Citation
Regen lokken en regen verdrijven bij de Toradja's van Midden Celebes

Material Information

Title:
Regen lokken en regen verdrijven bij de Toradja's van Midden Celebes
Creator:
Kruyt, Alb. C. (Albertus Christiaan), 1869-1949
Place of Publication:
Batavia
Publisher:
Albrecht
Publication Date:
Language:
Dutch
Physical Description:
11 p. ; 23 cm

Subjects

Subjects / Keywords:
Toraja (Indonesian people) ( lcsh )
Suku Toraja
Tana Toraja
Spatial Coverage:
Asia -- Indonesia -- Central Sulawesi -- Sulawesi Island
Azië -- Indonesië -- Centraal Sulawesi -- eiland Sulawesi
Asia -- Indonesia -- Sulawesi Tengah -- Pulau Sulawesi
Coordinates:
-1 x 121

Notes

General Note:
VIAF (name authority) : Kruyt, Alb. C. (Albertus Christiaan), 1869-1949 : URI http://viaf.org/viaf/62718356
General Note:
Auteursnaam op omslag: Kruijt i.p.v. Kruyt.

Record Information

Source Institution:
SOAS University of London
Holding Location:
SOAS University of London
Rights Management:
This item is licensed with the Creative Commons Attribution, Non-Commercial License. This license lets others remix, tweak, and build upon this work non-commercially, as long as they credit the author and license their new creations under the identical terms.
Resource Identifier:
707893699 ( OCLC )

Downloads

This item has the following downloads:


Full Text
REGEN LOKKEN EN REGEN VERDRIJVEN
RIJ DE TORADJA’S VAN MIDDEN
CELEBES

DOOR

ALB. C. KRUIJT.

(Overgedrukt uit hel Tijdschrift van hel Balaviaasch
Genootschap van Kunsten en Wetenschappen
deel XL IV aflevering 1.)

BATAVIA

ALBRECHT & Co.

190 1.




REGEN LOKKEN EN REGEN VERDRIJVEN
BIJ DE TORADJA’S VAN MIDDEN CELEBES

DOOR

ALB. C. KRUIJT.

De Toradja's zijn een landbouwend volk. Zij leven
uitsluitend van de opbrengst hunner rijstvelden, en alleen
in tijd van gebrek nemen zij hun toevlucht tot sagoe van
de Arenga saccharifera, tot boombladeren en wortels. Daar
deze rijstvelden steeds zoogenaamde droge velden zijn x)
zijn zij geheel afhankelijk van regen en droogte, en me-
nigmaal werd door ontijdig invallen van een van beide
de oogst geheel vernietigd. Waar wij dus kunnen zeggen,
dat het bestaan der Toradja’s afhangt van regen en droogte,
verwondert het ons niet bij een animistisch denkend volk
als dit, allerlei middelen te vinden om den regen te lok-
ken, of dezen te verdrijven, al naar mate deze voor de
velden gewenscht is of niet.

Voor een groot deel zijn de middelen gegrond op de
gedachte, „dat gelijksoortige dingen elkaar roepen/' dat
dus in dit geval water regen roept. Wanneer de regen
langen tijd uitblijft, zoodat de rijsthalmen beginnen te
verschrompelen, gaan vele bewoners van het dorp, voorname-
lijk de jongeren, naar een nabijzijnd riviertje, en wer-
pen daar onder veel gejoel elkaar met water, of bespui-
ten elkaar met bamboespuitjes. Of men maakt in het water
een plonzend geluid met de handen, of men plaatst een
etensbakje van kalebasschaal omgekeerd op het water en

1) Alleen de Toradja’s in het rijk van Sigi leggen sawah’s aan, welke
worden omgewoeld door karbanwen, die er heen en weer in worden gejaagd.


2

tokkelt er met de vingers op. De geluiden door water-
werpen, plonzen en tokkelen gemaakt, moeten den regen
voorstellen, die den werkelijken regen zullen lokken.

Ook gaat men water halen in een kookpot, en dompelt
den rijstlepel van kokosdop in liet water, hetgeen men, volgens
de verklaring van den Toradja doet, opdat de góden mogen
zien, dat men op water wacht, om daarin de nu nog te veld
staande rijst te kunnen koken.

Anderen nemen in tijd van droogte twijgen van den dja-
rak (ij air op ha curcas) en stengels van oebiplanten, en leggen
die in het water, waarbij men hen op volgende wijze toe-
spreekt: „Gaat regen vragen, en zoolang geen regen komt
plant ik u niet weder; dan zult gij hier sterven.” Ook
haalt men een aantal zoetwaterslakken (alikruiken) en rijgt
die aan een snoer. Dit snoer hangt men in een boom, en
de slakken spreekt men aldus toe: „gaat regen vragen,
en zoolang nog geen regen is gekomen, breng ik u niet
in het water terug.” Dan gaan de slakken weenen (tranen),
en dc góden zullen uit medelijden regen geven. Dat zelfde
medelijden met de in het water gelegde planten, die da-
delijk weder groeien, als zij in den grond worden gesto-
ken, maar in het water verrotten, zal regen verschaffen.
Dit is tevens eens bijdrage tot de voorstelling, die de
ToriPdja’s zich vormen van hunne góden.

Een algemeen gebruik om regen te lokken is nog het
volgende: men neemt een jong nog niet losgewikkeld blad
van den sagoeboom (Metroxylon Kottb.) en bindt die stevig
samen met het middelste nog niet los gewikkelde blad van
een arenpalm (Arenga saccharifera), waarbij men het vol-
gende zegt: „wanneer er morgen nog geen regen is ge-
vallen, zal ik u beiden nog vaster aan mekaar vastbinden.”
Men onderstelt dan, dat beide palmen de geesten zullen
bewegen regen te geven. Sommigen schudden wat bereide
sagoe van de Metroxylon uit tusschen de bladschede van
een arenga saccharifera, hetgeen op hetzelfde neerkomt als
het samenbinden der bladeren.


3

Dit gebruik berust op het volgende verbaal. Er was
eens een echtpaar, dat in vrede met elkaar leefde; de vrouw
gaf haar man altijd een soort van voedsel, dat heel goed
smaakte, maar waarvan hij de herkomst niet kon uitvin-
den. Om dit te weten te komen, bespiedde hij zijne vrouw
overal, en zag nu ook, dat zij in het bosch gekomen, zich
het vuil van de huid afschrapte, dit afschrapsel kookte,
en dit kooksel haren man aanbood. De man schold zijne
vrouw uit voor al wat leelijk was, en de twist liep zóó
hoog, dat zij elkaar vervloekten en van elkaar gingen. De
vrouw veranderde in een Metroxylon en de man in een
Arenga saccharifera, die de stamouders werden van ge-
lijksoortige boomen. Nu is het naar de voorstelling van
den Toradja zeer natuurlijk, dat wanneer hij deze elkaar
afkeerig zijnde boomen bij elkaar brengt, zij al hun best
zullen doen weer van elkaar bevrijd te worden, en het
eenige middel daartoe is góden en geesten te bewegen re-
gen te geven 1).

Soms ook worden om regen te verkrijgen, de dooden
aangesproken. Zoo vindt men bij het dorp Kalingoea in
Kadomboekoe het graf van Tampabanda, een beroemd hoofd,
grootvader van het evenzeer beroemde hoofd, dat daar
tegenwoordig regeert. Wanneer het land met ontijdige
droogte wordt geteisterd, gaat men naar dit graf to$>*en
begiet het met water, waarbij men spreekt: „o grootvader,
heb medelijden met ons; wanneer ge wilt, dat wij ditjaar
zullen eten, geef dan regen.” Daarna hangt men een bam-
boe met water boven het graf, waaruit het water uit een
klein gaatje, onderin aangebracht, voortdurend druppelt.
De bamboe wordt steeds met water gevuld, tot dat regen
de aarde drenkt. Deze maatregel moet zoowel dienen tot
eene permanente herinnering voor den overledene, als tot

1) Het is zeer kapa'i sagoe uit de Metroxijlor vermengd met sagoe uit de
Arenga saccharifera te eten.

Het lichaam van hem, die dit mengsel eet, zal gedeeltelijk sterven, bijv. de
heide heenen zullen geheel krachteloos worden.


4

eene nabootsing van regen, waardoor werkelijk regen wordt
gelokt.

Trouwens het geloof, dat zielen van overledenen invloed
oefenen op den regenval, komt dikwijls aan het licht. Toen
in het begin van ;98 de vrede gesloten werd tusschen de
Topebato en de Parigiers, en de laatsten draalden met het
aanbieden van een mensch om bij die gelegenheid te
worden geslacht als offer, schreven de Topebato de toen-
maals heerschende ontijdige droogte toe aan den toorn van
het gedurende dien oorlog overleden hoofd van Mapane,
omdat hun het offer zoolang werd onthouden.

Iets, wat den toorn der góden in hooge mate opwekt,
welke zich dan uit in hevige stormen en onweders, of wel
in hardnekkige droogte, is het plegen van bloedschande
en het zich afgeven met dieren. Dit dwangmiddel voor de
góden zalfde Toradja bij aanhoudende droogte echter
nimmer durven toepassen, omdat de schuldigen per sè
gedood zullen worden en omdat die onweders als straf
der góden meer zullen bederven, dan goed doen. Maar-
sehrikt hij zelf terug van het kwaad, dan zal hij de góden
dwingen met een surrogaat er van. Hiervan woonde ik
eens een voorbeeld bij. De kabosenja van Mokoepa zou
namelijk zorgen, dat cr regen kwam. Velen verzamelden
zich in een veld om den kabosenja, die met zich had ge-
bracht een haan en een klein wijfjesvarken. Bij de ri-
vier gekomen werden beide dieren gedood, in innige om-
helzing bij elkaar gelegd, en vervolgens te zamen stevig
in een lap katoen gewikkeld. Toen riep hij de góden aan;,,
O, góden daar beneden en daar boven, wanneer gij medelijden
met ons hebt, en wilt, dal wij dit jaar zullen eten, geeft
dan regen; geeft gij geen regen, welnu, wij hebben hier
begraven een haan en een wijfjes varken, in innige omhelzing,
met andere woorden: toornt dan over deze gruweldaad, die
wij hebben gedaan, en doet uw toorn blijken door onweders.”

Ik ben nooit te weten kunnen komen, hoe de Toradja’s
denken over het ontstaan van den regen. Ik geloof, dat


♦

5

zij er nooit over hebben nagedacht, anders zonden wij hier
en daar wel eene plastische voorstelling van dit natuurver-
schijnsel hebben gevonden. Bij de priesteressen is het an-
ders: dezen vertellen, dat er boven, in het uitspansel in het
rijk der Wurake (geesten, die tusschen de aarde en het go-
denverblijf wonen, de Sangiangs der Dajaks) een groote wa-
terplas is. Komen de karbouwen der Wurake daar baden,
dan treedt het water buiten de oevers van den plas, en
valt als regen op aarde 1). Heeft men nu allerlei middelen
om regen te lokken te vergeefs beproefd, dan wordt eene
priesteres, tadi in burake gehaald. Gelijk bij al hare an-
dere experimenten zooals om verloren geraakte tanoana
(levensaether) van mensch of rijst terug te halen, zet zij zich
ook nu met gesloten oogen neer, een bos tawaan (Dracaena
terminalis), waarvan het onderste gedeelte in haar sirih-pinang
zak is gestoken, vasthoudende. In een eentonigen zang beschrijft
zij hoe haar geest naar boven stijgt. In het rijk der luchtgees-
ten aangekomen gaat zij met behulp van dezen alle karbou-
wen opvangen en brengt die te zamen in den plas, zoo
dat het uitstroomende water als regen naar beneden valt.
Gaat het niet regenen, dan vertelt zij, dat zij de karbouwen
niet heeft kunnen pakken, of dat de Wurake de zaak niet
hebben toegestaan, om reden de menschen hen hebben ver-
toornd. Deze geheele handeling der priesteressen wordt
aangeduid met den naam van mobunlasi lamba het plotseling
te voorschijn komen, losbreken of uitbreken der buffels:
lamba beteekent in de Wurake taal „buffel.’’

Ten slotte moet nog worden vermeld, dat het gekwaak
van kikkers en het eigenaardige geroep: boeboeboe (bubu
uitstorten, overgieten) van den vogel koloko regen zouden

1) De voorstellingen der priesteressen van een en ander op geestelijk gebied
zijn geen volkseigendom. Meermalen is de algemeene volksvoorstelling, zooals
in zake het schimmenrijk en het godenheer, geheel in strijd met de verhalen der
priesteressen over deze onderwerpen. Zoo ook bemoeit de groote hoop ziech nim-
mer met de wurake, en men hoort dezen naarn maar zelden in hunne gesprekken-
Hoe deze afzonderlijke leer der priesteressen, zooals die o. m. ook bij Dajaks.
Bataks en Boegineezen bestaat, is ontstaan, moet nog worden onderzocht.—


6

lokken. Ook mag men takjes van de kasuarine niet als
sieraad op den rug dragen, x) wanneer men droogte wenscht,
daar de naalden van de kasuarine, ala hebbende veel over-
eenkomst met regenstralen, den regen roepen.

[Dat water regen aantrekt is een algemeen geloof in Indië.
In het Tomohonscbe plaatst men om regen te erlangen een
kookpot of kokosdop met water op het erf, of op het rijst-
vreld. Wanneer men bijv. elkander helpt bij den veldarbeid-
mopalus-bij welke gelegenheid geen regen gewenscht wordt,
krijgt iemand die gaat drinken steeds de waarschuwing
mede de drinknap niet op eene open plek te zetten. In
het over Rano i apsosche wenkt men driemalen den regen
met jonge wokabladeren. Bij de Karobataks tracht men
regen te krijgen door elkaar met water te besprenkelen
(Meded. Ned. Zend. Gen. 1897. blz. 158). Op Halmaheira
werpt men steenen in het graf van den Urahu o. Togawa
bèsij om diens geest te vertoornen, opdat hij zich wreke
met hevigen regen (v. Baarda, Gal. Holl. Wobk i.v.togawa).
Op Boeroe legt men een gebruikten aarden en dito ijzeren
pot in het water, en men zegt daarbij „opdat er regen kome”
(Riedel, de sluik-en kroesharige rass n blz. 10). Op de
Watoebela eil. slaat men met steenen of hout op meteoor-
steenen (die uit liet rijk van den regen afkomstig zgn)
(Riedel o. c. 197). Op Babar vindt men een paar beelden
in zittende houding, die bij droogte ’snachts door vrouwen
met water worden besprenkeld, waarbij men roept: het
heeft geregend! (Riedel o. c. 339). De Heer J. Kreemer
beschrijft in Meded Ned. Zend. Gen deel 30, blz. III. het
regenmaken op Java, waartoe een groote slametan wordt
gegeven en een optocht gehouden met een kattenpaar, dat
ten slotte wordt gebaad. Ook zijn daar in gebruik spiegel-
gevechten met stukken rotan, waarin wel dezelfde gedachte
zal liggen als die in het „rotantrekken” op de Tanimbar

1) De Toradja’sche vrouwen namelijk hebben de gewoonte een boa, liefst
geurige bladeren op den rug tuaschen de sarong gestoken te dragen. Deze
versiering heet siga.


7

eilanden met het doel regen te krijgen. (Riedel. o. c, 282).
Het baden van katten om regen te krijgen wordt ook ver-
meld van de Atjekers (Dr. C. Snouck Hurgronje. De Atjèhers)
Ook in Melanesië vinden wij dezelfde animistische gedach-
ten uitgesproken, „To get rain he (de toovenaar, alias priester)
throws water at the foot of the stock of Tinota, „an ancient
duka’ (adjimat) en verder: „for rain thep take plants which have
much „juice in them”, en deze worden in eene mand in
een boom gelegd, waar in water is (Codrington, The Me-
lanesians blz. 201-202). Van de Papoea’s van N. 0.
Queensland vertelt zendeling Poland: „viel Schweiss muss
der haben, der Regen rufen soll” (Ev, Missions Magazin,
1897, blz. 520)].

Wij zagen hoe het „regen roepen” door iederen Toradja
kan worden bewerkstelligd, uitgenomen hetgeen alleen door
eene priesteres kan worden verricht. Geheel anders is
het gesteld met het doen ophouden of verdrijven van‘ den
regen. Hiervoor moet men speciaal iemand gebruiken,
die deze kunst verstaat. Zoo iemand heet onder de Tora-
dja’s sando (Boeg. sanro „doekoen”.) Dit opgemerkte ver-
schil in regen roepeu en regen wegjagen is geheel in over-
eenstemming met den aard van den Toradja. Iemand
bij zich noodigen doet de Toradja ronduit, want hij
weet dien persoon daarmede aangenaam te zijn Maar
iemand, die hem te veel is, de trap te wijzen, zal hij niet
licht doen; en zoo hij er al toe overgaat, zal bij dit met
zooveel omwegen doeu, dat de persoon in kwestie zich
niet beleedigd kan voelen. Zoo doet hij ook met den re-
gen, dien hij zich geheel als persoon voorstelt, die door
onzichtbare machten kan worden gezonden of tegengehouden.
Hem roepen gaat gemakkelijk, maar om hem te verdrijven
heeft men een sando noodig, die weet, hoe hij het moet
aanleggen zonder den regen te beleedigen. Water roept
zijns gelijke: regen, vuur of wat daarmede in aanraking
is geweest, roept zijns gelijke: warmte, droogte. Dit is
de stelregel, waarvan de Toradja uitgaat.


8

Wanneer het droog is, en men wil droogte behouden,
moet men in elk geval preventief te werk gaan door nim-
mer het woord voor regen udja uit te spreken. Zegt menN
dit woord, dan denkt de regen, dat bij geroepen wordt en
hij komt. Menigmaal haalde ik mij op mijne reizen met
Toradja’s een verwijt op den hals, wanneer ik met een
donkere lucht boven ons als mijne meening te kennen gaf,
„dat wij van daag wel regen zouden krijgen.En ook
had men er dan veel tegen, dat ik met dit vooruitzicht de
goederen vooraf met palmbladeren liet toedekken, aangezien
ook deze maatregel den regen zou lokken. — In het land-
schap Pakambia mag men het woord udja het geheelejaar
door niet noemen; dit zou een zwaar on weder veroorzaken,
onweders komen in Pakambia, een ijzerland bij uitnemend-
heid, veel voor. Men zegt daar dus voor udja steeds sese
ngkadju „boombloesems.” Ditzelfde sese nghadju gebruiken
de Toradja’s ook, wanneer zij aan het oogsten zijn, een
tijdperk, waarin men regen verre wenscht.

De sando (der regendokter is steeds een man), die den
regen uit elkaar zal drijven {nawaro udja of mawarosaka
udja) heeft eerstens zichzelf in achttenemen om vóór, geduren-
de, en na zijne operatie niet op eenigerlei wijze in aanraking
te komen met water; hij baadt zich niet, hij eet met onge-
wasschen handen, hij drinkt uitsluitend palmwijn, en wan-
neer hij een riviertje overgaat, moet hij zorgen niet in het
water te trappen. Heeft hij zich op deze wijze tot zijnen
arbeid voorbereid, dan richt hij zich buiten het dorp of
in een rijstveld een hutje op; in die hut legt hij een vuur-
tje aan, dat hij voortdurendt onderhoudt, want het mag
volstrekt niet uitgaan. (Bij het dorp Kalingoea wordt dit
vuurtje aangelegd op het graf van den reeds genoemden kabo-
senja Tampabanda). In dat vuur verbrandt hij verschillende
houtsoorten als medicijn om den regen uiteen te drijven;
de sando ’s willen echter niet openbaren, welke houtsoorten
zij hiervoor gebruiken. Bovendien heeft hy een pakje
bij zich liggen, waarin bladeren en bast van eenige boom- en


9

plantsoorten zijn gedaau. Hieronder zijn bladeren van de
pangawuy - van de waro, en bast van de pakanangi. Deze
boomen en planten putten bun vermogen om regen te verdrijven
alleen uit hun naam: awn is ascli, iets dat droogte lokt,
(gedurende zijn experiment noemt de sando de regen steeds
awu (1.); de waro plant is bet symbool van alles wat licht
is, en gemakkelijk weggeblazen wordt, (men denke aam
mosiwaro udja = verdrijven van den regen; iemand verbannen
is: mawarosi tan); pakanangi eindelijkbeteekent, „overwonnen,
en wordt ook veel gebruikt om den invloed van geesten te
weerstaan. — Dit pakje met medicijnen neemt de sando in
de hand en blaast er tegen naar de richting, van waar de
regen komt opzetten, of, indien het reeds regent, naar alle
windstreken. Hij spreekt daarbij eene formule uit, welke
men ons échter nog nooit heeft willen mededeelen. In deze
formule, doa moet het geheim schuilen om den regen weg
te jagen, zonder dat deze boos wordt.

Wanneer bijvoorbeeld de regentijd reeds invalt, wanneer
het ömgehakte hout in het rystveld nog niet is verbrand,
en de sando doet 10 dagen achtereen boven omschreven
werk, dan zal men ook 10 dagen lang droog weder krijgen,
ln welken tijd het gevelde hout tijd heeft te drogen. Wil
men na het branden weer regen hebben om de geplante
rijst te doen groeien, dan begiet de sando zijn vuurtje met
water, en de regen zal weer neerstroomen. Ziet hij gedu-
rende zijne operatie wolken komen opzetten, dan neemt hij
kalk op de vlakke hand, en blaast deze tegen de wolken.
De kalk, evenals asch de representant van droogte, zal in
een oogwenk den hemel weer zichtbaar doen worden.

Het werk van den sando is voor den Toradja de officieele
wijze van regen verdrijven. Hierbij moet nog worden genoemd

1) Het is intuschen waarschijnlijk, dat aiou hier twee functies heeft! lo. om
iets droogs aan te duiden, dat daarenboven zooveel als '/koud vuur*’ is; en
2». is het woord awu ook de naam voor //stof. poeder/' en dus als synoniem
te gebruiken voor regen; het laatste geldt ook van sese nghadju> dat eigenlijk
»pluim*J beteekent (dè' bloempluim van alang-alang.)


10

het werk van de priesteres, die bij aanhoudenden regen
op eenen ongelegen tyd, weer opstijgt naar de hemeloorden,
om de karbouwen, die zich zonder ophouden in bovenge-
noemden waterplas baden, daar uit weg te leiden.

Overigens bestaan er nog andere middelen om droogte te
verkrijgen, maar deze zijn uitvindingen van bepaalde perso-
nen. Zoo prees een kabosenja mij bij het begin eener reis
het volgende middel aan: Trek met duim en pink twee
jonge takjes af van den froP-boom (Rododendrum verticel-
latum ?), en steekt die onder den hoofddoek: een op het
voor -, en een op het achterhoofd. Pluk daarna, onver-
schillig met welke vingers, zes gewone bladeren van dien-
zelfden boom af, leg die bladeren op elkaar, en wikkel er
een klein steentje in. Neem dit pakje nu in de gesloten
hand, en blaas door de vuist naar den kant, welken gij op
moet. Ga dan gerust uw’ weg, mits gij zorgt de kop-
bladeren met het steentje voortdurend in de hand te klemmen:
ook moogt ge om uit te rusten niet in een hut of huis gaan,
maar dit in het bosch of veld doen. Dit middel helpt
slechts voor één dag.

De sympathie, welke er bestaat tusschen droge dingen
als asch, kalk en vuur met eene droge lucht, is ook elders
in den Archipel het beginsel van regen verdrijven. In vele
streken in de Minahassa doet men om droogte te krijgen een
weinig keukenasch in een’ kokosdop, en hangt dezen op
onder de nok van het dak. Zoolang de asch niet nat is
geworden, moet er droogte zijn. — Op Boeroe neemt
men om regen te verdrijven een rotan, windt
om de punt zwart katoen, en steekt hem dan in
de keukenasch; daarna steekt men er viermaal mede
naar de plek, waar de wolken zich verzamelen en drijft de
wolken weg met woorden. Valt er toch regen, dan worden
eenige druppels in een pot uitgedampt (Riedel, de Sluik -
en Kroesharige rassen blz. 10). — Op de Seranglao-en
Gorongarchipel wordt een zwaard van gaba-gaba aan den
scherpen kant bestreken met de fijngestampte wortels van


11

Raempferia galanga, en hiermede bedreigt men de wolken
in den naam van Allah (Riedel o. c 165). — Op de Wa-
töebela eilanden bestrijkt men boven reeds genoemde mete-
oorsteenen met olie (Riedel o. c. 198). — Op de Kei-eil :
neemt men o. m. een stuk hout, bevestigt daaraan een
weinig gemoetoe en zwaait of schermt daarmede in de lucht
(Riedel o. c. 223). — De Kisserrees wijst op zee zijnde
driemaal met den uitgestrekten vinger naar de wolken, —
misschien om deze beschaamd te maken ? (Riedel o. c. 413). —
Op Florida in Melanesië wordt de warmte van vuur over-
gebracht in bladeren en kruipplanten, en deze worden daarna
in den top van een ‘boom gebonden, om deze warmte al te
geven aan de lucht. Op Santa Cruz legt de toovenaar wat
verbrand hout in een boom. Overigens spelen in heel Melanesië
peperranken (peper is warm) eene groote rol bij het roepen van
droogte, zonneschijn. (Codrington o. c. 201 — 202)

— De berichten omtrent regen verdrijven zijn nog schaar-
scher dan die aangaande regen maken.


Full Text

PAGE 1

!

PAGE 3

!"#$%#!&!&#' (&)!&#*&#( $+)!&#!,)&&&(#(,,)-*&& + "&&#&(+(#.()-)$$#((&*+/(+"&(### (&()#&(0"!$!((*&)& &1-)(&#((&*#"&)&& +&,)$#$&*+&#+(&$/$*-&##*+&##(",)&-& 2(&+(('(,)&*3&($&(($'4&!&(#"&('&0((&!& -&*&&)+ (&#,)+'*(# "#)&'*#+/$(* #&*"/'#($+&"&*'!/&$+& + '!&5-++$&)&"&'(!+&)*-+'&&& $#$ ,)+($')&"& !"#$ %&'(((")#!"*)%)+()%,)*#))( (

PAGE 4

&$$&+&#('(!"&6"'*'&$$(+$&*+&(#&*"$$(!$$ 5$(&+"&)$$'&*+'&&'#$$'&"&*)&(+*#(#$(#&*'&(7+(*&+'"&",)&*+!(&#&&&$!$$ +&#(&&"(#6$"&(# '&*(()&"&*" +)'#("&/'$&839&(#(*((($+&'&$!&":!&()&#;5$)&+&&"&$$<$!$(&&)(&+ +*$$'$&+!&83(&(#(*((((($+* ($!&)&"&&!(;($$"<&*,(7!!&+((#&-++&)&"&(('&*/$"(*("(&/$*+)&"&#&&*(#,)--&&# (&&#&(*=1,)#+#)!(7 >(+( !$+(&$$()&#(8++&((&("$$ #( +
PAGE 5

. &( !$ !&')&#(# >",)&'*&#+&$-:#!"(-)+&&##*&)(+$&*+"#))$+&&$!&#/5+&&"&&$+* ')#!"#*(!$*&)& ,)($+*,))&#!#)!-,)'&*&-,)'$$&*&$$)+ +,)#!"!&#"&$"*&"&'77)(*&$##$&#$((#!"#?&.@+(,,)-*&+!"#(/$&( +B!)&#&(#&!!$*&")$-$( + $ (&*)! &!"#$ #&"*)&(+&(7(&& "(/(&(# A+$"+(&#$(*('$%#&+ )&'(+ $)&(-#+' * +)-*(&##)&# +)-*&&("((&0)&+&&((&"&(&&*(&+&(-&CDE (&)&+&"&*" +'$&83(&#*) ++&:"("&*&"&!&*(-(;)(&+ +/ +&"& #)&(-*"!&)&"&!&$(&*( ,)&*#&!!''& + "&&+&"&(#!*&&&($&+&(+&"&&'+&)(##*&& $"/%01"(2$3$4 &+(+$"(2$("55#6$$ $5#+&#+*$+("$*/($ %"$&*, &##/2(#%5#$")

PAGE 6

7 &(#(*""$$("&($& !")&(-*&###-'(#*$+&$")&,)&)& (#:F#(&"&!,)' &=(*&&+&)& #+,)+ (()&"(,)&--*,)#' &&/+),)&((&&&#)&(!(#)-#?'*+&)!)&--("&)! &*"&&(7)(+&'"$&*"$,)!&)#(&+"*-")$$((&*)&'(# ,))&,)-(#+&&"(+#(7)!(&,)&++!#&'*+&,)!('G(!"+&"&-(7+! #*(?6)$&)-&!(#)&$"*)(7"(+&!(&#H#"$# $ #?$'!+$(*&,($"+2#+,)#+$ *+&,))(/ ,)&)$"-#$/#($+" (*(+/)( $((*##(&+&#('$&("$$')(7:**5*(7 #*"(++&) &*"&*"&!&*(-&(:(-&(((*"!*") ) (#)"-#$*(+)(*+&"8&&#(!"*") (*&!"& $"; $ &&"&$!$+*)1$#)&&&#($(-*&

PAGE 7

8 &#) (,)&*")"'&,)#&(#&&!!#/,)) (#'&)&/8#&*& #*)&!&')&$<(&*&!,))&(6# -"*A(($(&"/&'+$ !" *&&)&"& !&##'*#&('H-&+!++(&$$&#('-*"&'&*#()9$ )/.'+&+#($&<#&)#+,)-&&!(&)*&,)$!+&(&(* &"<,&+*"#)&&(&))6'($(&$*#&)!&(( ,)-&))(& #&(&)&$!,)&(/&($+(&+& )!'#$ !/"'#( (&&+'*&)&!&&+"&( #&9&)&&(*#&&*&$ !"&)-&$!'$$*-&$&) &(&*++,))) #/&())('&"&(!+&+#$#$#)&'&(&#,)$+* $-!& $ !--8$# &$&&3 !--11 &&+&("#+*&)&($"$#$$$)&((('8 <##!&&&*#(&##((! &"$(0"$""&0("$ %(,/ (&%"(+3+"(+&%"&"$(*/"/%#$"5#++ %#$(#*(#"$ +$�"$""&/)09%,+$($#0/5#+:++$*+#$/+/#2("0%%;/6/ %0"$""*/"+%, %"$%"(/,"$$*"$"$*+$()/5#$<

PAGE 8

= $$5$+(+&$#$!&'!((*."+(&",)&*#$!*) ##/$+&+&(&*(' I&"&(&$&(+(-J)&+), '&&++(&($$'&-$$'+&"&')&-*-')&&6#0+ #$)'& # 6$6 "$(()(((",)&"&*$(&+(&$&",)!"(+$'&'''$&&&)&#',)"$&++(+&("$ &$&,)&+(&$($+&"&& '$
PAGE 9

> +&)&(&$(<,*OFOH& #$&&+(&$("&$#/+#&$
PAGE 10

? 0)&(*+"(& )!*+&+$(#'#&-&"$(+/+)&"#(!&&'$%(&+B&"*$&(*& ('"&)$+&?(+)$+'++&1#"&')*"$+&$!,)& #++(&$(-*3&"#("(!$(>$)+#&(*&$+&&#!&,)&(#-+&'+ &&$$*($+&((!$$S)&6,)'=$+ +(+)&")&()&+:&!""#$*"$+=$+ * !&+/)*##?(&!#&3 + +;&-( !$1$*")&(&*&'$*"+(#",)& <($&&+*(!&$#*&-$&)-&&,)-,)&&++#77*(!/*'&&'("$(&$++&"&:) &,)&*)&+&(6",))*)$&!&!&'+"*"/)#&#(&*+&)(&)&"&&&''H-&),)'"&& # *,)&),) !&)&'-&#)!&':)!&(&)#!!/&*&)#&!&)!&*"&)&+(#&$&&!&(<)&'("&&#!!&((')&(-#(+$ 6+' &#!!# &)#,))!&&+,+(!&&#:1",)&&' *"$)!&&)#( !$#)-&)@'$ ,)((*" &#( +6

PAGE 11

@ '&&(!H #&+6#&, &#( +'&'!&& !#+(+(&##!&)!+8&,*&&(&$&*<(!.'+&+&(&&<:&'& &@+ #"&,)&*(+$$$"(( "&*<+$+$&T###(:+# 8$&:$ &$&*3#"*"&$#( !$&+##(&&"&S&'$+&+,+&) &&(,)&(*#"($+&'&&*-*)&(&*"&$H'$& -+!!&*"$+U,)&(&)-&"+-+!*+&)&()+,)!+("(&(*& "& 0 # (&#&*")&V+()$&)!&)&@&#(&# *&(,)& #+,)#"$*+$((("$(*"$&)&(#)!&&)-&&(0+)& "() +('&&&(* (&#!!&+&"&*("&+%&)(!/'&"$$+'&&*+&)$$'#$$)* &&("$$$*#,)'&&#(&*("$)+",)& " H&"$##--,"#(##H +&("(+ $"$2"5#)"5# %*$#$)625$"#6$A+$"("$2*$,&/&"1B%2&22C!"D-E"#$)%+&BB"$60B12"""F+$(,2%&(D#$$"$($%&$( %E02+C,$%$GH1,+02+&(;(

PAGE 12

I )&"$#'&* )!('((&@*"'&(&)+*+$ !"*,)')! #(/+"&' *!&"(& 5#( &(++(&&#$(*+!&#(# ''/%'$ + )& ()&#(+8$+&!+'$&"(&$-#-=6 +
PAGE 13

+'-((*)+ (&+"$+#)<,XLS5'06&V &$&+ #(++&/&+&<,FS5'68+&++&!$)!&* #&(&"((+&"&-,)+&+!,)&<,OONS"&'++&!&(&$&#("$*S+,)+ ,)+&+$W<,YNS5'Z?J"&"+&##!!#/( ,)& $!''&*"&'#R +( *+"+&&(#!,)&5'A&!(&&#"&# )!& +5#(')?J''$<''"+(& )&'#(&*,)<(&,OSOO S ,)&+&&(##(,)6,)((+$