rijstepap.

Ie da, s. bankje om de voeten

* op te zetten.

1 e d a w a ï n g, de beenen erop
laten, rusten.

ledang halssnoer; kralen,
leddèr, onderbuik.

leddoen, (. . Iele) rukken;
(maïs afscheuren).

leddoen leddo, afrukken

1 e d è r, dicht bij; naast elkaar,
led o lerrang, op ’t water
schommelen (een vaartuig),
lèè, niet willen.

legen, rolletje (b. v. rotan),
legen tali, touw op een
rondje leggen.

legga (zie laa, laga), af-
doen; af breken; losdoen;
uitdoen.

leggi, ?

bala leggi keliek, oli-

fantstand tot aan ’t schou-
derblad.

1 e g g o e r, golf of diepte achter
den golfring.

djoegan leggoer, gol-
ven op elkaar rollen,
pl.ari leggoer, zoo snel
varen dat 't schuim tegen
de praoe staat. .

leggo (oeter), (boog) span-
nen.

leggon, gorgelen; ’t geluid
van ’t slikken.

lego, ’t klotsen van een vuil
ei.

lego lewor, tong uitste-
ken en dan heen en weer
bewegen.

ga lego lewor, vlug
eten.

toet oer lego lewor,
slecht praten b. v. een let-
ter niet kunnen uitspreken.

legoeng góng, op 2 of 3
tamtams slaan.

lehoen, manen; vorderen,
lëhór, naar beneden gaan;
afdalen.

lekang, begieten (planten),
lek eng, maag; pens,
lek ka, splijten (bamboe).

1 e k k e (g o e ö e r —), uitschel-
den.

lekkoek (—tali), touw,
dubbel nemen.

lek o (ban o—), om iets (b.


324

v. om een boom die op den
weg staat) heen loopen.
lekok, scheef,
lela, belletje, van stukje
blik.

Iele, maïs.

Iele, zie spreekwijzen,
lel eng, samen; samendoen.

woelan leien g, west
moesson.

lelling, beven; rillen.

liar lelling, bevende
stem.

leloe, buigen b. v. hout.

1 e m a, in — opklimmen; op-
stijgen.

lema lep po, in een jiuis
gaan.

lema tena, inschepen,
lemo lemo, een effen gou-

den ring,
lëmboe, schaap,
lemmang, diep; diepte; put.
lemmèr, zinken,
lenang, s. zolder,
lèng, van zelf schudden,
lèng lissan, door den wind
schudden.

lengi, olie.

lengi taïnh, ’t overschot
als men olie kookt.

1 e n s o e (1 i n s o e), hoofddoek.
Ie o, buigen v. hout.

leöe, is, geweest; heeft; maar

(na een zacht bevel, of ver-
wensching).

leöek (djaran), mennen

(paard).

leöer (bano.........), op een

zijweg afslaan.

lepa, bestrijken.

1 e p p a (n g), klapperblad.
leppe, afdammen; den weg

af zetten; wreken?

Ie pp eng, om den anderen
b. v. witte en blauwe kraal-
tjes rijgen.

leppèt, plooien; toevou-
wen.

leppieng, bladen van een
tak afscheuren.

Ie pp o, huis.

lep po et, s. groen duifje. ♦
lèr, leunen.

lerang naï, zonder te an-
keren stil blijven liggen.

Ier eng, langs de kust zei-
len.

lering, te voet gaan.

Ier ra, begraven.

tali Ier ra, een touw om
’t zeil op te hijschen.

Ier ren g, hengel; vischlijn.
behak lerreng, den hen-
gel uitwerpen.

lerro, zon.

Ier roe, wekken.

Ier rong, dag.

lerro ng Ier rong, eiken
dag.

lerrong maï maï, eiken
dag.


325

lessak (manoe..........), (kip

met kuikens) kwaad zijn.

lessoe (lissoe) widing, s.
arend.

lessok, loslaten b. v. uitbet
blok.

Ie te, ergens over been loopen
b. v. over een balk, boom,
oeran lete wolon, plot-
seling regenen en dan plot-
seling ophouden.

eten, ?

dri leten daat, zittende
dikwijls van plaats veran-
deren.

Ie ton, met de praoe op ’t
“drooge raken.

leton eï lireng, op een
klip zitten.

letta, uitnoodigen (b. v. om
mêe te gaan, te spelen of
iets anders te doen).

lettan, in eens door (gaan),
let tak (tali), (touw) door-
bakken.

letting (bano. .. ), de voet-
stappen van i. naloopen om
liern te vinden.

lettong, schipbreuk lijden;

1 e w a t, zeer hoog (gevlochten)
wachthuisje.

leweng (aï. . .), s. heester,
lewwo, bijschenken.

1 e w w o e n ara, rijst met bla-
deren bedekken om gaar
te koken.

lewwoe(ng), opening onder
’t huis (dat op palen staat);
opening tusschen de pooten
onder een tafel.

lewwok, gescheurd; een gat
erin.

Hang, grot; hol; weduwnaar,
doea liang, weduwe.

liar, stem; roepen,
liar goa, echo.

liat, haard d. i. drie steenen
in een driehoek geplaatst
waarop men den pot zet.

lida, s. wan.

liï, kiezen; oprapen.

liïr, bale boven ’t vuur om
viscli op te rooken.

liïng, geluid; geluid geven;
klinken.

gong liïng, de klok (tam-
tam) luidt.

likon, omsingelen,
liling, ’tvet afscheppen,
limang, hand.

limang waoek, kakker-
lak.

limar, vijl,
linang (kabor.........), veel

vruchten (klappers).

1 i n g i (w a w i. ..), vet; reuzel,
linggo langgar, niet goed
gaar; lauw?

linok, helder (van water),
linong, spiegel.

linsos (wewe linsoe), s.
kleine witte boontjes.


326

li ö e, met een touw op ’t voor-
hoofd een mand op den rug
dragen; i. zóó dragen op
den rug dat de gedragene
zijn handen op des dragers
voorhoofd legt.

lipa, ’tkleed der mannen.

1 i p a n g, duizendpoot.
lire(woea), (pinang) in schijf-
jes snijden.

li ren g,, bank in zee.

liri, paal.

lissan, ?

lèng lissan, zie lèng.
lissoe widing, zie lessoe
widing.

liting, ?

arang liting, plank om
op te zitten.

dri liting, op een steen
zitten.

liwang, jaar.
liwoet, viertal.

lö, dwarsbalk.

loa (til o eng.....), vuil uit

de ooren loopen.

loat (aning........), land-

wind overdag (op de zuid-
kust zie spreekwijzen).

loar (zonder werkw. of adjec-
tief of bijw. bij zich), laat
af; maar; (zie spreekwij-
zen).

lobe (1 ipa), kleed dragen;
.... aandoen.

loda ?

dri 1 o da waïng, zittende
de beenen laten hangen,
lodang, halsketen.

t a 1 i lodang, ankertouw,
lodong, naar beneden laten;

van daar: ’t huis uitdra-
gen.

lodong, goederen uit de
praoe doen; enz.

1 o e a t, morgen (d. i. den eerst
volgenden dag).

ena loeat, dezen morgen,
loebak, gewild.

1 o e ë, knoopen in een touw
leggen om de dagen te
tellen.

1 o e g e r (i m a. . . .), s. schelp,
loeheng hoera, wit goed

(b. v. keper).

loeheng mitang, zwart
(donkerblauw) goed.

löëk, poeder; stof..

a d j a löëk, maïsmeel.

1 o e 1 i k (a t a. . . .), slenteraar;
sukkel,

loeli(t), uitgesneden klap-
perdop om uit te drinken,
loeloe, oprollen.

1 o e m a (w e w e.. . .), groote
witte boontjes.

loën, s. visch.

man oe. ...; ahoe. ge-
braden bals van kip, hond
etc.

löën (matang.. . .) loopen
(vocht, tranen uit de oogen).


327

loenoeng (bano. ...), bij
troepjes loopen.

loeöe (....gaï), (rotan)
vlechten b. v. een band om
een bezem.

loering, bot (been),
loeroeng, sous (hun toespijs
bij rijst).

loeroet (loerot), afrollen;
bij stukken afvallen; af brok-
kelen b. v. grond in een
put, van een heuvel.

loese (lose), ontsnappen,
loesi, dozijn.

loesi en loesi lero, dun
papier, geplet koper of zoo
iets waarin men tabak of
iets anders kan wikkelen,
loetek, overschot,
loëwoe, hoofdhaar.

loge lo, ongelijk van lengte;
.... van afstand.

ban o loge lo, niet in den
pas loopen.

logo, moot varkensvleesch.
logowawi, varkensvleesch
in mootjes snijden.

logoe, ingaan.

lohang glodjak, iets op
breken.

lokan, cirkel; kring.

lokit (—ka hor), ’twit in
eens uit den klapper steken.

lokka, gieten; storten,
poera lokka, overkoken.

lol o, kruipen als een slang.

lol o eng (—pare), rijst in
kokend water gieten.

lolong (a ra. ...), de boven-
ste gekookte rijst uit een
pot.

1 ö m b o en g, zich sluieren; rouw
dragen. .

long (nora tali), i (met
een touw) naar beneden
laden.

long lerreng, den hengel
met een steen neer la-
ten.

long iang, visch vangen
met aas aan een touw (over-
dag).

long kappa, kapokdraad
zwart kleuren.

loni, (oor) kussen,
loning, om; voor,
loöng, eetbare paddestoel,
loör, strijken; doen dalen,
loppa, vermijden; wil niet,
zorg dat niet (vóór een
werkvv. adjectief of bijw.)
cf. spreekwijzen.

loppa rason(g), tegen-
gift.

1 o r a n g,. middelste van drie,
lorak, recht.

aï lorak, een rechte boom,
lorak doe pettor, volko-
men (zeer) recht.

lore, zeewaarts afdalen.

1 o r e n g, verklappenaf hel-
lend.


328

lori (iang—), viscli van
den hengel vallen.

lor o, oorlogsdans uit voeren,
lor o rapa, tegen den
vijand dansen van vreug-
de.

loroe, weven.

loroeng giï, naar i. loopen
om te bijten.

lotak, elkaar nat gooien ge-
bruikelijkelijk met vasten-
avond.

woelan lotak, vasten-
avond tijd; maand waarin
vastenavond valt.

lotiek, klein.

1 o tok (— kleren g), snoeien,
lose cf. loese, ontsnappen.

M.

ma ?

dri ma doe ad o eng, zit-
ten droomen.

mail; verdeelen.

maa beli, meedeelen.
maling, tong; pruim (tabak),
maan, strik (b.v. om een kip
te vangen).

maat ?

bano maat midong,lang-
zaam, luilendig loopen.
mada ?

k a b o r k e 1 o e t mada,
jonge klapper.

madisse ton, schoon.

madjok, groote hoop; voor-
raad.

pare madjok, rijst in
overvloed.

maëng, ziel (van levenden
en dooden).

maëng hor o, vlug.

ma ge, tamarinde boom en
vrucht.

mahe (watoe. ...), groote
offersteen.

mahi ?

dri mahi mirong, zit-

* ten droomen.

maï, komen; hierheen.

Ier rong maï maï, dage-
lijks.

maïng, wandluis.

mak ar (—iang), (visch) in
tweeën snijden.

m a k o e r, ’t geluid als men
slaag krijgt; ’t klappen van
kleeren als ze droog zijn.

makok, kom.

makotta, op bergen; bewa-
ren.

m a 1 a w a a n g, een zaak ver-
keerd vertellen; in de rede
vallen.

maleng (mage....), jong
eetbaar blad van tamarinde.

maling, rijst met erwtjes of
boontjes mengen.

m a 1 i t, hard (van eten, hout).
maloe (aï ....), (hout).een
weinig droog.


329

malor, witte mier,
mamma, kauwen,
mam o, zoenen (wat daarin
bestaat dat ze aan de wang
of ’t voorhoofd ruiken).

m a n a r ?

plari manar lewan,in
’t gevaar loopen als men
aan ’t vechten is.
manggor, s. hagedis,
mangoe, mast,
mango waton, haan van

’t geweer,
manoe. kip; haan.

manoe ama, haan.

manoeinang, kip, kloek,
manoe tahi, s. zeevogel,
manoe koli, s. vogeltje
(dat veel op de koli zit),
manoe ma tang goïs, uil.
mapak, scheef staan (de
schijven in een spel),
mappa, kruiselings.
mara(k?), droog; dorst heb-
ben.

marang, land; strand.

abo mara marang, langs
de kust' varen.

abo reta marang, langs
de kust varen.

mar oen, droomerig.
masar (bano. ...), op den
pas loopen.

m a s i, teeken op de huid ge-
brand; geprikt; zelfs ook;
al.

mata, binden; bron; wel;
twee (vereenigde) sirihbos-
jes; zooals men die ten
verkoop aanbiedt.

ma tang, oog; knoop ineen
touw.

matang goïs, blind.

matang klara, ontsteking
van ’t bindvlies (van het
oog).

matang warang, oogap-
pel.

matang kokkon, wenk-
brauw.

matang kaët, haak en oog.
bette matang, op een
knoop binden.

k a b o r m a t a n g, de plaats
waar de klapper met ’t steel-
tje aan den boom zit.

kilassar matang, ring
met steen of glas erin.

sennéng matang, bo-
venstuk (deksel) van een
soort mandje.

bottir matang, stop van
een flesch.

woelan matang ben-
noe, volle maan.

mat arak a, klepper (zooals
men in de goede week in
de R. K. kerken gebruikt
i. pl. van een bel); ratel,
mate, sterven; dood.

aming mate, geen wind ;
windstilte.

Tijdschr, Ind. T, L, en Vk.? deel XXXIV.

22.


330

lerro mate (baa), zons-
verduistering.

mawa (adja..........), uitge-

groeide bijna verdorde maïs.

mawang(kabar ....)? klap-
pergeel.

m aw e, toeven; wachten;
later; waclit een beetje,
manoe ma we, een kleinere
kip (dan eerstgenoemde
b. v.)

ma wek, lastig zijn, huilen
van een kind.

mawoek, zacht geweekt.

m a w o n , iets klein in de
verte zien.

mè, kind; blaten.

meang, zich schamen; ver-
legen.

d e n n a meang, beleedi-
gen.

meddjen, tegenpraten,
mëdja, tafel.

meggoe, beminnen; be-
treuren; spijt hebben; be-
zorgd zijn.

me ha, alleen; zelt.
me-meha, uitsluitend; al-
leen maar.

meing, vleesch; bloed.

mek kon, droog (van een
wond).

mek kot, regelen; in orde
brengen, wegbergen.

mekot, scorpioen.

m e 1 a, binden (wat gebroken is).

m e 11 a, slikken ; doorslikken,
b a 1 a m e 11 a w aj e r, oli-
fantstand tot aan de keel.

mloek, zuiver.

mei o er, glad.

meme amoek! zwak,
memmèk, zwak; getemd;
gedresseerd (een paard).

rnemmoeng, mond; bek.
m e m m o k, zie b e m m o k.
men dele (aï.......), s. zwart

hout waarvan men armban-
den maakt.

men dor, recht.

aï men dor, een recht
stuk hout.

gerra men dor, met ’t
lichaam rechtop staan.

mèngan (manoe ....), on-
bedreven kip (bij het lianen-
vechten), nieuweling.

mengarti, begrijpen,
mennang, winnen.

m e n n e (i m a .. . .), s. schelp,
m e n n i n g ?

kettik mening ha, zeer
weinig.

mennoe, cf. bennoe.
m e n n o n g, sterk; stevig,
m e n n o n g b a 1 i k, rijk.

wateng mennong, stand-
vastig.

men o, omkijken.

meöe, medaille.

meöe meleng, spionneeren.
meöng, kat.


331

ima meong, s. schelp,
meppa, afluisteren,
merak, rood; bruin,
merak bandelandak, zeer
rood.

merak boe toe, zeer rood,
merak peres, „ „

mè merak, pas geboren kind.

waën merak, ijverig.

merang (bano....), bo-
venlijf naakt loopen.

merra, gisteren.

merre, roode mier,
merri, effen.

merrién, s. zeer kleine mier,
m er ring, kippeluis.
m er roek, vermolmd,
messa, groote mier.

messing, ondergaan (zon,
maan.)

lerro messing, 6 uur
’s avonds.

metta, stil staan (als een
draaiende tol niet van plaats
verandert.)

métteng, meenen; denken,
mètteng torna, lioopen.
metting bennoe, vloed,
mettinglema, „

metting ma ra, ebbe,
metto, waterluis.

mi, zoet.

t o e t o e r mi, zoetsappig
praten.

wat eng mi, zachtmoedig,
migoer, taai; onrijp; hard.

m ih ar, i. op den hak trappen,
mihe, s. kleine mier,
miït, zonder naad,
miöe, gijlieden,
mioeng, uw (meerv.)
mior, mooi, lief.

mior minggo lio, schoon,
mior maor, schoon,
miping, droom; droomen.

m i r i n g, op zij hangen (praoe.)
bano miring, met’t lich-
aam scheef loopen.

dri miring, scheet zitten,
netti miring, achter den
rug houden. .

mirong (mahi.........) heen

en weer slingeren,
mi si masar, effen,
misir, effen.

mita, ketsen (geweer),
mi tak, zwart, vuil.

m i t a ng, zwart; donkerblauw,
toea mitang, gedistilleer-
de inl. drank.

kabor mitang boera, een
min of meer oude klapper,
ami tebbong mitang,
wij zijn bruin van lichaam
(huid.)
mö, bekken.

moa, gapen; geeuwen.

oeran moa baa, ophou-
den te regenen.

moan ?

dri moan mandok,alleen
zitten droomen,


332

moang oud; titel = meneer;
jongenheer.

mobO; zitten droomen na het
opstaan.

modjo, luizen.

m o d o e (t a d j o e n g), schoon,
m o d o e (n g), voorkomen, soort;
aard.

moede (mi), oranjeappel,
moede tellong, citroentje,
moegeng, s. groen duifje,
m o e h è r, dwarlwind.
moelioek, stomp; uitgesleten
(mes).

m o e h o e n, wijfje (van katten,
kippen.)

kabor moe hoen, zeer
kleine klapper.

m o e k i n, van ouderdom niet
meer jongen; kip geen eie-
ren meer leggen.

moekoek, achter den rug
mopperen.

moela, planten,
moelang (aï. . ..), stut
rnoeöe, ^pisang.

moeöedjawa, papaja,
moeök, k$p (mand etc. zóó
vol dat er een kop op staat),
kop (top) op de golven,
moer o, bang zijn b.v. om
ergens in-, op te klimmen,
moes ar, knorren (varken als
het eet).

moesoeng, rooken (tabak),
moet, algemeen.

doe moet, veel,
moet woër, zeer veel.

moeta......., braken.

m o e t o e n (g), aanbranden, de
aangebrande korst.

moga, meedoen; ook.
mogat, „ „ ; samen,

mogor, groot.

mogot, groente voor varkens,
moho, wrijven; insmeren,
mohok, stomp.

m o h o n (g), rotten; rot.

moï, wroeten.

mok ar, wroeten.

molang, wit goed waarmee
ze zich insmeren.

mole, en; nog.

m oio, rijstdiertje; recht; recht-
vaardig; juistheid; zooals
’t behoort; meeslepen,
molo doe pettor, zeer
recht.

maloe, duiken.

m o n ?

dri mia mon, alten zitten
droomen.

m o n e, groote ivoren polsriog.
moöng, streelen, liefkozen,
moor.

1 i ï n g doe moor, geen
helder geluid geven; van
alle kanten geluid hooren.

moras, s. hout.

mordomoe (a. .. .), s. feest
vieren.

more, vliegende mier.


333

moret, leven.

mor o, boos.

mor o moe sar, woedend,
mor o moïn, zeer kwaad,
vijandig.

moroen, honger — ; gebrek
aan etenswaren hebben.

mosa, vet (van menschen).
moto k, s. verzwering van de
eelt (van den voet b.v.)
mowo, ruiken.

Uk

na, gaan; achter een woord
geplaatst drukt het de be-
weging of richting daarheen
uit.

naa, tante.

nadar (rodieng), (hakmes)
vatten, grijpen; in de hand
houden.

nadong, ja knikken,
naëk, in ’t spreken of zin-
gen trekken.

naga, waterslang.

naha, moeten, cf. spreekwij-
zen.

nahing (kabar), klapper-
boom in den top schoon-
’ maken.

naï, neerleggen; bewaren.

n a ï t o e r a n, kaarten of boe-
ken op elkaar leggen.

naï ata mateng, doode be
graven.

naï dabak, verstellen; lap-
pen.

nai liini, inzouten.

naï nora hini, inzouten.

naï ma moe—, kip inden
boom vliegen om te slapen,
naïn, zonder ophouden,
naïng, wedden; geld opeen
haan zetten bij ’t lianen-
vechten.

najer, afkeer; walg.

n aj er d o en o r, katterig zijn,
nakkat, zuurzak.

nako (wawi), een varken
in een mand vlechten met
den kop eruit.

n a 1 a, halen; nemen; koopen.
n a 1 o e n g, voorraad; voedsel;
uitzet; kijken; aanschouwen.

n a m i t, goed wat gekreukeld
is recht trekken; kapok
schoon maken.

nana, vlechten,
nanang, etter; hars.

nane, lang; langzaam,
nanga, rivier.

nani, zwemmen.

na o, stelen.

1 i ï n g n a o n e a r, geen hel-
der geluid geven; van alle
kanten geluid hooren.
toetoer naö noeng, ver-
tellen.

n a p p o e n (g), droog rivier-
bed; valleitje; diepte, ra-
vijn.


334

nara, broer (zoo noemt een
vrouw haar broer of neef);
wakker (zijn).

narang, naam.
narat, vochtig,
n a r i, ophouden; rusten.
naroek, zaak; ding; twist-
geding; liedje.

denna naroek, liedje
zingen; dansen met zang
of muziek.

nassang ha, (van) één fa-
milie.

n a s s è r, (eene wond) grooter
worden.

nassoe (toea—), stroop,
n a t a n g, barsten; scheuren.
n a t a r, samenscholing (van
visschen b.v.); nest (van
bijen en mieren) kampong,
natoe, sturen; zenden,
nawar, verkouden.

n a w i, s. vette vischjes blauw
en zónder schelp.

nbewa, bepaald hout in de
praoe.

nbewo, s. onkruid,
nboëng, op-, om winden,
nè, zand

laoe nè, strandwaarts; op
’t strand.

nè bennoe, verzanden.
nea, opzwellen van rijpende
vruchten.

nea wiing, rijp van vruch-
ten.

nedèr (eï wa) kloppen (op
de deur).

n e dj on, opschuiven op bank
of grond.

neg ar (liïng—), veel stem-
men bij elkaar; gedruisch.

n e g g o e r, dof geluid (als van
donder, zwaar schot, golf-
slag), rommelend geluid in
den buik.

negen glèt (bano. . ..),van
tijd tot tijd op weg blijven
zitten om niet gauw thuis
te zijn. ’

nego neo (bano...), achter,
achterblijven.

nehèk (djaran), (paard)
vertuieren.

nekkoet newoet (denna...)
iets slaperig, langzaam doen.

nel eng, op zij gaan om i.
voor te laten gaan op weg.

nellar, leeg.

nemmit kappa, kapok
zuiveren.

n e m o n, klein (ineengedron-
gen), als men een zwaren
last draagt.

n e n a n g, verschooning; van
kleeren veranderen.

nene, cf. nemon.

nèng, weeken.

nenni, vragen om iets te
krijgen.

nenni netting gellit,
zonder ophouden vragen.


335

nep ar (dri.......), op den

grond zitten.

neppak (iroen....) platte
neus.

nerang, schoteltje om onder
iets te zetten.

nerang ledang ?

nere ata, bamboe rond ’t

dak onderaan.

nercng; aanbeeld.

nerrak (iroeng...), tusschen-
schot in den neus.

n erren g, brommen.
nete, allen.

nettak, varken of hond roe-
pen als ze dicht bij zijn.

netti, brengen; vasthouden,
netti limang, de hand
geven (vatten).

nettoek, piepen (muis).

teöe nettoek kiït, de
muis piept.

n e war, uit elkaar gaan; terug-
keeren.

newwang, kunnen; mogen,
ngaak, stotteren.

ngaan, moedig; stout,
ngadji, bidden.

ngaking (wajer), (een put)
schoon maken.

ngalang, overwinnen v.
menschen.

ngandeng, verhemelte,
nganga, den mond openen,
ngangan, stom; onwetend,
onhandig.

ngaoen, lossen.

n g a r o n g, toestemmen; be-
looven.

ngasiang, knap; geleerd,
ngasoe (hangasoe), hon-
derd.

ngasoe roea, tweehonderd,
ngawoeng, goederen; be-
zittingen.

ngëdjeng (wiing) twisten,
n ge ken, in ’t midden dun.
n g e 1 o, s. boom en zijn vrucht,
ngèng, verwelken.

ngëöe leloe (toetoer....)
slaperig of als een dronkene
praten.

ngeöeng, pitten uit de ka-
pok werken.

n g e r a n g, verspreiden ; uit
elkaar gaan.

n g e r r i s, s. zeemos (eetbaar).
ngerros, ’t geluid als men
ongare oebi’s of vleesch eet.

n ge w w i, tooien; verfraaien.
ngiengo, pijnlijk gezicht
trekken.

ngioek, hinneken.

ngioen aoes, grooten mond
opzetten; schreeuwen.

ngoëng, keelopening van ’t
baadje (maken).

ngoro, voortslepen.

ngoro tena, praoe op ’t
drooge trekken.

ngoro rabang, ’t werp-
net optrekken.


336

nia, kijken; bekijken; aan-
kijken.

nibon (moeöe...), jonge pi-
sangstam.

nidi, knielen.

n i d o e, met de hoorns stooten.

bano nidoe, met’t hoofd
vooruit loopen.

niha, pager,
niï, vleermuis.

niï alioe, vliegende hond,
nilo, schijven (maan; lamp.)

nilo ata mateng, kaars
opsteken voor de overlede-
nen.

niloek, zuur; rheumatische
pijn.

toea niloek, azijn,
nimoe, hij; zij.
nimoeng, zijn; haar,
ningo neo (bano ..,), lang-

zaam; lui loopen.

ninoe, drinken.

nioe nelling (plari....),
langzaam loopen; veel om-
kijken.

nioen naoen (bano...)
mooi willen loopen.

nioeng, tand; omgebogen top
van ’t lange rietgras.

nioer (kabor...), oude (uit-
gegroeide) klapper.

nipek (iroen...), platte
neus.

niroe, spuwen,
nisi, karbauluis.

nisi noneng, verscheiden-
heid.

n i s s è r, zittende over den
grond kruipen.

nitan g, ?

woelan n i t a n g, de eer-
ste dagen der nieuwe maan,
nitit (bano...) met groot
gedruisch loopen.

nitoeng, geest.

niwon nawar, steunen bij
’t werk.

noang ha, gemakkelijk,
nöë, s. visch.

noeang, huilen, blaffen; ’t
geluid van karbau.

noebo (iang), hout door een
visch steken en bij ’t vuur
bakeren.

noed ji, borduren.

noegèr, benauwd (als er veel
menschen in één kamer zijn).

noehang, eiland,
noehing, rook; damp.

noehoe, vijand.

taoe noehoe, oorlogvoe-
ren.

noehoeng, rij stblok.
noekak (ata....), wees;
arm.

n o e 1 o e, voorgaan; eertijds;
vroeger.

noëng, arm b. n.

n o e ö e, zuchten; steunen bij
zwaar werk.

noeöe nerrek, steunen; bib-


337

beren bij de koorts,
noepèr, s. boom,
noerak, jong.

m è noerak, een kind tot

3 jaar toe.

adja noerak, jonge mais.
rebboe „ week ijzer,
noeroen, rommelend geluid

van den donder;, .. in den
buik.

noesar, zich schuren,
noewoe, broeden.

nege (rodieng) spelend in

’t hout hakken.

noho, wrijven; insmeren,
nokko (djaran), paardje
spelen.

n okon (roegoe....), mager,
nona, zaaien; zaad.

noni, vegen.

n o n o e n g, verrèkij ker; er
door kijken.

nonoeng djöng, door
den kijker naar een schip
kijken.

n ö, uitnoodigen, gelasten;
bestellen.

nóöt; voorzingen; voorbid-
den.

nope, branden; bakeren,
nope parak, pisang van
schil ontdoen en bakeren.

nopok, eindje bijv, cigaret-
te.

nora, geleiden; met; tot;

aan.

n o r a n g, zij n; hebben=bezit-
ten.

noroe, weven.

norok, ouder in een mand
kijken door de biezen te
verschuiven; ónder ’t huis
de bamboe verschuiven en
zoo erin kijken.

norok wettan, s. zwarte
kunst.

nosor, ?

dri nosor, maar op zijn
kleeren gaan zitten; niets
ontzien.

olong nosor, s. duifje
gelijk de tortel maar veel
kleiner.

noti, bezaaid land wieden.

O.

oa, s. vogel; s. bruin hout
(veel gelijkend op den turk-
sclien eik).

oang, een hond roepen.

o dj o r (b a n o . . ..), voorover-
loopen van ouderdom en
met kleinen pas.

o do, bevelen; in hinderlaag
liggen, cf. spreekwijzen.

oeba, s. grootere hagedis.

o e b e n g, achterste; ondereind
van een flesch, mand etc.
wila oebeng, heks,
ima oebeng brat,»,
schelp (als men ’t vischje


338

eruit eet, wordt men zwaar
van achter!)

oebèr, s. witte mier; opstaand
hout bij een muur.

oeboeng, bovenste blaren
v. tabak, koli enz.

wawa kabar oeboeng,
5^2 uur ’savoads.
oedeng, hak; hiel,
oedoeng (pare. . . .) enkele
padi korrels door de rijst.

oeëng (ata . . . .) heks,
kikir oeëng, middelste
vinger.

oegoe s. hagedis.

oehe, deur.

o e h o e n, vrouweborsten; zui-
gen.

oehoen (wajer), melk,
oehoeng, schroef.

oeï, krab.

oeï era, s. krab (vorm als
een schildpad).

oekoen (hoekoem). heer-
scben; straffen; gebied,
oekoen gahoe, zwaar
veroordeelen, straffen; streng
bestuur.

oelar, slang.

oele, worm; rups.

oele woeëk, worm in
de boontjes.

oeleng (pare..), bundel padi.
oeli, roer.

oeli goën, hout aan ’t
roer om te sturen.

oelit, huid; schil; bast,
oeloe elleng (bano...),
blijven staan nu en dan;
slenteren.

oemeng, kleine schelpdiertjes.
oeming, baard.

oena, likdoorn,
oene (oeneng), erin.

tanah oeneng, cura^ao-
sche amandelen.

oenoe, aarden pot om in te
koken.

oen oer, nagel.

o en tong, winst; voordeel,
oepoe (ha...), een weinig;

een stukje; de helft van
(iets langs) de lengte.

o era poe, volle nicht; aan-
getrouwde zuster.

oeran, regen.

o e r a n r e ti, stofregen.
oeran kroen(g), stofregen,
o er at, regel; streep; schram
op een tafel b. v.

o e ring (tena....) achter-
steven.

oeroe (...ai), obat onder
een boom leggen.

oeroe ar as, schreeuwen
(veel menschen bij elkaar),
oeroe bokak, miltziekte,
oeroe nesse, cholerine.
oeroe w i d i n g, vallende
ziekte; stuipen.

oeroen, gebruikelijk licht
om bij te lichten.


339

oer oen boe ar, water-
hoos.

oeroet, kammen; beenen
kam.

oeta, wild.

oe t an g, vrouwenkleed; groen-
te in ’t algemeen; papaja
blaren in ’t bijzonder.

oetèr, boog.

oetoe, luis.

oetoeng, verzamelen,
oetoer, onkruid; onbebouwd
land; wildernis; buiten,
ata oetoer, buitenlui,
boeren.

lalang oetoer baa, de
weg is begroeid (dicht
gegroeid).

oewoeng gier rang, bang
zijn alsmen schiét.

o ha, mat.

ohoe, groote oebi.

ohoe aï, oebi kajoe.

o kan, kalkdoosje.

o 1 a, plaats; wat iets inhoudt,
ola kèt, sierplaat.

ola nilong, pitje in een
kom met olie.

olang, cf. ola, en stam van
een boom.

ole, lans; s. spel in en be-
schreven vierkant met af-
deelingen.

ima ole, s. schelp.
olieng(liar...), mooie stem,
olong, tortelduif.

omar (adja—), ’t hart van
een maisklos.

o mi, dicht bij.

o mi roö, bijna.

omok, samenkomen; samen-
komst.

ondjon brok (bano...), een
zieke waggelend loopen.

on eng, broek.

öng (—mè), kind sussen,
ongen (getté), veel boomen;
groot bosch.

ongor (liar...), brommende
stem.

oni, veger.

öök, braken; i. in de hoogte
komen; opbreken.

ore, hijschen; optrekken.

o ring, huis.

o rok, vuilnis bij elkaar vegen,
harken.

orong, krijgsdans met zang
uitvoeren.

o rot, i. nadoen in zijn praten;
napraten; een varken in ’t
oor snijden om te teekênen.
ór tellong, s. eetbare vrucht.
osong(boro...),zagend snij-
den.

otèk, hersenen.

oti, de grootste hagedis (van
één meter en langer).

oti, eerst; maar vast.

oto, komkommer,

o wak (adja..), het hart van
een maïsklos.


340

P.

pa, zich neerzetten (van vo-
gels op een boom ; vanvlin-
ders op een struik of blad),
p a a k, branden; brandmer-
ken.

paan, dij; lies; tuinhuisje,
paang, achter elkaar zetten;

b.v. schijfjes in een spel,
paat, planten; verplanten,
padak, korte beenen (v.

menschen); korte pooten
(een kip b.v.)
padda leda, s. zitbankje,
padeladak, lang bij den
grond; klein van stuk; cf.
padak.

padoe, papaja.

pa ga, met vinger en duim
spannen.

pago (... m an oe), hanen el-
kaar laten pikken om ze
aan te zetten.

pahang, heft,
p ah o en, wang.

païn, insteken; b.v. kristus-
schen rug en kleed.

paka, pollepel.

paka balong, pollepel,
pakar (—iang), visch open
(in tweeën) snijden.

p ak e t (—k a b o r), inhakkin-
gen in den boom doen om
er in te klimmen.

pakket, gebruiken.

pak o (ban o...), op de hie-
len lojopen.

pakoe, spijker.

p a 1 a (w o e a—), nootmuskaat,
palet, inlandsch klimmen,
p al ik, schouder.

pal o, houten hamer.

p a 1 o er, i. met een hout slaan.

p a m b a o e, bamboe onder
’t zeil.

pana, met boog schieten,
p a n d a r a (—t e n a), één an-
ker op strand leggen.

pangili, bamboe boven ’t
zeil.

pani (pane?), nap.
pan kor, kleine praoe.

pao, manggaboom en zijn
vrucht.

paöek (manoe.........), bijna

geele kip.

paoe, op schouder dragen
(grond, steenen etc.)

p a o e n, zweren, verwenschen.
paöt, verbieden.

papa (manoe.. .) haan met
veeren als een kip.

nenni doe papa olok,
iets zeer vriendelijk vragen,
pappa, halveeren.

pappa tellong, in een
doorgeslagen ei kijken (een
wichelaar).

ha pappan g, de helft; de
linker of rechterzij; van den
anderen kant van den berg.


341

paral in te (p aralitte),
slecht menscli; bedrieger.

parang, eelt.

kabor parang, ’t wit uit
den droogen klapper.

pare, ongekookte rijst,
pare ama, ongebolsterde
rijst.

pare warang,gebolsterde
rijst.

paring, scheef zitten (b. v.
voor tafel).

paris ha, #een paar,
paris sa, onderzoeken,
passak, schieten,
passatempo, kris met mooie
gouden schede.

pas si sa n (precisan), pro-
cessie.

paté, gelid; lid v. vinger,
patola, s, bittere komkommer,
pawoen (manoe.........) kip,

kloek of moehoen.

pear, met obat bestrijken;
behandelen.

peda (— h o e a t), touw draai-
en (van gemoeti).

pedar, 'eten uit elkaar doen
dat te warm is.

peddang, ananas; cactus,
peggi, s. kleine kakkerlak;

tegen eene wond stooten;

(zelf of een ander.)
p e g o e r, scheef.

pehang, ander; anders,
pekkadór (pakadór), laad-

stok.

pekké (tiloeng...), doof,
pekkit, eventjes; (raken b.v.)
pekkoe wiïng, elkaar
stooten.

pekkók, ?t geluid van iets
wat springt.

pekoe, s. bloem (eetbaar),
pelang, rijst met boontjes,
pelita, inl. lamp.

pellang, kleeren aandoen,
k i k i r pellang k i t a,
ringvinger (middelste-).

p e 11 a t, om den anderen ver-
wisselen ; bijplanten.

pelli, dunnere bamboe.

p e 11 i t, tusschen rug en kleed
steken, kris b.v.

pemme, knijpen.

p e n d o, kris met gouden
schede.

penna, zoutpan.
penneti, speld.

penning, kippen te eten ge-
ven.

p e n o e (— h a), een snoer,
pepehang, verschil; elk af-
zonderlijk.

p e p e t, hanenbaard;—lel.
peppien; slapen(van’thoofd),
pere (—waïng), insnijden
als er een splinter of doorn
in den voet zit.

per eng, mikken.

p e r o n, weiden; in 7t gras vast
zetten.


342

per ra, uitknijpen; melken,
perri (aï. . . .), s. heester,
persaja, gelooven.
persoema, te vergeefs,
pesa, kanon,
pessoe, storm.

pesti, uitslag als roode hond,
pettik (tali. ..), touw op ’t
punt om te breken.

petti, afgieten (’t water van
de rijst).

p e 11 o e n, zeer dikke bamboe,
pet tor, met geweid ergens
uitkomen; b. v. water uit
een spuit, kogel uit een
geweer.

pettor gii, (een hond) naar
i. heen schieten om te bijten,
pewe, aan de ooren hangen.

pewe tiloeng, oorbel,
p i dj è r, smeden; soldeeren.
pië, verduren; lijden; vasten,
p i g a n g, bord; groote aarden

kom; als adjectief drukt
het uit dat ’t voorwerp
van dezelfde stof gemaakt
is als de aarden borden;
bottir pi gang = een
kruik, aarden zalfpotje etc.
p i k i r, denken, gedachte,
pi koet, duwen; drukken,
piko pako (bano, ...)op
de hielen loopen.

pi la, exerceeren.

pilas (manoe.. . .), gespik-
kelde (wit met zwart) kip.

pile, (gaan kijken naar een
een feest b. v.

pingo lingon (bano....)
slenteren.

pion (g), neerleggen; offeren,
piong tena, nagemaakte
scheepjes in ’t water zetten
(zoo als kinderen doen).

pi pa, vuurslag.

pipak, lam; i. die niet gaan
kan.

pi ra, hoeveel.

p i r e, verboden; ongeoorloofd
hetzij zedelijk, hetzij bloot
natuurlijk, hetzij om onder-
linge overeenkomst.

pi ris, schoteltje.

pi roe, vereeren b. v.’t kruis
vereeren zooals gebruikelijk
in de Kath. kerk.

p i r o e 1 i m a n g, de hand
kussen.

p i s e, stijf, stevig, sterk maken,
pise enak, de schijfjes
(s. vrucht als de kastanje
maar platter) stevig in den
grond vast zetten.

pitèk, met de vingers knippen,
pitoe, zeven.

plaar (—tali), (touw) los-
gaan; losmaken.

p 1 adin g, naast elkaar zetten,
plandjong, kleed aandoen,
plage, kruiselings.

dri plage, met de bee-
nen over elkaar zitten.


343

plahar, splijten; gespleten
bamboe voor vloer en ba-
le-bale.

p 1 a b a r o h a, mat uitrollen.
plaïn, liegen.

plapleng (naroek,) goed
spreken, vertellen zoodat
er niets op te zeggen valt.

p 1 a r e n g (k o 1 i..), ’t koli blad
als het geschikt is om er
iets van te vlechten.

plari, hard loopen (ook van
vaartuigen); vluchten ; weg-
loopen.

plari man ar poekoe, in
’t gevaar loopen bij vechten.

plari poekoe djoedjoeng
in ’t gevaar loopen bij vech-
tenden.

plari prading (plading?),
wedloopen.

plari pred dong, hard loo-
pen.

plasing naroek (dri..), als
een oud man zitten praten.

plea (aï...), geneesmiddel,
aï pleé, warang, pillen.

plea plaoek, kind brutaal
tegen een grooteren.

p 1 e b b e n g, drempel.

plebbor (dri...), maar gaan
zitten op zijn kleeren, niets
ontzien.

plegga, met een mes steken,
pleho, omdraaien; verzwik-
ken.

plelier, waaier, en ermee
waaien.

p 1 e m a r (—w a w a tan ah),
op den grond gooien.

plemeng, loeren.

plenar, uit elkaar leggen
in de zon.

pleöer, handel drijven,
plepa, omhangen,
pleppar (oeter—), boog-
pees ontsnappen.

pleron, cf. peron.
plewang, prijzen; loven;
pochen.

p lig o er (bette...), de 4
pooten bij elkaar binden, de
handen op den rug binden.

p 1 i hoer (— k o 11 i r), den tol
uitgooien.

p 1 i 1 i n g, rangschikken.
plinong, laten bezinken,
plipon abon, bij elkaar
op een hoop doen b.v. rijst,
plirang (dri...), in den
wind gaan zitten als men
warm is, (misschien bli-
rang).

plo (—maang), tong uitste-
ken.

plo naïng, ademhalen.

plodar, met twee man op
één paard rijden; met twee
man de een na den anderen
ook op één tol werpen.

p log ar (—adja), maïs in
vlammend vuur bakeren.


344

ploio, gelijk—, op orde ge-
steld.

n aï p 1 o 1 o n g, neven elkaar
leggen, b. v. de heften der
messen gelijk naast elkaar
leggen.

plonang (liar. . ..),heldere
stem.

pion (—ladjar), ’t zeil slap
hangen.

ploör, europeesch klimmen,
p 1 o r o, diarrhee hebben; pur-
geeren.

plosoer, effen, glad.

kilassar ploboer, effen
ring (zonder glas of steen
erin).

rodieng plosoer, hak-
mes zonder heft; zie spreek
wijzen.

poa, morgenlicht.

po ar, ergens afspringen; voor
den dag komen.

poe, oomzegger; — zegster;
kleinkind; eigen; soort pijn-
boom.

poea (ng), boom.

p o e a n g, begin; oorsprong;
beginnen.

poeang wawa tan ah,
op den grond gooien.

mangoe poeang, bene-
denmast.

naï poeang woetoeng,
om den anderen met kop
of boveneind naar boven en

beneden leggen.

tiloeng poeang, been
achter ’t oor.

p o e ë, iets gaan of laten zeg-
gen ; verlof vragen.

poehe, navel.

p o e h o e n (g) bloem ; bloe-
sem, hart.

adja poeh oen, maïsbloe-
sem.

padoe poeh o en, papaja
bloesem.

pöëk (watoe...), s. steen,
onder anderen ook tufsteen.

poeket, vischnet.

poe koe, dapper in den oorlog
poelameng, oom; schoon-
vader.

poelar, iets b. v. blaren
in de hand fijn wrijven.

p o e 1 i, ongedaan; weer gel ij k.
aï plea poeli, tegengift,
den na poeli, ongedaan
maken.

mate poeli, van weers-
kanten [(bij vechtenden)
evenveel dooden.

poeloe (—ha,) tien.,
poenoe (wiing), twisten,
p o e ö e (—1 i m a n g), (de han-
den) wasschen.

poeöer, een stuk b. v. sirih
loehier poeöer baa,
de naald is stuk (gebroken);
aan stukken.

po era, koken (water).


345

poerang, gisten,
poeroe, s. puist, uitslag,
poet (—tali), touw draaien,
poe tik, boor.

ima poe tik, s. schelp,
poeting, smeden,
poï, maar; slechts,
poïn iang, ’s avonds met
den hengel visschen.

poïn mè, kind dat huilt
sussen.

pok o (tali—), s. touw,
pola, inschenken.

pol ar mè, kind te slapen
leggen,

pole, nat goed oprollen om
uit te wringen.

pole ladjar, ’t zeil op
rollen.

toetoer pole loreng,
eerst mooi praten daarna
verklikken.

poma, in ’t slijk wentelen,
p o n o e (n g), trechter.

pon toe, blikje (kruitblikje).
por, bijna.

poran, tarten; uitdagen,
por on g, hakmes.

posing, uitknijpen.

p o t o , iets van beneden

naar boven brengen; op-
halen.

poto liri, paal opzetten,
pot o wajer, waterputten,
poto watoe tara, anker
lichten.

po.to glók, aker van pi-
nangblad.

p o t o n g (— r o d i e n g), (hak-
mes) uitdagend in de hoog-
te houden.

p r a, vragen om iets te weten.
pra prewo, i. uithooren.

praa wiïng, tegen elkaar
loopen.

prading, scharen.

praot (daang...), duister,
prapat (—ha), een bundel,
p r e d d a n g (p 1 ari..), sprin-
gend loopen.

pregga, met een mes ste-
ken.

pregi sodjoe, lui.

prehok (...ara), gare rijst
op ’t vuur laten staan om
uit te droogen.

prehok liri, een paal op
een steen recht zetten.

prèk, knagen (muis.)
premmet, zuigen.

prepoe moekoek, mop-
peren.

prepoek, morren.

preppoepoea(daa...), ver
indringen.

pressak, smaken (eten),
prettang, s. heester,
prettoek hama-hama,
even lang.

prina, luisteren.

priping (...eï aï), schuilen
onder een boom.

Tijdschr. Ind. T. L. en Vk., deel XXXIV.

23.


346

prisek, geluid geven met den
mond als men kwaad is.
proang (adja...), maïs in
de vlam bakeren.

p roe pi, blazen,
proetoeng, bedekken.

R.

raa, grijpen; vangen; vatten,
rabang, werpnet; ermee vis-
sclien.

ra dat (plari...), niet zeer
hard loopen.

radi rodong (bano...), hard
loopen als er iets te doen is.
radjo wetto, lang bord;

schaal.

rado, stooten.
raèng, bang zijn,
ragan (ima..J, s. schelp,
rage (...aï), takken van een
boom af rukken; flink ruk-
ken aan de roeiriemen b.v.
rage bèndi, haan (van ’t
geweer) overhalen.

rage regan, i. heen en weer
schudden.

rahang borst, (pectus).
raï, vuil.

raï laban, vuil.

raï pa lik, de hand op
iemands schouders leggen,
raïk, wanneer, als.

r a ï n g, tan d vleescb; in wr ij ven.
raïng iang, inwrijven

met asam en zout.

raïng tebbong, ’t lichaam
in smeren met vaste obat.

raït, naaien.

raït rahang, net breiden,
raïtang, verstaan; begrijpen;

weten, kunnen, zie spreek-
wijzen.

rakan(g), jagen; speuren
b. v. een hond die rond-
snuffelt naar wild.

rak kan, zeer; erg; veel,
rak kon, een gekleurd (wit en
bruin of zwart) s. mandje,
ramang, tasten; betasten,
ramoet, wortel; uitkomst; in-
val, slimme zet of trek.

raning, durven; dapper; bru-
taal.

r a n t ak k a, dun kanon en ge-
weer met groote mond-
opening.

raó, bij elkaar doen en meê-
nemen, garen; verzamelen,
raó né, zand opscheppen,
raó manoe tellong, eie-
ren garen.

rapa (soba. . .), probeeren.
rapé, afplukken; af halen b. v.
maïs.

rasa, denken; meenen; sma-
ken ; gevoelen; proeven,
probeeren; ondervinden,
rasa naï, denken.

ra si, wasschen.
rason(g), vergift.


347

rata, wild hoen.

rata tiloeng, goede ooren
hebben.

rati, klapperbast.

ratoe, koning.

ratoeng (manoe. ..), kip
met eieren in.

rawa, s. groote vruchtenduif,
rawang, (aï doeöer...),
boom zonder bast.

ra win (g), ontwerpen; maken,
slim, verstandig.
atarawin,de deskundigen.

rawoe, i. bij de handen ruk-
ken; kapot trekken.

rawot, gescheurd.

rebet (waang....), mond
vol eten.

rebboe, ijzer.

rebboet, knijpen; kneden,
rebong, iets van boven af-
nemen.

red da, met een stok in den
grond steken om te zien
of hij hard is; met een
stok op den grond stooten
zooals de gemaskerde spe-
lers doen.

red on g, doen schudden; uit-
schudden.

reggan, marktplaats,
reggan (.. .nora), ontmoeten,
reggan (bano. ..), te gemoet
gaan.

regget, kleven.

reggo (... adja), maïs eten.

reggon (hini...), grof zout,
regio, opbeffen; opnemen;
plaatsen.

rego, omroeren; aanwak-
keren ; oproepen om bij
elkaar te komen.

rego geddang, trommelen,
tena rego, de praoe slin-
gert heen en weer.

rëhéng, kuchen,
rehi, niet kunnen.

rekot, kraken (huis); kapot
maken.

rem ma, opnemen; wegne-
men; over — na.

remma telloe, na drie da-
gen.

rem ma telloe eï, voor drie
dagen.

remmeng (giï...), door bijten,
remming, gl i ml ach en.
remmong, insmeren met olie
of vloeibare stof.

rèng, belletje.

ren na, hooren; gevoelen,
renna moroen, honger
(voelen) hebben.

ren na najer, walg, af-
keer van iets hebben.

re oen renek, doen schudden,
repoet (djaran... waan),
’t paard eet gras.

reppa, vadem; de hand op
iets leggen, ook ten teeken
dat men recht heeft op ’t
voorwerp.


348

repping (1 ahing...-), gene-
zen wond weer opengaan.

reppet (reppét), knetteren,
reppet rèt, met de vingers
knippen, ’t geluid daarvan.

reppieng (heroek...........\

voorproeven bij ’t drinken.

r e p p o (... aï), (hout) door-
brengen.

reroen, zeer zachtjes wrijven,
rerong (bano...), rondloo-
pen; slenteren.

ressang (. . .bèndi), haan
(van ’t geweer) overhalen.

ressoeng, manen (v. ’t paard),
reta, op; boven.

rete, kraken,
rettek, gulzig.

rettoe (aï...), brandend stuk
hout (om vuur aan te hou-
den).

rewoe, uitwasemen,
rewoek, uitrafelen; franje,
r e w o n (b a 11 i...), zonder re-
den i. dooden.

rewot, omkijken,
r e w w a n g, afdammen,
re w w i t (k e p p i k...), klap-
wieken.

re w wo e, zweeten.

ri (. .. pare), padi dorschen
(met de voeten).

riak (. . .. iroen), neus op-
trekken.

rib o rabbo, ontelbaar.

r i d i n g, pager in zee om visch

te vangen.

riï, hoog gras.

riï liman g, de hand
kussen.

riï signor, ...kroes, ’t
kruis vereeren.

riïng, gloeiend v. i. die de
koorts lieelft.

rike, vastzetten.
rimbi(ng), s. mandje,
rimoe, zij (meerv.)
rimoeng, hun, haar.

r i n g a n (s a m b e n g. . . de
haren te berge rijzen.

riwa, schuld betalen.
riwoe(ng), zeer veel; me-
nigte, duizend.

a t a r i w o e n, een man uit-
’t volk; niet van hoogen
stand.

ro, heet (’t lichaam).

roa, omhakken, s. grijze vogel,
oebeng roa, bang zijn.

roang, aap.

robak, doorsteken,
robong, gat, hol.

i r o e n g r o b a n g, neusgat.
r o d a, rad.

rodieng, (hun) hakmes,
roea, twee.

r o e g a (....ai), doorbreken
(hout).

roegoe, mager,
r o e h a, hert.

roekoe r e k k e t, (’t huis)
kraken van den wind.


349

roemang, duister,
roemang reteng, r/eer
duister.

waën roemang, krank,
zinnig.

roeöeng, dubbel vlechten
om te eindigen, zoomen.

roer o eng, gekreukeld,
roetoe (roetoe ga), roest;

(roesten).

roetoeng, stekelvarken,
roga, gooien.

roïng (robong. ..), (gat)
niet recht.

bano roïng roeang,
links, rechts loopen, hoog en
laag loopen.

roït, scheren.

römbo, s. groote maand.

r o m o e n g (w a w i...), boven-
snuit.

ronang, voorraadschuurtje
róö, nabij.

rooe, tabaksmandje,
rook, uitspoelen,
roön, blad; loof.
ropo(roppo), vlug, terstond.

ro-ropo, vlug, terstond,
rore (. . . manoe), (kip)
slachten.

roteng, aanstampen; geweer
laden.

roteng (wewe... .),s. groote
witte en roode boontjes.

roto (. .. . loeroeng), sous
maken op ’t vuur.

rotting (. . . . tali), (touw)
doorsnijden.

S.

sa, wegjagen (een hond).

sa (sei?) nane boa, sinds
lang.

saak, ritselen; bruisen,
saang, peper, een hond weg-
jagen (door „sa” te roepen).

saar, uit elkaar.

sabang, zeep.

sa beng, bordenrek.
saberöngo, niet eetbare
champignon.

saboerango, niet eetbare
champignon.

sa da, pand; verpanden,
sa dok, schoppen.

sadèr, rechtop,
saena, zoo even.

saga lawar (töëng...........),

langs den weg iets aan
den geest offeren.

saga(n), gestalte,
sagar, uit elkaar.

dri. . . ; gerra. . .. zitten,
staan de beenen wijd uit
elkaar.

sagar (....laan), metgroo-
ten pas loopen.

saï, s. spel; stopwoordje bij
een bevel.

sajang, zich erbarmen,
sajang e, och arme.


350

thuis,
keep,
in ’t

saket (aï...) kruishout op
’t paard om te beladen; pik-
kel zadel.

s a k k a n (... dj a r a n), paard
rijden.

salawakoe, sluithouten aan
de beide uiteinde binnen de
praoe om de planken aan
elkaar te houden.

s al o er, s. groente met lange
vrucht.

sambeng, haar op ’t lijf,
sampoer, vermengen,
sanak, krabben (kat).

ban o sena sanak, al-
tijd op straat, nooit
s a n g a n, gescheurd;
sanggin (. ..eï aï)

hout blijven haken,
sanggo, borg blijven,
sangko, schop; houweel;

spade, omspitten.
sangoen(g) witte vezels

van de kokosnoot,
sangon, vertakt als’t gewei

van ’t hert.

santo, hun bamboe viool;
prentje.

sape, tot aan; tot dat.
sapoe, ’t heele lichaam in-
wikkelen.

sapoe lipa, ’t kleed tot
over ’t hoofd aandoen.

sapoer (. ..aï), hout van
tast ontdoen.

sara, gebruik; zede; taal; ge-

woonte; wijze.

sar eng, mooi.

sarit, scheuren.

g i ï sarit, b. v. vleesch met
de tanden van ’t been (af-
doen) eten.

b i h a sarit, scheuren; ver-
scheuren.

sarong (...bakki), tabak
snijden.

sarot, scheuren (kleed; pa-
pier.)

sasi (ladjar...), houtje door
de bamboe om ’t zeil op
te hijschen.

sassi, getuigen.

satat (bano....), zonder ge-
rucht loopen.

sa wang, kopje.

sawar (aï....), schaafsel,
sawaria, s. slang.

sa we, alle; afgeloopen; ge-
daan; daarna.

sawing, op den rand kapot
b.v. lip; kleed.

serowan(g), borstel.

sea, wanneer; rijst schoon-
maken door de heele korrels
van ’t fijne af te zonderen,
seam, valsch beschuldigen,
solo sean, valsch beschuldi-
gen.

s e an g, plank om iets op te zet-
ten; boven zijn macht reiken,
s eb boe, overvloedig (van
dieren.)


351

seda, zijde (stof),
sedda, muizenval,
seddan, i. met een hout
steken.

seddia, gereed maken,
seddon, ’t slaan bij weven;

de losse heft vast stooten.

sedoe (oeran...), dag en
nacht regenen.

segar, te warm eten uit el-
kaar doen.

seggan, prikken; steken met
een vork.

seggin, prikken.

seggo legar (bano...),
als een dronkene loopen.

sego blitte bano... ?, als
een dronkene loopen.

sego legot (plari. .. .), slin-
gerend loopen.

sèï, sinds.

sèk, wegjagen.

sekak, wijd opene beenen.
bano sekak, met de beenen
ver van elkaar loopen.
bano sekak sakak,niet
recht loopen als een dron-
kene. ,

sekkok, scheef,
selèppa, buikband met gou-
den of zilveren buikplaat.

s e 1 i p p i, bamboelat waar-
aan gevouwen koliblad ge-
regen is om een wand van
te maken.

s el lor, gaten maken met

een gloeiend iizer.

sellor ma tang, de oogen
uitsteken.

seloen, verwisselen; ruilen;
plaats vervangen.

senak, plat; ondiep.

sendo, bepaald hout op de
praoe.

sèng, te vergeefs,in ’t honderd,
toetoer sèng, in’thonderd
kletsen.

toetoer sèng poï, maar
zeggen of ’t waar is of niet,
bano sèng, maar heen
loopen zonder doel.

senglewoet (bano. . ..), als
een dronkene loopen.

sengor (toetoer...), door
den neus praten.

sènnai (.. . lipa), ’t kleed
om de lendenen vastmaken.

sennéng, s. mandje,
sennoét (dani...), snikken
bij het weenen.

sepa, schoppen.

seppoe, (. ..taroe), (kaars)
met de vingers uitdoen.

sèr, heesch.

serang, langwerpige mand,
serani, christen; doopen.

narang serani, doop-
naam.

sere, plaats om visch te zetten,
ketel om water koken.

sereng, eten aan dragen,
serewerot, vlug; snel.


352

serewitto, op en neer, heen
en weer zwaaien b. v. een
een gloeiend stuk hout om
te doen vlammen.

seroe (. . .iang), vischjes
schieten.

serot, vlug, gauw terug,
serre, bij draaien; achteruit-
gaan; deinzen.

servisoe (goea...) arbeiden;
werken.

sesa (sissa), s. visch.
sesak (sissak), slepen met
de voeten.

sesewang (sesa ewang),
band van koli blad om ’t
hoofd waar van de uiteinden
lijkenen op den staart van
dien visch.

sesen, i. met een aanloopje
doen.

sessoe (men hoort dikwijls
tettoe), verborgen; geheim,
sette (. . - ai), hout hakken,
settoen (. . . djaran), paard
vangen in een touw; tegen
houden met gespannen touw,
sewwi, de slippen van ’t
kleed van achter insteken.

s ia sa ar, uit elkaar.

sia wora, s. vogel (witte
borst, overigens zwart),
si ar, de lip laten hangen,
sidok, i. vooruitschoppen,
siensèr (manoe. . .), haan
die er uitziet om dikwijls

te winnen.

sigar ?

sigar gabar, 9 uur ’s mor-
gens.

si ge ilèk, lichtende kever,
siïng, zeer hoog water,
siït, sissen.

si kan woere, in grooten
kring spelen.

sik en, post-, standhouden,
si ken naï, gereed zijn om
te vechten.

si kit (bano. ..), op de teenen
loopen.

sikit lokit (bano...), op
de teenen loopen.

sikka (sika), kippen weg-
jagen.

si koe, wegschuiven; ontbloo-
ten.

sikosakok (bano...) als
een beschonkene loopen.

silakka, ongeluk; ongeluk-
kig.

silar, kale plek b. v. een
gewiede plek in een. tuin;
kale plek op ’t hoofd.

siliek, scheel; scheel kijken;
schuins aankijken, ook om
te bespotten.

siloe, sluitsteen van een
schelp (de natica?)
simbar, slendang met franjes,
singan, gebonden sous met
visch.

singge, hinken.


353

sinke, kruidnagel.

sintido, achtzaam; voor-
zichtig.

sioen (aning. ..), rukwind,
sipe .iang), in opengesne-
den visch een dwarshout
steken om open te houden.

si ra wirang, uit elkaar,
siring, smijten.

siro (bette...), op een strop
binden.

sisi, ziften.

si wang, kleine bundel garen,
sji singar (toetoer. . .), dooi-
den neus praten.

soar, ergens opspringen,
soba, probeeren.

soba rapak (zie rapa),
wagen.

sobeng, insteken b. v. doode
in zijn doodskleed.

sobok, kleine boei; mutsje,
sodoe, s. groote mand,
soear, ijzeren steel van ’t
hakmes.

soebe, lasschen.

soeboe moelang, op ’t
hoofd staan.

soeboer (belak.. . .), touw
van kop tot staart door de
viscbjes rijgen.

soedar, onderstutten,
soedig, haten.

soego-e roegoet (bano....),
struikelend loopen.

soek, prikken; doorsteken.

soekoe, halve gulden (stuk),
soelang (passak,..), inde
hoogte schieten.

soembada, zinklood.

soemboe, pit van een lamp,
soemboe rata, bepaald hout
op de praoe.

soemit, een weinig,
soendang, de heele som
(waarde) waarvoor men zijn
vrouw koopt.

soenggan (g), pijpje om uit
te rooken.

soepak, maatje voor’t kruit,
soepi, kris.

soeping (baö.. .), scheutjes
jonge blaartjes van den
waringen boom, die ze eten,
s o er at, alles wat boek of
papier is,

soeri (aï...), wig.

soeroek (. ,.eï tan ah), scheef
in den grond zetten.

soesaak, geritsel.

soesar, moeilijkheid, lijden;
wroegen.

soesor; gebak.

soewon, oorbel.

sogar (. . . adja), maïs recht-
staand in een mand steken,
sogong, voorschieten; leenen.
soka (soeka), s. dansen,
sokking, s. haarspeld,
sokoen, lange kam van bam-
boe.

solelolong, uitgelaten van


354

vreugde.

solo, valsch beschuldigen; d.
i. zonder te weten of het
waar is wat men zegt.

solor, in de hoogte komen
(van visch); bijna doodden
kop opsteken.

somoe, ui.

son(g), genezen; geneesbare
goede medicijn.

songko, groote hoed.

s o n t i k (i r o e n..lange neus,
sonto, voorbeeld; model; proef,
teeken ter overtuiging.

s or a, zingen bij het trommelen,
sore, s. kris in 7t midden
breed.

sormèlla, harmonica.

8 o r ö m b e 1 a, harmonica.

s o rong, inschuiven,
sorong iang, vissollen.

Sorong tena, praoe uit zee
trekken.

sorong api, hout bij ’t vuur
’t doen.

sorong kibok, dun bam-
boetje in ’t vuur houden en
aan ’t knet'eren en barsten
nagaan of bedoelde persoon
veilig ten oorlog kan gaan,
sotan satan (plari...),
spelend ver weg loopen.

I T

taa, sirih; betel.

taak, een stuk eraf.

taar, uit elkaar leggen om
uit te zoeken.

taba Hang, s. boom en
heester.

t a b a n g, drinkschotel.

tabe, tegengeschenk; erken-
ningsgesclienk na kwijtge-
scholden boete.

tabi, bij den grond afslaan,
tabi toak, i. uit kwaadheid

kapot slaan.

tadang, teeken; merkteeken;
bruid.

roga tadang, op een doel
werpen.

tadji (...manoe),^hanevech-
ten.

tadjing, kunstmatige hane-
spoor.

taga, vastzetten in ’t blok.

taha, (...pare), rijst stam-
pen.

tahan, inhouden (met den
toom) tegenhouden.

tabi, zee; zeewater,
tahing, bast afdoen.

taïng, buik.

taing getté, zwanger,
lengi taïng, ’t vuil van
gekookte olie.

b a h a r taïng, vuil op ge-
smolten goud.

taka, bijl.

ima taka, s. schelp
(pecten).


355

takker, (een huis) dekken,
takki, filtreer van klapper,
tak o en (. .ara), rijst eten met
de hand.

tali, touw.

ai doe taling, draderig
hout.

tama, ingaan; binnengaan,
tan ah, aarde; grond; akker.

tanah oeneng, curacao-
sclie amandelen.

tan ding, gordijn,
tane, een weg volgen,
tangar halo waën, 572

uur ’s namiddags,
taoe, vechten; streven naar i.
taoe naroek, over iets twis-
ten.

taoe noehoe, oorlog voeren,
taoer (daang...), ladder-
sport.

tap ping, zijpelen; zeef; pa-
di schoon maken.

wajer tapping, gefil-
treerd water.

tara, antwoorden.

tara dóór, antwoorden,
tara kol o, s geweer,
tarapesa, affuit,
taroe, was; kaars.
taroen(g), indigo,
tarowe, lange oorbellen,
tata, i. wat over den grond
slingert uittrekken.
tawa(ng), ontspruiten; óp-
schieten; scheut.

tawang raïng, jaren van
verstand.

tawar, (.. .góng), op de tam’
tam (klok) slaan.

tawoe, breed.

tena taïng tawoe, breede
piaoe.

tè (iang . ) s. klein vischje.
tè, tóng, wiedijzer.

tea, verkoopen.

tear, opgooien; s. spel veel
gelijkend op ons bikkelspel.

tebo (...le o), zich rond-
draaien; zich daardoor dui-
zelig maken.

tebboe ?

rani tebboe ha, 7uur’s
morgens.

rani tebboe roea, li/2
uur ’s morgens.

rani tebboe telloe, 8
uur ’s morgens.

tebboek, bebaq.

tebbong, lichaam.

tedang, inlandsche zit- en
rustbank van gespleten
bamboe; doodbaar.

tege, kleinere bamboes,
tegge aï, omgebakt hout in
een tuin verbranden.

teggór, sterk, flink, weer-
spannig.

aróen teggór, stijfhoofdig,
grasa teggór, erg schert-
sen.

teï, hier; nu.


856

droog

droog

torna teï, nu op ’toogen-
blik.

tekin(g), (met één hand)
opheffen.

tek kan, groot hout doorsplij -
ten.

tekkèr, verstopt; eng; span-
nen.

tekkèr temmang, hardlee-
rs-

tekkoer, op ’t hoofd slaan;
met ’t hoofd naar beneden
loopen.

tekkon (aï...),
hout.

doeöer tekkon,
(hout).

teliek, blaas,
tellan, ?

tellan boera mera, 572
uur ’s morgens.

teil ér, bovenarm.
tello(ng), ei.
telloe, drie.

tem mak, heel (niet geschon-
den).

temmang, heel; een heel
stuk.

t e m m o e, bruinvisch; zie

spreekwijzen.

tena, praoe.

tèn g, slaan (b.v. met den rug
van het hakmes) een schelp
openslaan; stuk.

tèng nora pakoe, met
spijkers dicht slaan.

tengoe lengoe (dri...) zit-
ten te knikken.

tennèr, s. liout dat vooral
gebruikt voor opleggers.

teöe, muis; rat

teo mamoe, achillespees,
teok, touteren; aan een tak
of touw slingeren.

teong, hangen; i. ophangen,
teppong (pare...), rijste-
meel.

tere, hand ophouden om iets
te ontvangen; als men zijn
land door anderen laat be-
bouwen, een bepaald ge-
deelte van de opbrengst ont-
vangen.

tereng, kleinere bamboe.

terring, (tring) (...ara)
rijst koken.

tèt, kleverig.

roemang tèt plorat, zeer
duister.

teta ha, een weinigje.

tetoe (...pare), rijst uitme-
ten.

teto rindon, morsen; laten
vallen.

tewwoe, suikerriet
tewwok (pion...), offeren
aan den geest.

ti, inschenken; poes, klein
groen vogeltje.

tiang tellong, kuit (lick
aamsdeel).

tibang, wegen.


357

tibo la meng, jongeling. toa, aanlanden.; aan wal ko-
tieng, een kat roepen. men; geschreeuw van een
tilian, half gaar. swangi.
tibe, afbrokkelen; bij stukjes wo.ko toa, heks.
eten. tobe loën (gerra...), op 't
tiï ata mateng, s. vogeltje hoofd staan.
(wit met zwarte plekjes). tob eng, diepte in zee.
tikan, droog. tobo, bepaald hout vóór den
tikke, gekko; men zegt bet voorsteven.
ook van de grootste hage- toda, op sleeptouw hebben.
dis zie oti. todja, dansen.
til ar (boro...), insnijdin- toea, inlandsche drank.
gen doen om vleesch te zou- toea hoga, overgehaalde
ten. inl. drank bijna zoo sterk
tiloe wai blawang, s. als arak.
vogel. toean(g), ontginnen; wilder-
t i 1 o e n g, oor. nis (vol begroeid met hoo-
timo, s. luis in de kleeren; rnen enz).
mot? toeang gadjoeng, groot-
oetang timo, s. groene alg. woud.
tioe, oom. toean, zoo noemt een
tipang, venster. vrouw haar mans vader
tipo tapong, van alle kan- (schoonvader van eene
ten komen b.v. de vijand. vrouw).
tiroe, schieten; schot; scheu- toebe (aïtoebe krakat),
ren. s. hout aan ’t strand.
tiroe tata, scheuren. toebi, stooten; stomp ma-
titir (.. . pare), paddi schoon ken.
maken in den wind. toehoe, pagger om een kam-
tiwang, ankeren. pong en dien maken (in
tiwit, met een klapper in oorlogstijd).
den mond of de hand uit toeboek, uitbotten.
den boom komen. toebo.eng, stampen b.v. rijst,
tjè (naï...), verlakken; ver- koffie.
zegelen. dri toeboen toak, ineen
tö, lachen. gekrompen zitten.


358

toebon (koli..,), overge-
bleven stronk van een koli
boom.

toebong, ?

batti manoe toebong,
een kip den kop afslaan.

toedi, mes; snijden,
toegoer, vlag.

toeï, castreeren.

toeka, s. oebi.

toeka timoe, s. oebi als een
knol.

ima toeka, s. schelp,
toekan, neutraal zijn in een
oorlog.

toeke, onderstutten; deur
sluiten.

toeketoer liadang alang,
’t hoofd in de handen la-
ten rusten.

toeketoer hadang aroen,
met de kin in de handen
liggen.

toekoe, roeiriem; roeien,
toelak, zetboom, ermee hoo-
rnen.

toeling, onder weg verblij-
ven.

toemba, lans.

toen, rug.

toen woeöen, bult.

toen tokor, gebogen rug.
töên(g), ergens heen bren-
gen; neerleggen; offeren.

toepat, zeer kleine maudjes
waarin ze rijst koken.

t o e p o k, kortgebonden

(kleed).

töër, knie.

toeratta (kikir...), wijs
vinger,

toeri, uitpikken (i. om er-
mee te vechten); uitzoeken,
toeri toteng, (een hert)na-
jagen tot men ’t heeft.

toeroe (...rodieng), uitda-
gend vooruitsteken.

toe roet si oen, bepaald hout
dat voor den voorsteven
uitsteekt

toero, zeilen met den wind
van achter.

toetoenaga, aker (van blik),
toet oer, spreken; zeggen, ver-
tellen.

togan, bamboe waarin ze
water dragen.

togèr, nekkuiltje.

toï, o ver winnen; overtreffen;
bedwingen; overtreden.

tokan(g), inprikken; aan-
hechten met pinnen, spij-
kers.

tokar (kabor..,....), hooge
klapperboom.

toking, pikken (van vogels),
tokkinong, s. reiger (blauwe
en witte).

tok on, ruggestreng.

tokor rokon, krom gebogen
van ouderdom.

tolar toak (batti...), als


359

van een boom afhakken
uit kwaadheid.

torna, krijgen; vinden; tref-
fen; komen tot; bereiken.

tongan, naar boven kijken,
tonganlongan (dri...), al-
leen zitten kijken.

tongèr, nek.

tong ka (ladj ar...), een zeil
van hun kleed gemaakt.

toök, onkwetsbaar.

torak, vechten.

toring, s. groote papagaai,
tosa, fakkel.

tosi, heelenal.

toso, inschuiven.

tota, zoeken.

tota lola, kapokdraadop
een steen draaien.

totoe, s. groote muskiet.

t o w a, iets uit het midden ha-
len.

towo, in-, opzuigen,
trang, hard stijf.

W.

wa, deur opening; woord,
waak, dak in de lengte;’ ’t
geluid als men water op
den grond gooit.

waan, gras.

waling, mond (opening).

bea waling, den mond
openen.

tena waang, voorsteven.

wadjoe (....tanah), kuil-
tjes maken om hout te
pooten.

waën, gelaat; aanzien;
ui ter lijk.

waën roea, b v. twee
soorten rijst verschillend
van ui terlijk.

waën hoera, lui.

waën löëk, lui.

waën getté, hoovaardig.

waën p ego er, scheef ge-
zicht.

waënpoeang, voorhoofd.

waën r o e m a n g, krank-
zinnig.

waënlinok, niet beschon -
ken.

waï, keer; maal; getrouwde
vrouw; wijfje van dieren;
voet.

waï boeang, maagd; onge-
trouwd.

ma moe waï boeang,
kip die nog geen eieren
legt of pas begint te leggen,
w aj e r, water; waterput.

wajer bolèr, draaikolk,
bennoe wajer, gelijk
vol.

la wak ganoe wajer,
gelijk vol.

doe w aj e r, waterachtig;
dun.

t o e t o e r d o e w aj e r, vlug
(vloeiend) spreken.


360

wala woetoe, ijzeren stang
om te vechten.

walan, kant.

walan hoe toe, vierkant.

wali, ’t land in; zie spreek-
wijze.

wali oene, ergens in; ......

binnen.

waloe, acht.

walong, weerom; terug; te-
tugkeeren.

wana, rechts.

wane, bij (dier).

wan gak, stortregen.

wanggak; uitgedroogde ri-
vier.

wanggar, s. boom en zijne
eetbare vrucht.

wani(ng), groote trom.
waoe(n), schaduw.

waoe halo(-e), geen zon;
licht bewolkt.

waoek, stinken.

waoen, avond.

w a o e n b 1 a 11 a n g, tegen
zonsondergang.

waoen, rieken, geur (aan-
gename en onaangename).

wara, op schouder dragen,
waraq g (aï...), gloeiende
houtskool.

warang, pitje; korrel; hard,
pare warang, gebolster-
de rijst.

war at, west; westmoesson,
aning war at, westewind.

wari, jongere broer of zuster;
neef of nicht; zwager of
zwagerin; zie spreekwij-
zen.

ata wari, jonger dan een
ander.

w a r i d o 1 o r, neef door liu-
welijk.

wari loeöer, volle broer
of zus; neef of nicht,
waroe mappa, sleutelbeen,
war óen, nieuw; pas.
w a t a w a n i n g, trom met
huid voorzien.

wat eng, lever; overdrach-
telijk „hart.”
wati(ng), voetspoor,
watoe, steen.

watoe arang, lei.
watoe dada, toetssteen,
watoe ina anak, wrijf-
steen (in den keuken),
watoe tara, ankersteen.
watoemerak, bloedkoraal,
wat o eng, hard,
watt ar, s. zaad wat vogels
en menschen eten.

wawa(wa), links als men
met ’t gezicht naar zee
staat; beneden; naar bene-
den.

wawa lewwoe, onder ’t
huis.

wawi, varken.

irna wawi, s. schelpje
(cassis).


361

naar
van

weggon (woeöeng...........),

ruw; ongeschaafd.

we hak en anak we hak,
hagel.

wehe; schepriem.
wekak, kakatoe.

wek i, lange maistros (zooals ze
dien bewaren in een boom);
dien maken.

w elang, pastelein (groente),
wel lang, afdeeling b. v. in
een limoen.

weling, prijs,
wello, draaikolk.

we loet, slijpen.

wen do, i. aanzetten om te
dansen of zingen.

wenggoen, ’t hoofd
beneden houden.

wenna (....iang),
schubben ontdoen.

wennang, niezen.

w e n n e, witte plek op de huid,
wennit (pare...), over-
blijfsel van schoongemaakte
rijst.

weris (aï...), lucifer.

w er o t (...iang), visch met
s. vergif dronken maken.

werrén g (i m a...), s. schelp,
wessiek, schreeuwen (van
den aap.)

we we, boontjes.

wewoer, loop van een ge-
weer.

wiang (ima..,), s. schelp.

Tijdschr. Ind. T.

L. en Vk.» deel XXXIV.

w i d e n g, achillespees,
wideng pireng, achilles
pees.

w i d i e n g, geit.

w i e n e, zuster, nicht.; zie
spreekwijzen.

w i g e, stuk, gebroken.

w i g e n (ai w i g e n), een
stuk hout; balk

wiïn g, zich ; zichzelven; el-
kaar; van zelf.

w i k i r, kapot; gescheurd; ge-
barsten; een stuk.

wila (ata wila oebeng),
heks.

wingan noten(iroen...),
groote neusgaten.

wio, draaien b. v. ’t ach-
terste bij ’t gaan.

wire, kippenhokje,
wire woere, s. vogeltje,
wiri, links.

wirong (aning...), zach-
te wind.

wisoen (g), wijk, buurt.

witor (lahém....), eene
wond nog niet van obat
voorzien.

wiwir, lip, rand,
wö, nieuw, jong.

bakko wö, nieuwe tabak
(jonge....).

adja wö, nieuwe maïs
(jonge).

woang mei oer (ima....),
s. schelp.

24.


362

wodeng, propje haar boven
op ’t hoofd overigens kaal,
wodon (manoej, s. vogel;
kip zonder staart; parelhoen?
woea(ng), 1 vrucht in ’t al-
gemeen; pinang in ’t bijzon-
der; een stuk, een eind enz ,
zie spreekwijzen.

ima woeang, s. schelp
(conus.)

aï woeang, vrucht; vrucht-
boom.

woedjoe, zoomen; zoom,
woeë, oudere broer enz.; zie
spreekwijzen.

a t a woeë, ouder dan een
ander.

woeë wari, familie.
woegoen(g), natuurlijke
hanespoor.

woeïng, een groote bos
rietstroo.

wee kak, s. boom,
woelan, maan; maand.
woelang(— api), houtskool,
woelang (—aï), houtskool,
woelanga (kabor...),
klapper bijna zonder wit
erin.

woeli (moeöe...), groote
tros pisang.

woeli wóök, s. vogel,
woelir, halm.

woeloe, zeer dunne bamboe.
woeloen(g), haar; veeren.
woëng (aning...), hevi-

ge wind.

woëng, opwinden; om winden,
tali woëng, buikband.

w o e n o e, zevengesternte,
woeöe (ima...), s. schelpje.
woeöen(g), knoop; ge-
wricht.

bette woeöeng, op, met
een knoop binden.

woeöet (roga...), s. spel,
woër, opene plek; heelenal
allen.

woera, vet.

wöët, s. kwartel,
woetik, s. oebi.
wo et o eng, einde; uitsteken-
de punt; kaap.

iroeng wo et o eng, neus
top.

woewoe, s. mand.

woï (...iang), visch inzou-
ten.

wokat, werpspies met weer-
haken.

wok o, geschreeuw van een
swangi.

ata woko toa, een heks,
wokor, kluitje.

bakko wokor, handje
vol tabak.

wolo na, (’t deftige woord
voor) behoefte doen gr. en kl.
wolo(ng), heuvel; hoog-
te.

iroeng w o 1 o n g, hooge
neus.


363

wolot, rolletje.

bakko wolot, sigaar;ci-
garette.

wöó’t, overschot.

pare wööt, kaf, zeme-
len.

wori, luchten; in de zon leg-
gen.

worot, eene wond grooter
worden.

wotok, een trosje haar vóór
op ’t hoofd (overigens kaal).


JAVAANSCÏÏE RAADSELS.

In het twintigste deel van dit Tijdschrift komen onder de
aldaar door den Heer F. S. A. de Clercq opgegeven raad-
sels o. a. de volgende voor:

'v>
o O

aru) ......
Daar ik ze niet wist te verklaren wendde ik mij om hulp
tot een Javaan (een „magang ’) die op dit oogenblik hier
ter stede vertoeft. Hij zeide mij, dat deze raadsels fout
opgegeven zijn.

Het eerste moet niet lgiden:

om m maar kd

on

Waarvan dan als verklaring gegeven wordt:

. . . o

qj> km urn rj tnun m m tj mi iri cm \

En wat het tweede betreft dit moet zijn rui no \ en dan is

het antwoord niet nji \

maar eo de ver-

0. J. H. VAN LIMBURG STIRUM.
den Haag, Oct. 1890.