Citation
Soendasch-Nederduitsch woordenboek

Material Information

Title:
Soendasch-Nederduitsch woordenboek
Abbreviated Title:
op last van het gouvernement van Nederlandsch-Indie, zamengesteld door H.J. Oosting
Creator:
Oosting, Hendrik Jan, 1842-1915
Place of Publication:
Batavia
Publisher:
Ogilvie & Co.
Publication Date:
Language:
Dutch
Sundanese
Physical Description:
v.

Subjects

Subjects / Keywords:
Sundanese language -- Dictionaries -- Dutch ( lcsh )
Dutch language -- Dictionaries -- Sundanese ( lcsh )
Genre:
Dictionaries
Temporal Coverage:
- 1879
Spatial Coverage:
Asia -- Indonesia -- Sunda Islands
Azië - Indonesië - Sunda-eilanden
Coordinates:
-2 x 110

Record Information

Source Institution:
SOAS University of London
Holding Location:
SOAS, University of London
Rights Management:
This item is licensed with the Creative Commons Attribution, Non-Commercial License. This license lets others remix, tweak, and build upon this work non-commercially, as long as they credit the author and license their new creations under the identical terms.
Resource Identifier:
221835360 ( OCLC )

Full Text
SOENDASCH-NEOERDUITSCH

WOORDENBOEK,

OP LAST VAN HET

GOUVERNEMENT VAN NEDERLANUSCH-INDIE

ZAMENGESTELD DOOR

H. J. OOSTING.

BATAVIA,

OGILVIE & Co.

1879.


; -





















--A: W-A

i|SI8f

.- ... A-A

.





















.'TSSj. ' 'z ." ~

-.A







S'











' ' ; , \ i ' ' , ' /

-'V A ' A

' . -. " .-A .





> -















-

. 1





.

..













SOENDASCH-NEDERDUITSCH

WOORDENBOEK,

OP LAST VAN HET

GOUVERNEMENT VAN NEDERLANDSCH-INDIE

ZAMENGESTELD DOOR

H. J. OOSTING.

EERSTE STVE.

BATAVIA,

OGILVIE & Co.

1879.




VOORBERIGT.

Bij Besluit van den Gouverneur-Gener aal van Ned.-Indie, dd. 14 Februarij 1873,
no. 30 zcerd mij opgedragen de zamenstelling van de noodige hidpmiddelen om binnen
een kort tijdsbestek de Soendasche taal ook in Europa te kunnen beoefenen en onderwijzen,"
o. a. op deze voorwaarden, dat mij zouden worden ter hand gesteld de papieren omtrent
Soendasche taalstudie, nagelaten door Br. D. Koorders, en dat ik mij zou vestigen in de
residentie Preanger Regentschappen.

Zooals uit de bovenaangehaalde woorden blijkt, was het hier te doen om zoo spoedig
mogelijk een woordenboek en een grammatica te hebben, bruikbaar bij de beoefening en het
onderwijs der Soendasche taal, ook in Europa.

In de eerste plaats zeker een zcoordenboek. Dat van Rigg was onvoldoende, reeds
daardoor, omdat de boekjes die bij het onderwijs zouden zoorden gebruikt, werden geschreven
in Preanger Soendasch, dat in veel opzigten belangrijk afwijkt van het Soendasch in het
Buitenzorgsclie gesproken. Daarbij werden op verre na niet alle in bedoelde werkjes voor-
komende zcoorden in Rigg' s arbeid gevonden.

Om kort te. gaan, ik moest trachten een nieuzc woordenboek te leveren, maar bij de za-
menstelling kon mij dat van Rigg te stade komen,. terwijl ik ook nog ter mijner beschikking
had de bovenbedoelde papieren van zcijlen Dr. Koorders en eindelijk nog een woordenboek
in manuscript, zamengesteld door den vader van den tegenwoordig en regent van Tjiandjoer.

Wat de papieren betreft, nagelaten door Dr. Koorders, ik heb er zooveel mogelijk
partij van getrokken, zooals trouzoens bij een slechts vlugtige inzage van mijn zverk al da-
delijk blijkt.

Het aantal woorden, dat ik door die papieren van hem kreeg, bedraagt 2000. Was
daaronder menig woord, dat mij ook buitendien niet zou ontgaan zijn, omdat de in zijn
tijd reeds verschenen Soendasche boekjes natuurlijk ook door mij werden gexploiteerd, toch
is het aantal zcoorden, dat ik aan Koorders verschuldigd ben, nog altijd groot genoeg om
hem hier met dankbaarheid te herdenken.

Het hierboven reeds genoemde lexicon van den regent van Tjiandjoer mogt ik slechts
gebruiken met omzigtigheid. De definities, die de schrijver geeft, zijn gewoonlijk slechts om-
schrijvingen, terwijl zijn opgaven omtrent de zoogenaamde hooge zcoorden dikicijls slechts
aantenemen zijn voor de hoofdplaats Tjiandjoer en omstreken, alzcaar hij een zeker aantal,
overigens in de Preanger ongebruikelijke Javaansche en Maleische woorden heeft weten in
te voeren, en zeel voor gevallen zcaarin Soendasche hooge zcoorden ontbraken of waar die
hem niet mooi genoeg zcaren.

Met dat al blijft het woordenboek van dien regent een verdienstelijk werk, te verdienste-
lijker als men bedenkt hoe zeldzaam zich een inlander tot dergelijken arbeid zet.

Ik noemde nog niet het Soendaneescli-Hollandsch zcoordenboek" van den zendeling
A. Geerdink. In 1875 verscheen dat zeerk- Ik voor mij stel het beneden Rigg's woor-
denboek, al telt het ook een groot aantal woorden meer. Mijn elders over Geerdink's werk
uitgesproken meening behoeft hier niet te worden herhaald, en bepaal ik mij tot de ver-
klaring, dat ik meende het niet te mogen gebruiken als bron voor mijn woordenboek.


IV

zoomede beginnende

Nu een enkel woord over de inrigting van dat laatste. De werkwoorden, die met
&n\ yyp en (o beginnen, maar onder die letters niet worden gevonden, zal men moeten

zoeken op de met asn\ en 6-i*\

woorden, waarvan ze gevormd werden.

Overal waar de pamepet zoogenaamd lang is, dwz. waar die het teeken is voor dezen
vocaalklank, maar geaccentueerd en genasilleerd, heb ik dat aangeduid doorliet klanktee-
ken te voegen achter de letter.

Veel moeite heeft het mij gekost om tot een behoorlijke onderscheiding te geraken
van de woorden, naar de wijze waarop ze worden gebezigd, als spreker of schrijver wil of
behoort te doen uitkomen het onderscheid van rang en stand, een betrekking van bloedver-
wantschap enz.

Het zijn vooral de woorden die gebragt worden tot de die de zaak

soms lastig maken. Ik kan over deze kwestie hier niet uitvoeriger handelen, maar moet
verwijzen naar de grammatica. Trouwens door hier en daar een woord tot toelichting er
bij te voegen, heb ik getracht den gebruiker van het woordenboek te helpen.

Op de Verbeteringen en Bijvoegsels verzoek ik te letten, terwijl ik verschooning
vraag voor de lange reeks van misstellingen.

Een hiermee geloof ik alles te hebben gezegd. Nog slechts dit. Een vrij groot aantal
woorden, die voorshands konden gemist icorden, heb ik, omdat de beteekenissen mij nog
verdacht voorkwamen, terug gehouden, liever dan door ze op te nemen mijn werk er aan te wagen.
Ik hoop ze met nog andere, die ik ter mijner beschikking heb, in een supplement op het
woordenboek te publiceeren.

Soemedang H. J. OOSTING.

4 October 1878

VERKORTINGEN.

K. beteekent Dr. D. Koorders.
Rg- 99 A dictionary of the Sunda language of Java bij Jonathan Rigg (Verhandelingen Bat. Gen. van K. en W. Deel XXIX.
Rg. Tj. 99 Het woordenboek in manuscript van den regent van Tjiandjoer.
Rg. K. 99 Definitie gegeven door Rigg, maar gewijzigd, aangevuld of verbeterd door Koorders.
Jav. Wdblc. 99 Jav. Nederd. Handwoordenboek. Nieuwe bewerking van

liet woordenboek van wijlen J. F. C. Gericke door T. Roorda,
voortgezet door J. C. Vreede.

jp Cachtcr Mal. woorden of hun beteekenissen of wel aehter de 99 Pijnappel, Maleisch Hollandsch woordenboek. Tweede, ook
wetenschappelijke benamingen van boomen en planten) soms eerste uitgaaf.
s. 99 Songong of Basa songong.
p. 99 Panengah of Basa panengah.
B. 99 Basa, d. w. z. Basa mnak of ka mnak.
B. L. 99 Basa loehoer.
S. B. 99 Songong Basa.


VERBETERINGEN EN BIJVOEGSELS

BI. kol. regel. woord.
14 b. 1. r. i. pl. v om l. om.
17 b. 4 r. v. b. id. < O 7 < O (3-iA (KI ru (Kl/f \ /. -sfc K i .TL? (kJl/t\ nsL
id. b. 9 r. v. o. id. nqqt iemand, een aangenomen kind, l. voor iemand, een
aangenomen- of stiefkind of wel een pleeg- of stiefvader
\ (moeder), en 7 r. v. o. voeg in achter kind: of wel zijn
eigen vader (moeder);
19 a. 11 7'. v. b. id. gladde l. gladden en voeg achter: Voorts rxMKrKKTjp, in het Buitenzorg sclie zva. aziigim/iw K.
20 a. 8 r. v. b. id. O O z- O. 7 O O < o. (KIG^l!KI (IJ^ l. (K^d/UW (tnH<3,A(KJi
id. b. 4 r. y. b. voeg in Q Q (3 (Ml zva ,vn
23 a. 5 7'. V. 0. i. pl. v. meer als; te bovengaan in iets l. meer dan; te boven-
gaan in iets.
24 a. 5 r. v. b. id. lange l. langen
26 a. 12 r. v. o. id. (ui(ut^(3^(uiz ojiiigSIi (V}fl\ l. (3^2
29 a. 5 7'. V. 0. voeg bij 1 I 0 och! Zie ook dz 2 %
id. b. 7 r. v. b. voeg in: (3 (3 SB. er mee in zitten; er mee
verlegen zijn; niet weten hoe te handelen.
id. b. 12 r. v. o. i. pl. v. volg. K. (zva. (Ki/j^rfiJifKyp) l. (volg. K. zva.

(Hi,j \\


VI

BI.

30

34

35

40

42

43

id.

45

id.

49

50

id,

54

55

id.

56

kol. . . regel. 7 r. v. o. woord. voeg in achter awvrrljanj]-. en mmmtinan/p en lees asiiasr^\
10 r. v. b i. pl. v. i. pl. V. ahas^w persoonen l. personen.
. 1. r. id. en. l. enz.
b. 6 r. V. 0. voeg in r ' O \3 iK^argp enz. Zie
b. 4 r. v. b. i. pl. v. on l, 6^Axm2nj(Kvi an
a. 9 r. v. b. is . ' Hier behoort te volgen (3 s^(fKn Z nu
a. 10 r. V. 0. voeg in (3 (HY^ (fUlJi \ in het Buitenzorg sclie zva. nsh
lig. K.
a. 3 r. v. b. , O aan het slot. awBiap zoomede de volgende woorden moeten
hier vervallen en behoor en onder (3^.2 leze -SoQzfljyp (BI. 56. b. 3. r. v. b.)
b. 8. r. v. b. va om va anjp, voeg bij: van elkaar; niet wel aansluiten bv. van de tot
een deur zaamgevoegde en. verbonden planken.
b. 9 r. V. 0. i. pl. V. (d) l. (e)
a. 13 r. v. b. id. die is (was) het dat is die (de beiouste); l. die is (was)
het; dat is die (de bewuste);
a. 13 r. V. 0. id. f}\\ l, (HTjie-ani\
b. 10 r. v. b. id. rijpe l. rijpe.
a. 7' r. V. 0. id. au a. 6 r. v. b. voeg in achter ong. Volgens den heer Goolsma (Recensie Soendanesche Tolk
van den heer G. J. Grashuis. Tijdschrift Bat. Gen. v. K.
en TV.) is embat een lange strook zooals men langs den bo-
venrand van een lasang hangt.
a. 1 r. v. b. Z\ Hier behoort (3 (KY1 2 (UUi f! \\ Zie nu a^i^ntiL^w


VII

BI.

56

id.

id.

58

59

61

id.

64

65

id.

66

67

69

id.

id

72

77

81

kol. regel. woord.
a. 5 r. v. b. i. pl. v. of l. of
b. 3 r. v. b. id. l. Q^i.crruojifi'b En voeg bij: tiigBiwi^ VOOrts,
daarop, vervolgens.
b. 1. r. voeg achter *)
a. 14 r. v. b. i. pl. v. V] (Hl tuin OZ1 (Hlfl l. OJ (Hl (bil (E7 (Hlfl
b. 6 r. v. o. voeg in \\ voeren of mee voeren; iemand brengen, voeren of brengen
ergens heen.
a. 2 r. v. b. i. pl. v. o o , o o (b>n asiKKryp /. O5ii 05ii asiijp
b. 10 r. v. o. id. aCY Q 7 aCY O (CnHKHIWfHiq /. 021 (Ml (Hll 2 (Hl /
b. 9 r. v. o. id. n Q fKT? (l^ (iSYi \ zva. \ II. enz. 1. (KM (ISY) \ Z.r. s S heerlijkheid. nna^abnpLzriasnt&x zie bij
a. 4 r. v. o. moeten vervallen de woorden: en on^iui asty/^
b. 8 r. v. b. voeg bij: tsn ibii (ctiHi/j togt, excursie.
a. 8 r. v. b. id. z.
a. 11 r. v. o. i. pl. v. .-cn on2 cm [) 0211 cfn 2 onj) l. 0211 oQ2 cm / .rw cm 2 cmji
a. 1 r. v. b. id. weer terugloopen l. heen en terugkopen
a. 10 r. v. b. voeg in ZC77 crri\\ (itmofr^on/p SB. uithalen, met een rijtuig
of rijdier uithalen; een vaartuig zijwaarts wenden, bv.
om > een klip te vermijden; een paard of buffel zijwaarts
doen wijken. Verg. ^xnomfwon^
a. 2 r. v. o. i. pl. v. schikbeelden l. schrikbeelden
b. 8 r. v. b. id.
b. 12 r. v. b. voeg achter: Zie verder o^i^inn\ onder ojktuw

a. 6 r. v. b. (^1 cn OTUI (iSTi n \\ Dit moet voorafgaan aan cp


VIII

BI. kol. regel. woord. -
85 a. 1 r. v. b. i. pi. v. van l. van
94 a. 14 r. v. b. voeg in: $>\ (Ar. jLazxsfc) o? kuk?' SB. spellen.
95 b. 12 r. v. o. achter 2 x voe^ en wei ?
95 b. 4 r. v. b. i. pl. v. l. ?3;^^\ en 5 r. v. b. i. pl. v. a i ct 70 .7 9 7? 70 HTIfJ \\ i . 70 701 i )} ntij \\
96 b. 13 r. v. b. achter zijn. , yo^y in: van af het
103 a. o r. v. b. voeg achter . Zie ook M^tSi&nzi^
106 a. 13 r. v. o. voeg in: zva. (Ctmrt3crnji of O O / -n 771770 70 701 en (zva- m cYi^tHi Hiifp K).
108 b. 10 r. -v. b. voeg in achter zva.: ki m mm of het daarmee overeenkomende
109 a. 5 r. v. o. voeg in achter in leven zijn; ook, maar dan beter en mooijer StcpiMi
/i o M 1 J ^7x
id. b. 9 r. v. b. i. pl. v. weer, l. weer
111 b. 1 r. v. o. id. (Hl (LI 70 l. (Hl (LI 70
113 a. r. 4 y. b. id. xx 7 x MiwpiMp l. (un&yn Mp
123 a. 14 r. v. o. i. pl. V. door l. daar en 12 r. v. o. voeg in achter ontwaken: ook op,
op zijn (niet te bed}.
132 a. 11 r. v. o. id. (Hl 2 (H! 2 (Yj (U! \ zie w
133 a. 9 r. v. o. id. o (Hl 2 fWJI \ SB. redewoord, (onvertaalbaar) voortuis ook
o VOOr rm mihsiij w
id. b. 2 r. v. b. voeg in . i (Hl (ISYI (H7I 2
id. b. 3 r. v. b. id. (Hl o/j (KI asn a^U! \ raad, waarschuwing (Ar.
fcSC\AAoS).
id. b. 11 r. v. o. i. pl. v. o o 7 z -.0 O o rmiYj^ixzn p t.
id. b. 6 r. v. o. id. CY Q , CV CY O 70 TL^ (Hfl Hll 2 (Hl Ij \ eilZ. 1. (Hl rTL^/HII (Hl/j en (Hl (TU^Htlg (HH i (Hl p
CY Z. Wf t w

z.


IX

BI.

134

135

137

138

140

id.

141

id.

142

144

id.

145

149

id.

150

151

154

kol.

b.

a.

b.

a.

b.

b.

b.

regel. woord.

6 r. v. b. i. pl. v.

2 r. v. o. id.

naar l. maar

rijting l. rijtuig.

10 r. v. b. voeg achter: drup, de drup van de boomen of struiken.

11 r. V. b. i. pl. V. opiJKumasnjiw l,

4 r. v. b. id.

10 r. v. o. id.

3 r. v. o. id.

2 r. v. o. voeg in

klapperdop l. klapperdop.

.!?). 2 wf fff 2 kI

O o 7 Q O o




\
10, 11, 12 en 13 r. v. o. I. i. pl. daarvan: (Hl (H) a^Jf^ einde; ten einde.
(TlKhKKi) (Ul/)\ uit, ten einde, uitverteld van een verhaal.

ook uitgevierd- van een vliegertouw of derg. Volg. somm.
oj)03)(uij\ ook zva. van een arbeid, mits die met

hetgeen werd verrigt voor goed werd afgedaan. Maar volg.
and. mag men van een arbeid slechts bezigen ajiast (of m(8i^

O

3(Ka n^w (Ka tuit Mfp een

b.

a.

a.

l. r. moei vervallen: triajurp-naayp

1 r. v. b. i. pl. v. (ui tui asnjw l. (ui xn asiip \\
11 r. v. b. id. (H) (yj (Kr^ \ l. (H)
6 r. v. o. id. UI. 1. 11.

b.

a.

b.

b.

4 r. v. o. voeg in, achter schaal: Voorts: een stuk goed, bv. een samping om bij het
wasschen het water er uit te doen loopen, in de volle
hand genomen, uitkloppen, bv. op een plank.

3 r. v. b. voeg achter: mvdsv.

3 r. v. b. voeg in achter ajitojigmianu.wip ook wel MwinMitiayi

10 r. V. b. i. pl. V. (KJJjaJllSMp l. (^(UltSiKI/p


BI. kol. regel. woord.
159 a. 7 r. v. o. i. pl. v. boosaardig, plaagziek, l. boosaardig plaagziek,
id. b. 9 r. v. b. id. o o o o o 7 n o o o o (Kpji b. aQjy (cj.2 afn 2 asmMi
160 a. 13 r. v. b. id. zie l. zva.
161 a. 11 r. v. o. id. O 7 O flJl b. rtJ/2
164 b. 13 r. v. b. voeg in: V O-Ji tVJ) \ SB. het in gereedheid gebragte of ge-
houdene; het voor hem gereedstaande, in gereedheid gehou- dene of weggelegde. "PJI voor iemand enz. o iets enz.
165 a. 5 r. v. o. id. O CK , o Q. (Hl (K) \\ b. (£1M \\
id. b. 11 r. v. o. voeg in: 2 ceji 2 (isriji \ SB. zooveel als men met de toppen
van de vingers op kan nemen van zout, puuM^ enz.
Hitici2:Ei2nsn^ een zoon greepje, een zoon hoeveelheid.
bv. zont.
170 b. 3 r. v. b. voeg in achter £i\: I. lees I. i. pl. v. aSuwjiw . Voorts
voeg achter: II. 172 b. 6 r. v. b. i. pl. v. . si l. is
174 b. 10 r. v. o. id. q o 7 o o Kii (Kii 2 (ui ? .rui b. (HJiirn2 (ui2ndgf\
177 a. 1. r. id. cizh l. zich
178 b. 8 r. v. o. id. Gij (God) Z. o Gij (God)
189 a. 10 r. v. o. moet vervallen: id. a. 9 r. v. o. voeg in achter II.:
193 a. 1 r. v. b. i. pl. v. (M (Ktl (KH^ Z. (IJl (Hfl (Kil/j \
199 b. 1 r. v. b. id. wadana l. patik, djaksa, wadana of ander aanzienlijk

inlandsch ambtenaar.


XI

BI.

200

216

219

225

226

id.

id.

233

238

241

id.

242

id.

id.

id.

246

247

250

kol. regel. woord.
a. 2 r. v. o. i. pl. v. (£7^7)
b. 10 r. v. o. voeg in: 07? 07?? drnjj\ de inlandsche viool (Perz.
a. 3 '. v. o. i. pl. v. bamboe l. een bamboe en voorts volg. regels van dat

artikel: i. pi. v. die l. dien; i. pl. v. de l. den; i.pl.v.ze l.
die; en i. pl. v. over en langs de bamboe l. er over en er langs.

b. 6 r. v. 0. (welke regel moet inspringen] voeg in achter is: het
b. 8 r. v. b. voeg achter £ oshy b. 9 r. en 10 r. v. b. 11 r. v. 0. i. pl. v. de l. den
b. 7 r. v. 0. voeg in < O (KTJ (Hl 2 P \ SB. instorten, ingestort van een zoo goed als

herstelde zieke, door het eten van iets dat hij nog niet kan
verdragen. Ook van nagenoeg genezen borok: op nieuw uit-
breken, door het eten. van iets. Verg.

b. 10 r. v. 0. voeg in: ry on? ry Q?J7 Of*?stuiter, z/nde een met iets zwaars gevulde moentjang vrucht.
a. l. r. voeg onder: on? *"?? (Ui (Hfljj zie boven voor bl. 137.
b. 12 r. v. 0. i. pl. v. digter maken l. digter maken.
b. 8 r. v. 0. id. daavbij l. daarbij.
a. 4 r. v. b. id. uitgelijden l. uitglijden.
a. 9 r. v. 0. id. het hal l. het hals
b. 8 r. v. b. voeg in achter ook
b. 11 r. v. b. i. pl. v.
b. l. r. id. staanden l. standen. *
a. r. 1 v. b. voeg in achter m \ . is
a. r. 3 v. b. voeg in: on? 2 on? 2 Of?* 2 \ SB. gevulde moentjang vrucht, steen-

tje of derg. tot stuiter, bij het knikkeren of ander derg. spel


XII

BI.

253

266

id.

267

271

id.

272

274

277

280

283

288

id.

kol. regel. woord
a. 8 r. v. o. moeten vervallen de ivoor den: slechts in uiiirnKiuuinKr^^w ? Men leze: m
n bi.kw? tsi2nrniiMjlx ZW 11511
b. 5 r. v. b. i. pl. v. Perz. (chalasj). 1. (Perz. chalasji).
b. 12 r. r. b. id. uniKKKi/p l. mi cki (Kijjx
b. 6 r. v. b. id. aldan l. dan
a. 4 r. v. o. 'bd. n 7 o ji nn^ (ui ? o (Ki/j \ b. zr^tui tuirj o (Ki/j \
b. 4 r. v. b. id. o o 7 o Kil .ruft ui nnj!' b. * iKnjftfmanjp
b. 1. r. id. O 7 Q
a. 12 r. r. b. id. O O 7 D o (UI (UI (1511 2 (KI n \ / (UI 2 (UI (15112 (Kin \ iKb >~yl Klj
a. 2 r. v. o. id. ook beliooren te hebben of te bezitten, als voren, gezegd van iets.
1. ook behooren iets te hebben of te bezitten.
b. 8 r. v. b. id. soit: l. soit;
b. o r. . b. voeg in: (Kn (UUl \ S. en P. willen, het willen, er genegen toe
zijn.
a. 3 r. v. o. moeten vervallen de letters SB.
b. 9 r. v. o. moet vervallen het woord afgestorven; roors l. r.i.pl.v. , kottak l. kotak




c n

van e-

(? ~S9A zie (Lm w

(3 SB. uitroep: ach!

QZ .

(3 (Lm \ zie



(3 (LLO \ Ar. Pers. volk, familie

mand. Jav. wdbJc.) SB. iemand, 'die van
iets zijn bedrijf maakt of zich met iets
erneert; iemand ervaren in iets; familie van

iemand; iemand behoorende tot iets. Bv.
(3^a%tri)(^1 &n\ bedelaar 5 (3^.%rvi,vncm\ hande-
laar; sterrekundige, astro-
loog; iemand, die den ko-

ran kan lezen en verstaat, in dezen zin
van ieder Arabier; 6^^ifuK£n goochelaar; 6-tA^.rSffrw/tj^ws zva.

o o a/'
iru (k j vn \

MMiKrrntiM'i <(3^a.^(rvi(Kr^(un(Ki^\ t00V6naar;
G^qtriajimo-jyp erfgenaam;
of (3^A^trSl (Kll^\ jS>. 6^A^irSt(UimiKH^A\ ofd^A^
!rSt(^m(Ko^\ B. iemand, die naar alles

vraagt; iemand, die alles door vragen en
wer vragen onderzoekt.



O

(3 ~&L(&1 2 (3 /)\ zie (LuitSt*

CO Cd/

(3 AdL(3 ^CEJl (LO (KI fl\ zie

CEJ1(LO (Hl fi"

Cq Cd/



(3 6 2 § ^L(tOJ! \ zie 6da.

(3 ^dL(3

ayp SB. van met hoog uithalen

van de stem; en gezegd minachtend of
knorrig van iemands liggen te

schreeuwen.

iwn

(Kif


2 (3^A.(C)

o SB. naam van een dier, i& B) (EJtvjaJKrfOJ) (Kryp (Kriapnuis
aan de Soendanezen slechts bij name bekend. (Kr^rui\ (hu altrui \ n^aj)(ijuu^,rui\ zoomede
(3 ^fk (Uk) \ SB. I. zva. 11. 6-t/wm S (3 ,^(U^(k)J)Ji\ SB. naam van een dier, dat
G^.xm\ SB. uitroep: ei, ei! wel, wel! alle Soendanezen bij name kennen en dat som-
(3 ^/k (U) (kJ)Jj \\ een kind of iets anders dragen in de ka- zou het voorkomen hebben van een mensch,
rembong. voor: de ka- waarschijnlijk is het zeer schuwe aapsoort.
rembong, terwijl daarin een kind of iets (3 ^tk(U) (kXJ) (UU) \ zie dj)irui(uuiw
anders wordt gedragen; ook voor: de in (3 (l^JIX sc^a(^uw be-
de karembong gedragen wordende b- schutting. het gebied van
bk of derg. m' na het jongste kind. Verg. (3 uitroep: och! 0! 0 j! 6^.^\
en zie ook bij 6-So (3 ^Hk (Uk) \ voornaamwoord v. d. e. persoon. _ Sa (3 ~Hk&^.(kU) 2 \ daarn. en soms
Maar het mag slechts gebruikt worden le door (v>irui2<&:\ Holl. horologie.
zeer aanzienlijken, sprekende tot gering en; 2e (3 zie xn&\ en
door ouders, sprekende tot hun kinderen; 3e (ui (Cl aj) ojgi \ Zie om \ en m om w
door kinderen onderling; 4e sprekende bij zich (3 ^k Van een vrouw van
zelf of in een uitroep, niet gerigt tot iemand. den eersten rang gesproten zonen en kleinzonen
Nog wordt het gebruikt, maar het is dan van een regent, tot dat ze besneden zijn. Maar
grof, als men iemand beknort, met iemand de ouders blijven hun zoon, ook na zijn besnij-
twist, enz. van huisge- denis, dikwijls G^a^usa^\ noemen. Verg. G^a
noot en, ook van de bedienden in een huisgezin: cmnn/jw
ieder zijn eigen gang gaan, zoodat de een (3 ^JkdJk) \ ook wel G-A%(uri\ [Ar.j^X) SB.G,&uun
zieli niet stoort aan het doen of laten van den (m\ ten laatsten, ten slotte, naderhand.
ander. Verg. m oS \ $ \ ^(^(Ki(Sr3^A(Sn(K7\ later, naderhand.


(Lmvi(un m <&n/p

3



^^(Sn^^A(Sn\ telangelaatsten. (Si^^AiSn iets, eenvoudig om zoon persoon of zaak te
(ui2ig,(Ki\ voor den vervolge, naderhand, benoemen, de heer N. oS
* het einde dat zal zijn; ten slotte. (3^(K^\ S. (1^ (Hip(3^A(K^\ B. NN. 03l(3^A(K^ ZOO"
6^AiSn(cnf^,ruari/j\ zie bij (3^Att^iinj^\\ --iAO veel; bv. aG^An^aj)G^<^\ voor 7\W. zooveel.
trvi^^A(Sn\ zie bij G^AOJicnjyi^ irunajniG^AtSrtx §AQ <>\ SB. aardig, om te zien of te
zie bij s*..2 S (L/Z7 09 a5^J! x het leven hier aardig en aangenaam om te hebben; aardig
namaals, het volgend leven, in tegenstelling en vreemd; heel aardig; enz.
met het leven op aarde (Ar. _ O e? (3 ^AA/IA \ zva. G-skhkuui tuviw
bij (3 ^A AQ \ I. SB. langzaam van ook van to d-
rr^(Knr~n asnji\ zva. asn,p\ schrijven,naaijen en der gelijke- II. zie bij oi-nw
(3 ,~Ak(LSYl SB. ook (Lm(qnjr3^A(una^ji\ (3 ^A (t^J! X te water gaalb
zondag. (Ar. van iemand, die in het water gaat, om met
(5z^^j77\ SB. voortreffelijk; schoon en een schepnetje vischjes te vangen of in de
leerrijk; vreemd, zeldzaam, zonderling; rivier af daalt, om er zich in te baden.
wonderbaarlijk, zoo dat men zou gaan iets in het water doen,
denken aan een wonder of aan toovery, in bv. de geschilde aardappelen in het water
dezen zin bv. van een goocheltoer. doen, waarin men ze wil koken.
ay(Lm\ mvdsv. jzwituriQ^friajh' vreemd en (3 ^A(^HiKr)ji\ SB. vierkante, platte, van
zonderling; hoogst voortreffelijk; heel bamboe gemaakte schotel, die gebruikt
zonderling; enz. (Kn^^tuh(aa-njp voor- wordt bij sidekahs en bij het <^ treffelijkheid; grootheid en goedheid. (3 ^A ACt AiY) f) \\ (&ofitKnn\ SB. zva. (B}(8n\
(3 ^A (K \ zva. w ook: iemands plaats, die hij verliet om er
(3 ^A(K^\ I. zie wil noemen, of wel als naam voor iemand of wegegejaagd of weggestuurd worden.




5t/

4r

zva. (3^^<3^a^ri^van iemand.

(3 ^K(H1 (EJ) //\\ SB. de

ou 6*

proef nemen, beproeven.

(3 ^K(H1 S' ^?'^?'' P. enB. BL.

kind; maar sprekende van zijn eigen kind

tot een meerdere, gebruikt men het S. woord,
met voorvoeging van \ voorts SB. j ong
van een beest; spruit van oj>
en rente; ook de winst, die men behaalt
op het geld, dat men uitzet of aan iemand
leent, op voor waar de bv. dat men voor den
gulden koper een gulden zilver terugkrifyt.
^ackalf. _iAffnMijie-jrio\ VrOUW

en kind; ook, als er geen kinderen zijn,
voor: zijn vrouw, de vrouw. ^cKiacrurui

erb

BL dochter. daarn. van

sommige planten, en bep. van par: stoelen;
het eerste van uitgtzet geld, ook: renten.
tKWHT/p van planten, zva. azKHKKnjp en
ogj^iQ?w Voorts van een dier: jongen, jongen

hebben, en van een vrouw, maar beter
een kleintje hebben.

(3 (Hl \ zie bij (un

0^ J

(H1W

asi>

(3 ^9s(Hl \\ Jav. in de Preanqer qe-

meenlijk slechts in geschriften en dan zva.
aziaj) crmaj) (Kng\\ o (177^^0 of nji (Uitgacutn/p

SB. jonggetrouwden', bruid, bruidegom.
(Ui (UI ig iwimrui mri \ S. (Ui ^(Ki-^i (Q cm nsngj\

B. bruidegom. S.

(ui (Uiny B. bruid. (ui (Uion

SB. een kind uittrouwen. MMvwSiMr

(as^aqj <->

iemand (UKmrgaru}^ maken, uittrouwen,
uithuwelijken.

(3 zie bij nsr^aspjjw

(3 ^f^(Hl (Hl (Hl f)\ SB. naam van een zeker

kruid, dat als lalab wordt gegeten. {Volg.

Bg. ILydrocotyle asiatica.)

O <

(3 (Hl (Hl \ Holl. ambtenaar.

CV CV

(3 (Hl 2 \\ 37 (Hl 2 \ SB. iemand of een
asi^ .

lastdier geleiden of begeleiden; toegeven
of bot vieren aan een lust of begeerte:
iemands verlangen of begeerte inwilligen;
overgaan tot het bedrijven van afkeu-
ring swaardige handelingen. 2

iemand brengen, voeren of geleiden ergens
heen of naar iemand; een gevangene over-
brengen of transporteren naar een plaats;
iets ergens bezorgen of heen brengen; koffij
of een ander produkt inleveren of brengen


5

ast,

asij

aan het pakhuis; een dier zooals een hond (? 2 azHHigM/i' zie op (incrmw ' sJf U
brengen naar een plaats of aan iemand. (lZ)(K12(W(K)2Wi\ zie op G^AOJ! (Uln^ om (ki ziu) n\ (ish Lbiasij s ._yr ast/ <-><
mand bezorgen of doen . . 0 zie 'ft
toekomen, b. v. aan den man, die op het veld X- Q (3 (Hl (UI (Hl /7 \ zie G^Aan m w <£7/
is, zijn eten, of den kleinhandelaar, die er 0 (? \ SB. tegen wts aanzitten of
op uit is, een nieuwen voorraad koopwaren. aan liggen; aansluiten; sluiten aan iets.
iemand begeleiden, naar de azi^n.n^2(Ki/i\ iets aanhouden teqen iets anders;
verschillende plaatsen, waarheen hij zich iets aan iets doen sluiten, bv. de eene vloermat
begeeft. aan de andere 0f twee matten aan elkander;
§ ~£&(H1 B. tusschenruim- het oor houden tegen den grond.
te, afstand, b. v. tusschen twee sporten van een (3 Wjp SB. de stijl, waarop, als
ladder of tusschen een punt en het ander. K. een buffelkar is uitgespannen, men het voor-
Voorts tusschentijd; na verloop van, onge- eind van de aorta and rusten doet, opdat
veer, zoo ongeveer, tusschen,tusschen in. de kar niet voorover helle en met haar volle
daar heeft het nog zwaarte op dat vooreind van de
den tijd me; daar hebben wij nog den rustende, misschien uit haar verband gerake.
' tiid me. tr Sianinzritix tusschen J as>b t hemel en aarde. !&l(Kn t&tan on >\ tot 5 5 asnhet touw, waarmede de fauattut aan het vooreind van de tot- *
tusschen Mekka en Medina. is vastgemaakt.
(3(K^CKVTJl^ SB. het O . n (3 ^(KHV) ZZe 6-iAto
einde van iemand of iets, de eindtoestand <3 ,^(M1 a_J) 1 \\ azi(K)(mip SB. iemand laten <7// <*l
van iemand of iets. aQiG^MJiG^igawKjp zitten, zonder de minste notitie van hem
ten slotte niet zijn zooals men dat verwachtte; te nemen; iemand, ook een dier, stilletjes
ten slotte niet zijn wat het beloofde te wezen. zijn gang laten gaan; iemands begeerte of
(3 Wjp SB. vingerhoed. Verg . verlangen inwilligen; voldoen aan iemands
(li tnjy) \\ verlangen; stilletjes blijven toekijken naar




6

Cd

iemand of iets. (^aui^9^^(ui^Anqt-n(cn^\
doe er het slapen niet toe. zit er niet bij te

slapen. geef niet

al te veel toe aan je lachlust.

K>U *

gevolgd door al te zeer,

al te veel, al te hard, bv. van werken.

tcim m (ui/)\ zva. xn£n asu Ui ash

a

ast''

ZVa. (^ajr^^w

<5 O f] \ SB. geheel er in, diep genoeg

Of

er in, bv. van een ergens ingeslagen spijker, van
de kurk op een jlesck; enz. Voorts van iemands
gemoed: onvatbaar voor twijfel, met betrekking
tot het vertrouwen op iets.

niet naar behooren, onbehoorlijk van iets,
zoo als zich zelf prijzen, het eerste ook van

iemands gemoed met betrekking tot werken,

omdat toewijding ontbreekt, men niet werkt

met hart en ziel; voorts ongepast, van het

lachen om iemand of iets.

(3 I. (3^Si6^kSi\ SB. oorring. 2.

asti asu

en zie bij

(? (UI (Hl SB. iemands verblijf

(yxJ CnJ

of plaats innemen of occuperen.

t

(3 (KI p (Lm \ SB. forsch gebouwd en zwaar;

Cj >

groot en zwaar.

(3 s-&L(Hl 2 (KI f!\ zie a.^2(Kin^

Cj UI

(3 sUK ^7 \ SB. benaming van de heerendienst-
pligtigen, die vroeger, bij de Reorganisatie
van de Breanger, werden de andirs af ge-
schaft, tegen vrijstelling van verdere lieeren-

diensten en een tegemoetkoming in pare van

de overige dienstpligtigen, belast waren met
het gewoon onderhoud der groote ivegen, het
transporteren van brieven en goederen, het
behulpzaam zijn aan reizigers bij. voorkomende

ongevallen en dergel. Ze waren verpligt op
aangewezen plaatsen langs den grooten weg te
wonen, veelal drie of vier naast elkaar.

iets door andirs laten trans-
porteren. Zie ook

(3 ^(Kl (KT) f\ Boll. SB. handdoek.

CJl ut

Q

(3 'UL(Hl (KW \ I. voorn. v. d. tweeden pers.

Cv/

Men bezigt het beleefd of vriendelijk sprekend
tot minderen; ook gelijken qebruiken het.
Verg. IJ. ajiwym\ RL.

zeggen, spreken, van een zeer voornaam
persoon. . ht zeggen, de woor-

den van God of van een profeet. Verg.


o o

axiiKti^ en (uniKftKnw

(3 ^L(H1 (&W/1 \ zie sn (un w

\(hi amn

cji u!

(3 ^UL(H1 (LUI /i \\ Knih-itnji/i\ SB. vertrouwen

CJ ui


of zich verlaten op iemand of iets; ver- omstandigheid, die zich voordoet, bv. door

trouwen, gelooven. ligtge- regen. Verg. bij
loovig, goed van vertrouwen, al te goed > (? (Kl 2 \ SB. het voor de borst hangende OJ
van vertrouwen. te ver- schild, van een voor een feest opgetuigd rijpaard.
trouwen, vertrouwbaar; iemand of iets om (3 x-i&0£^2 2 anj!' en zie
op te vertrouwen. (ci^ir&an/p op iets (EddqiKlp en zich verlaten, vertrouwen, zijn vertrouwen (3 ^Ci^(KTi^\\ (cfoflmp SB. zijn in-
vestigen. trek nemen tijdelijk bij iemand.
§ (EJ fl\\ SB. fe borst CJ ojf (3 ^(^^(Krijiw (citgMjp SB. op cre-
een paard, slechts zeldzaam voor de borst van diet koopen; borgen; ook wel voor: geld
andere viervoetige dieren. leenen van iemand. Pass.
(3' zie Z- m & niet (ci^wwpp mvdsv. {herh. bij of van een r pers. of bij of van meer dan een pers.).
willen laten gaan, maar liem bevelen of (ci^Awjp ye& P crediet geven aan
bij hem aanhouden om te blijven; een iemand; geld leenen aan iemand.
paard inliouden {langzamer doen loopen); al dor maar op crediet
voorts van een vrouw: de maandstonden koopen. Verg. (cil&h'ayp en anajyiiii*
niet krijgen, zoodat zij geacht kan worden (3 ,3k(hp2 cmjp SB. met spoed, gauw,
zwanger te zijn. Verg. snel. tci(Ki2cni2(Hin\ iets zooals het bewerken G-. ook wel met zich zelf in Cd Cd van liet een of ander gauw gedaan maken; een
strijd zijn, het niet met zich zelf eens verhaal of voordragt gauw uitmaken, door
kunnen worden; balanceren. mvdsv. Pass. am/i\ en (cni^ajna^p sneller laten gaan, versnellen.
omp het laatste als meer dan een persooon 0 0 r 0 0 a^i (uin (ei q (VJ) werhouden Cd Cd slaat er je maar met een Franschen slag
worden teruggehouden worden door een doorheen.




8





& ^3, (Hl \\ (&(hi\ 8. zich begeven naar iemand
om kern te ontmoeten, om kern een be-
zoek te brengen; om die reden, gaan naar
iemands kuis; iemand gaan opzoeken. Pass.

Is de bezoeker de meerdere in

rang of een aanzienlijke, dan bekoort men
of Mir&iMjp te bezigen. Verg.

O Q

(ciMiiumM/j

<3^ff£>\ SS. hond. (kti\ teef.

asn on zva. (mtteuw Zie ook

ypreekw. van iemand,
die iets waarop geen uitzigt bestaat, verlangt

te hebben; t. w. zoo iemand stelt zicli aan als

de kond, die enz.

<3 ^3, (Hl (UU1 (ULf) \ (Skr. anjdja. Jav. wdbki)
io(Siajvi(iM\ SB. onregt plegen, onregtma-
tig of onbillijk behandelen, maltraiteren.
Miinuiim onbillijk, wreed, onredelijk in de
hoogste mate. ajixnonaMOMx mishandeling,
onregtmatige behandeling, wreedheid.
Verg. 6-&.(ki6-sklm\\

(3 (HJ V SB. nieuw; nieuw van een
kleedingstuJc, ook vun een gewoonte of ge-
bruik ; versch i. d. z. van pas, aangebragt,
bijv. van provisien; ergens pas. gekomen,
zoodat alles nog vreemd is.

nieuw aangekomen, nieuw aankomen.
(cia^m onfl\ SB. of m(ij)xn q azi onjp S.

en (un^(cn(^m(mji\ B.eva. offermaaltijd aan-
rigten van de eerste bossen pare, die men van
een veld naar huis brengt, of de eerste bossen,
gewoonlijk vijf, die men van een veld haalt, bij
wijze van offergave geven aan den priester.

(O(^(Enfi\^ SB. bamboe en
derg. vlechten; iets zooals een samak vlech-
ten. vlechtwerk.

<3 ^(Hl 2 (^3JI \ zie Mtap
(3 (Hl (dl \ zie
(3 ^3(^1 \ SB. het meel, dat verkregen wordt

van sommige boomen en gewassen, zooals

, . Q

van QetHnaj^ (wmo^on amnpzny, M(&iZ.u\ enz.
a^g(3^aA>i (ui (ciaSiibvi a-n^^ er ziekelijk en krach-
teloos uitzien.

van het zien van iets schrikkelijks: iemand

doen zijn als een doode; doen zijn meer
dood dan levend. mm{(uiiciMajuion/p of
mm%(uihalf dood zijn, er uit

zien als een lijk, bv. van angst.

(3 sSW&Jl 2 \\ tc}M2\ SB. onzin praten, on-

wijze taal uitslaan, van een krankzinnige;
en van iemand, die wl bij t hoofd is: praten
en redeneren als een gek; voorts geen


% \

9

tUiJp

zin hebben, zonder slot of zin zijn, van nemen, zooals een vogel doet of een kik-
een brief of derg, vorsch. Bg. K. (5 \ SB. uitroep: wel, men zou zeggen! en weer huppelen, op en neer springen
als iemand bezit of kent wat men van liem van vogels; en heen en wer springen van
niet zou verwachten (K}; of wel een positie kikvorschen; ook van menschen als ze spelen-
of rang verkrijgt, waarvoor niemand hem derwijze in zittende of kruipende houding
oordeelde de man te zijn. Verg. en heen en wer springen.
zoomede en (3 &J)
(3 asnwwjp (zamentrekking vau nSli en SB. of en z ge- V (3 sSVUp I. naam van een zeer stinkende hees- ter. Bg. K. 11. m(^1$2 M/p iets in de hoog-
woonlijk, S. met (unJwG-iMKntKi/p of te steken, omhoog steken, omhoog houden.
B. nog niet. 2 \ zie itjiew
niet het allerminste* hoege- (3 \ s. a^.(Si\ B. als; indien; ingeval; in-
naamd niet; geen; niets. SI 2 & geval dat; wat aangaat, wat betreft (zva.
geen enkel, geen enkele. het Bransche quant a); toen; nu, maar ook wel
^ifmfsajhtokG^tKnwjphetz. osuiG^fkCLviae: a^. eens terwijl, en bij een tegenstelling: maar.
niet een enkel mensch 6_^-T7a7?2fl3s^\ toen, als toen; ook met
is er; er is geen sterveling te bekennen. - er nvens: daarop, voorts,
Mofen? (3-^a niet; er is (was) geen kwestie van; in hebben, geen gelegenheid hebben voor iets;
het geheel of ten eenenmale niet. bij iemand met een of ander arbeid niet
(3 \ I. SB. benaming voor 1/4 bos pare. willen vlotten; ook niet vorderen, niet
11. SB. zuur, zooals vruchten, visch, enz. opschieten, van iemand, met een of ander
in azijn. werk. Verg. afni/Knt^w Als het eerste
(5 (U) 2 ZW rfasrmqasn^w 6 ^3,(^2 een sProng woord van een zin, is \ dikwijls onvertaal- baar en dient slechts om een begin te maken.


10

O O (5 (3 \ lav. de nageboorte. brengt: In het eerste geval zegt men van de
sn.rS^Arn_b9i-n\ SB. de navelstreng. Terg. dat die (un^zj>\ in het tweede geval
o eert ruw dat die V? \ is Haar 6.3.2 £1? ? 0 <127
(3 \ SB. van grond, bv. van den grond in zeker distrikt: voor het grootste gedeelte geen geluk. aan.
o asn (Ki i q (ui 2 m \\ <5 HT) \ de aren boom. Terg.
<5z^n9 2\ SB. een groene vliegsoort, die arensuiker-pak-
op krengen en derg. aast. huis. wmn SB. beoogen, bedoelen. pakhuismeester.
trachten; toeleggen; het op iemand of iets (? 2 0<7y \ SB. gekookte en vervol-
toeleggen of gemunt hebben; met oogmerk gens gedroogde rijst; als proviand wordt
dat; ten einde; om; zoo ook de Pass. ze door de bedevaartgangers meegenomen;
vorm (Si(3^r^\ dikwijls te vertalen met voor; ook gekookte rijst, die droog werd, uit-
met het oog op; om; ten einde. droogde, door dat men ze bij vergissing, bv.
bedoeling, toeleg, intentie, oogmerk. in de kast, liet staan. Terg. a^acnor^iKiiji^
van goederen, die te koop zoor den (3 T? Q? (Hl \ zie im % w
aangeboden: ik heb er geen plan op, ik be- (3 ^3\ geer ze niet. 'het op elkaar Q Q n (3 .TT S7^ \\
gemunt hebben, verzien hebben. 6^-n;> (? z^#J? \ (>£?. urtjd, voorwerpen van ver
Sn2(Ki^\ begeerlijk eering, een beeld. lav. wdblc.) SB.
wat is er voor begeerlijks aan? beeld, steenen beeld, bep. ook een beeld
(3-T'n qG-ZASr f (L.l^Ckft\ uit den Hindoe tijd.
zie bij zie 2 t&i m w co
(3 z^&n^^w (Cn(c}'r^^(Ki\ SB. de invloed van een paard, een vogel 0f een wapen, hetzij dat _ Q (3 09 (U7J \ of (ciim(un\ SB. wanneer ? tegen wanneer?.
het bezit geluk, hetzij dat heb ongeluk aan- 2 flJ? 2 z^e m2 TLd






11



\ zie

(? (H^Jf\ ai ak Cen Srt VCbn

sterke drank. dorps-

uitdrukking voor: toasten drinken. Terg.
rcnasn %\ en (wn asn q ihi\\ II. an
maar in geschriften soms gebezigd, voor: in
staatsie rondleiden; in optogt rondvoeren.
Terg.
<3 (HYIJI \ zie
r S . o

i3 (ISYJ \ zie o A

(3 grasmes, het heeft den

vorm van een sikkel. a'niWjp iets met
een arit snijden; grassnijden.-m (wmam/fx
grassnijder.

(3 ^k^I 2 05n/i\

asnjf \ zie '

en

o o
&gjl
(3 ^k^n asn z^\ zie ^msni^w
<3 a&l2tnjiji\ zie (3^ao£i2

K Y CY cv . CY Q

(3 ^dk(3>Jl W ^nojj\
agj!\ zie onder G-aoji (ut/j\\ihvimx en £%£ zie

ook bij (ine-run j\\ iviiHricuiQt Mijl' zie (SiiKnaji

O O Y O , O .

n^miKn(Ki)Q^ig(hn^\ zie

mi&mx aan, in het opschrift van een brief,
gerigt aan een meerdere. (Het kawi iunn^\
beteekent lust, pleizier in iets hebben en
van daar iets wenschen of willen: de betee-

kenis van vr heeft het gekregen, door het
gebruik als krama voor (unajiajhjw Jav. wdbk.)
Terg. (kv bij (un (UJ2 (ui/jwn£ajK&n2

m/P van een aanzienlijke: iemand aan wijzen of
designeeren voor iets, om iets te doen of te
worden; iets verlangen of begeeren te doen,
z verlangen of willen; een zekere hoeveel-
heid van iets, dat te koop gepresenteerd wordt,
verlangen. Bv. £^£^2^

hoeveel pikoels verlangt U? Zie ook

(rj'-ntHrijp en en verg. Miu/wMp

O

(3 ^km(^J\ Jav. iLm.mw/p Xw. Wordt
verkl. met Zoo n
(Kr^
(3 ~&k cq ni \ Holl arrest.

\ zie iuilirfiriji!tjin^\ bij

(3 ^nrtajt (HVJ! \ zie imji'b

<3 \ zie a^aJiqw

<3 Ib(U) \ zie Mop en

(3 ~&k(LSi2 2$>\ zie

(3 ^k^YI
(3 ^k^l SB. morren, murmureeren.

Terg.

(kJtruix

(3 ~&k HQ (TL/) (kJl fl \ zie





§ ajtji <3 ^A,ajtji <3^3(uti(ui

S W

o

§ ^fk2 Mjp SB. stotteren. Rg. 6-^




12



M^G^M/ldCC njiifiSh Mjp hetz. Verg,
zyi

(TUI 157/^ \\

(3 0n3' (Jav' tuij\ voor-

hebben, willen; iets begeeren, verlangen;
iets of iemand willen hebben). mmo&m
(ufjp S. en daarn.

B; iemand of iets verlangend, wachten;
verlangend uitzien of zitten uitkijken
naar iemand of iets; rekenen op iets,

Verg. mtimmji en (unoAn^ m m M2 w/p zva.
mm^mimjix en iets verlangen o/begeeren,
ook iets vragen, zooals hulp of bijstand aan
God. Verg. m ad ? \\ m mjj \ S.

CY

begeerte; voorts m mjj' en (dCaji\ ofCnaji\
begeeren; willen. Zie ook ama^,2%\\ mm
oji aft}f (Kijf of mm(KJi Cn 2 een zeer voornaam persoon wordt verlangd
of gewild; wil, begeerte, verlangen, van
zoo iemand. mmmm\ naar hartelust;

een ieder naar zijn verkiezing; naar lust
en begeerte. Verg. bij tmww
urnMvp. ergens genoeg van hebben; den

buik er vol van hebben. mm^mm^a-i

mMM/p zijn eigen wil drzetten; zijn
eigen zin doen. mwmmji [Pass. mm

iKti m s ? [Pass. aS (Si m cki en

B. iemand tot vrouw begeeren;

in een vrouw of iets, bv. een paard zin heb-
ben. ---- M M M M (p s. (UI MOK mS\ B.

verwachting, hoop. S.
MiKnajiS-giK^/ix of (SlamaatqiuntiKTji'' B. het-
geen iemand wenscht dat zal geschieden;
iemands wensch, verlangen of intentie.

(3^AM MfjG^AM M Cti(Klli\ S. G^A(K12 (UI/l(3^A.(KI2

i&inp B. zitten te wachten bv. op iets
dat men gelastte te halen; er op zitten te
wachten, vergeefs er op wacht n.

(uui tiyvjamd-AM MyG-AM m S. G-iaom iip

(nanid^A-iKU (ui,id~si.m2(kj'i^2!i(i(Ki\ B. doet 2'O-
fl5t 1 Cf

de verwachtingen van zich koesteren, bv.
van een kind; ook: er is grond om te verwach-
ten of te hopen, bv. dat uw rampen zullen ge-
lenigd WOrden. gQzCC^G^am m^G^amm
w\ zegt men in het tegenovergestelde geval.

<3 ^(LQ of Gfa-Masn/p Arafat, naam van
een heuvel, omstreeks zes uren ten noord-
oosten van Mekka gelegen.

(3 ^aj} asn n \ zie _y. m ?w



Q Q n

(3 wji \ zie (untuzajujw



o f titel, die door de Bege-

ving, bij toijze van belooning of onderscheiding




.13

<3^A



wordt verleend aan aanzienlijke inlandsche amb-
tenaren, gewoonlijk paths en wadanas, die den
titel van £n&i\ reeds verkregen. Terg. mam\
en (Sliiw In geschriften vindt men 6f&(LM\
ook voor de namen van vorsten, als een titel.

{Skr. ar ja en drja, achtenswaardig, acht-
baar, iemand van een goede familie, ie-
mand van de derde kaste. Jav. wdbk.).

(3 ^tk (L/i u^sPraa^ tusschen areij en

araij). SB. troeps-

gewijze, in troepen of scharen bij elkan-
der, van menschen en ook van dieren, zooals

herten, wilde varkens, enz.; voorts van vogels:
aan koppels, en van visschen: aan scholen,
troepsgewijze zwemmen.

6 ~&k (L/l 2 (UU^ \ kruipplant, slingerplant,
klimplant. ver-

schillende slingerplanten, allerlei soorten
van slinger- of klimplanten.

<3 ~&JY)(UUI\ llivdsV VUIl LU \\

<3 \ zie

<3 ^k^ (LM (kJl \ Zie rm vw qji \\

<3 ~&k

!uii\ zie (cgajuiajr



L ") O

zie
(3 ~&k(L0 2 a
s

TfTyr

o

Zie (3-iAt

(3 ^k^ X hP bladen en takken, met
behulp van modder zaamgepakt, tot v er ster-

king van een dam of om het ivater in een leiding
geheel of gedeeltelijk op te stoppen. Rg. X.

{Jav. geurig, welriekend, aan-
genaam n zacht van geur.) slechts gebr.

in eigennamen; bv. Terg.

A o

(kji ?
(3 ^tk (&) \ {eigennaam, van een boeta, vorst

Ca

van Pringadani. Skr. Hidimba. Jav. wdbk.)

een lalakon.

(3 ^k^r) (Ar } SB. Arabisch.

Arabie.

Arabier. {6^m^\ en Sjixadnx bij de
hoogere standen kruis en munt; de kleine

man zegt: ashicrhtx of nsh 2 cm 2 Mi \ en aQiwnz

O (?)

of turnen?(hiw In vroeger tijd noemde

men munt en kruis njita&h' omdat

de V.O.C. van de compagnies munt veel van

een ploegschaar had. K.)

<3,

T7 zm 2 amjj \ zie £-rm? nm/jw

V

(3 ^tk^ \ S. B. schaars, zelden.

-binh -n S. 6^ABnkajj6^AiSiajgf\ B. maar

heel schaars, heel zelden, maar heel zelden.


(3 ~&kOJl \ -houtskool, bijv. om een strijkijzer

te verhitten. ebbenhout. Terg.

O /

(ho en 'vn wnji w



(3-&sh cm 9

14

6^fUCH (1J1 \

z Q ~"S

(3 ,^jyi CITY! 2 (KBJj \ mvdsv. van 6-& cmiMjjw

CU Q

\ zie (CVcmcKi^

V

(s^cyMJI' mvdsv. van p

CU CZ'"'1 '

(3 azi asn n \ zie cv ffiasnjl*



<3 ^OJIZ CCi (IJtJI \ zie gSm 77 o ,7 w

(3 ^&(Kn\ zie ikv mi w

(3,-&k(KYl\ S. 5f£7?\ en B. of^Q^i?

ca' J co '

P. en B. grootvader. Terg, bij

(kmki>\ Met 6-A-ttfn \ betitelt men ook een oud

man uit de volksklasse, zoowl van hem,
sprekende als liern aansprekende. Verg, bij
olw wordt gebezigd als men be-

leefd of eerbiedig zoil zijn. 6,^
een oud man, maar nog krachtig genoeg
om te kunnen werken. Verg. (i&2<&i-^i2\\

ikv £J! 0.1? (tm B. voor (3^.(Lm(3^A.(^) \ van

hem sprekende. Zie ook A\

cuo^asnj^\ voorouders. -7(K^a^wi\ zva.

(uz (&i (H-King/ruiw (cvoji(3.^i co

vaderlijke taal. cmgt^dSid^Aiim^am \ is
reeds oud, is reeds oud van dagen.

<3 ^(KY^ \ (CKK1^\ (Cl (KT^KV2 (KI [j en -iAlTO^ J7 ff/7^ \

zie bij aar^\ II.

(3 ^H(KY)\ SB. wortel van een boom of plant.
(3 (KY) m asriji \ zie (Lm 'rtasn/pb

(3 ^(KYi asri n\\ am
porteeren van het veld naar de rijst-
schuur. nnj een verhuizing, transporteeren, overbrengen.

transporteeren, over-

brengen. Verg. bij

(3 (KY) (KJ) \ (Jav (im Kn (k.i \ Vw. (Skr. eikeis ja,
de aether, lucht, dampkring, van kdsja,
schijnen. Jav. wdbki) zva. mui ci cv/fw

(3 (KY) (KJ) \ naa.m van een van de sahabats.

dj)26^(3^A(Km(f^^\ een zeker toovergebed.

(3 (KY) \ SB. letter van een Alpha-

bet (Skr. axara. Jav. wdbk). Verg. (uij^Mp I.
(3 -&Y(KY) wjj \ SB. verstand, vernuft; middel
dat men uitdenkt om lot iets te geraken of iets
gedaan te krijgen; list, vond, kunstgreep,

vinding (Ar: ^y.£L£).

oJcckkik ic^tLiam

^(3^1 (hm (rr^ \ een spreekw.

(CKKiianji^ iemand\>z%\x&\&&. Verg- (cimtKi^w
amKncmi^Siasi^^ aan geld zoeken te komen;
geld zoeken te verdienen of te maken.

am (kv rui ui(i\ iemand met een list zoeken te


krijgen, ook op een listige wijze krijgen
of zoeken te krijgen tot iets; bv. tot de
aamoijzing van de bergplaats der gestolen
goederen; voorts bij iets een kunstgreep
of kunstje aanwenden om iets gedaan




15



te krijgen. &&&tKn :iQg on/^ list om in

een gegeven geval aan te wenden.

O O O O z-

mi trui ~Jrt asi g urn asn \ of arv^^A
iKntrui/j\ daar kan mijn verstand niet bij?
daar kan ik geen touw aan vast maken.
t£icm q^MTitiuijf\ of ^2zrL7er wat
op vinden. a^aiji(3^A(trntr^nr^<^an\ iemand
die zich afgeeft of ophoudt met schurk-
achtige listen of vonden.

onverstandig, onoverlegd. oji6-A(Kn G^Anm rug \ p allerlei wijzen, langs allerlei
wegen, bv. verkregen van geld. Voorts: alles wat
men maar kan bedenken in het werk stel-
len zie (Uigcni^

(rmgcrrt^A^ntrujf^ met overleg of verstand
handelen, zoo als van eenpaard, dat uit den
stal wil, en in tegenstelling met een nutteloos
er in rondkopen, de sluiting verbreekt; voorts,
(verg. (icni%6^.(Knruij\ bov.) zich van een

list bedienen; er wat op weten.

O n

(3 ^&(Kn 2 Wjp azi^mtru,^ SB. de rijst,
nadat ze uit de m-jicKyp is gedaan,

omroeren.

(3 (TU)JI\ of 6^(ioiru^/rj cruicrrrp en voor

dat laatste gew( onlijk d^ABnxmnqm derjarig; van een meisje: huwbaar; ook in

het algemeen volwassen, zoodat men geen kind
meer is. (Ar: W

(3 (KT/ 2 (CQJI \\ (crnciigtuip zva. (mcm^tw

^Atifng (LA/i6^Aiifng(LAj\ naam van eeu schaal-
diertje niet veel grooter dan een dubbeltje, en
dat men in wateren, van daar ook op sawahs,
vindt. Het wordt gegeten. Verg. (in^aji(in^(uiw

(3 (KD \ SB. overeenkomst, onderlinge
overeenkomst (Ar. ^giBi^nm

(ijy\ een stuk grond koopen onder ver-
bindtenis het aan den verkooper wer te
zullen afstaan zoodra deze de koopsom te-
rug betaalt. (mnj^uhrui/jG^KrhiJi/p een stuk
grond verkoopen onder verbindtenis, enz.

(3 2 \\ azi omgang zie <£lcmafig\\

- v

(3 (KTJ \ zie tmamw

(3 ^s(Kn\ Jav. dor, droog; verdroogen, ver-
flensen. Gebruikelijk in

v 7

ae:(oi\ zie uig (Ki^nr^y^

S. !eacki^\ en cma^.g%\ of <&i(Kiq\

B. en cmtg.g:>\ BB. hart, gemoed.
Van eigen hart of gemoed sprekende, gebruikt

men het S. woord. (ey & 6_bi

77. kleinmoedig, verslagen, ter-
neergeslagen, mismoedig. (ui\^gii(3^
S. (ui(^1 tui dn \ B. bij zich zelf, in


<3~aaai

16



zijn binnenste. $. fc|wq

B. verheugd, blij te moede, blijde, in
zijn schik. Verg* (3~aaai2q\\ (3-aaai cm hooghartig. neem het

mij niet kwalijk; wees niet gepiqueerd.
6^aaai(3^aaai\ S. (3 ^a aai 2 najj(3-aaa)2 oafj\ B. VOOT-

zigtig; op zijn hoede zijn; behoedzaam,

attent, omzigtig. azi aai azi aai \ s. aziaaigo^

aai2(ki/j\ iets met attentie of voorzigtigheid
doen; met omzigtigheid enz. aai aai Bi m
^an^aSi2aji2^i^i(Si2\ koestert volstrekt geen
kwade bedoelingen, is volstrekt niet kwaad
gezind, van een aanzienlijke. Van zich zelf
sprekende, ook door aanzienlijken, wordt in
plaats van mimi^ gebezigd6-aaai ofwwiw
aai asn^aaii on tK^cm2Vjai\ voor : aai asii crmnqai

aai(Ki6^aanKi\ varen van den duivel in het

hart van iemand, die vroeger goed was.

§ ^/CdSl SB. onrijp, rauw, ongaar; van

leer: ongelooid, onbewerkt; en niet ged
Schoon, niet wit van nqaanaaiajij^^ c^oui^
(K^G-anai {G-aasn zich overwonnen verkla-
ren of zich gewonnen geven, voor dat men
feitelijk overwonnen is. ^aaai ^^aa.a2tnajx
en gew. aaaq6^aji2ria/i\ zeer plat scheldwoord

voor personen en dieren, ook voor een voor

een oogenblik als levend wezen zich gedachte

zaak: mispunt, misbaksel.

<3 toch, dan; och! och wat!

6 \ S. (u^(ko(eionB. verheugd,

blijde, blij zijn; in zijn schik. s^ai aan
en a-jarn (&imimvdsv. cm 2 ai (SiiKnorr^tfa
aifqMi ^Mi^tEiaai (Si6-aoai2 ^oii2ig.Mi\ denkt je
eens hoe verheugd ik moet geweest zijn.

(3 ^kasrj (&)as-y\ SB. aS!i\ of aai (Hi (Sid^aaai(^asr^Mi\ niet weten hoe het daar is,
er nog totaal onbekend mee zijn, met
betrekking tot een,plaats; en met betrekking
tot een verrigting, zoo als het in orde bren-
gen (plaatsen van de meubels, opslaan van
het bed, enz.) van een kamer, bv. voor den
gast, die verwacht wordt: niet of nog niet
weten hoe het behoort, waar dit en waar

dat moet staan, enz.

Q

(Hl (co \ zie (3^aasno\\

(3 ^/Casri\ SB. regts omkeert maken, zoo tel-
kens hij er kans toe ziet, van een vechthaan.

(3 w aaaa^ SB. schikken, ordenen,

regelen, in orde brengen; ook zva. aziyai
omwjp II. Voorts van God: aaiQidrix toe-
deden. Kial^^ajnx het eten opbrengen,
in orde op tafel zetten. re-


-lMH
geling, regel, bepaalde werkwijze, be- den over elkaar kunnen zitten.
paalde wijze, waarop wordt gedaan of ge- niet overal gelijk van dikte,
handeld, lij het doen van iets; iemands, door van touw; en van schrift: ongelijk.
hem uitgedachte wijze van iets te doen. O ry (3 ^dkdSY] (VXJi Qjiflx SB. satijn
(3 ^dkdS) of (unnj) a^iun (4r.
Mn nog geen weg of steg weten ergens. Verg. rm tKtnnqw
op de komst of de terugkomst van smaakt als; ben van oordeel of mij dunkt;
iemand, om hem onmiddelijk aantevallen, ook ben onder den indruk, het ligt mij
bv. naar aanleiding van door hem uilgestrooide bij, dat. maji^anjp eten, drinken, ook
praatjes. tabak proeven. twijfelen, in
(3 ^asn 2 ^7^ ~&k<&n 2 \ zie^Sn^ het onzekere zijn, bijv. of iemand wel in der
b?j\ zoomede bij (un (2 <*&k dSY) (U) \ S. (K)ton(Si\ B. BL. ik ben er in mijn ziel van overtuigd, bv.
of, of wel. (Skr. aio, en ook; ata-wd, of; dat dit het paard is, dat mij werd ontstolen.
oeta-wa, of. Jav. tcdbk.) ts: :nt\ geen mistrouwen voeden;
(3 ^dk x (2 '^dk cisn zekere geele kleiaarde, ook voor iemand, een aangenomen kind, dezelfde liefde koesteren als ware hij (zij)
die tot verfstof wordt gebezigd. een eigen kind; voorts niet beschroomd
(3 ^tkasrj 2 jeu^? jeukte, jeuken, jeuk hebben; ook.zva. of huiverig zijn, om iets te vragen, zoo zegt men bijv. >cjtu'enz.
mvdsv. op veel plaatsen of (2^dk(kf!2\ SB. (Jav. (untq^nx rusten.)
overal jeuken. fg. een lange wat uitgeblazen; wat beko-
tong hebben; zijn mond niet kunnen hou- men van de vermoeijenis.
den. iQ/?/B? ff? niet met de han- (3. ^dk (kf! \\ Ktm x SB. slijpen, wet-




18



ten, aanzetten. nmasr^d^M^ajnanjf Rijp-
steen. Bg.

o >

zie m?w

§ SB. een klein kind ver-

zorgen en oppassen, en van een dier, zoo-
als een kip: jongen van een ander onder de
vleugels nemen en met zicli me laten
loopen. ajiaziaj^ vrouw of man, die met
de verzorging en oppassing van een klein
kind is belast, en die, als het kind groot
is, gewoonlijk als volgeling in dienst
blijft. Qmmjp is liet woord voor vrou-
welijke (slechts vrouw dijk el) van

het kind van een zeer aanzienlijke. Verg.

. o

tut (citbn iKnjfw

(3'Z&gSi (tQJJX SB. zout, ziltig, gezouten,
brak. gezouten of

zoute eendeijeren, een toespijs lij de rijst.

aarde eten; ook likken aan iets,

zooals aan de omwanding van een zoutpak-
huis, om de zicli daaraan bevindende zout-
deelen magtig te worden, van paarden, tuf-
fels, koe jen en herten; nog van paarden:
de lippen van elkander sperren en de
tanden laten zien, na een merrie te hebben
beroken of aan hun eigen pis te hebben geroken.

(3 \ SB. naam van de waktoe voor het

namiddaggcbed, ook voor dat gebed.

omstreeks vier uur na den
middag of wat later. (Ar.

(3 zie

(3 ~ZfrQkfl2\ zie wr\

(3 \ zie

SB. gaan waar geen weg is, zooals door
struiken, een aanplant, riet of een ongebaand
woud; (fig. gaan, zich begeven naar een
plaats, waar het niet passend is dat men
komt. K.) dan een persoon).

(3 ^\JM12 {0^2arr>^\ SB. on-

gevraagd of ongenood ergens komen, zich
zelf komen presenteren, bv. om in dienst
te komen; en van een vrouw, zich zelf ko-
men aanbieden tot echtgenoot.

(3 (Krjjjx SB. rijp; gaar; van leer:

bewerkt, bereid; van grond: zoo ver
bewerkt, dat tot het planten kan worden

e

overgegaan; voorts rijpelijk van overwegen,
nadenken, enz.; reeds of bereids van het
stampen van een zeker aantal bossen,


6

Cl

19

Kb

pare. - ^rriMwiip mvdsv. if i Mtwjpi
Mal. koken, [bezig zijn met iets te koken).
Verg. bij mMMMii' iets, zooals

een visch koken; en een dierenhuid berei-
den, als volgt: eerst (wordt het

vel geweekt), dan wordt het aan de lucht bloot-
gesteld, zoodat het droog wordt,

vervolgens zoordt het afgekrabt (cii&i^Kntp)
en eindelijk wordt het glanzig gemaakt met
behulp van een /.?/ een een

gladde steen, of derg. (fnSm^cKbp)
vruchten enz. doen rijpen, rijpen,

van de zon; voorts vruchten, die zoover

zijn, dat ze kunnen of behoor en gephdkt te
worden, na ze geplukt te hebben, een paar
dagen laten liggen, om ze door en door rijp
te doen worden; ook. een spijs, die om de een
of ander reden, nog slechts half gaar zijnde

van het vuur iverd genomen, weer opzetten,
om ze geheel gaar te doen worden; en

een paar bossen pare van den te stampen
voorraad, om te kunnen al dadelijk

stampen.

(3 2 \ SB. pootstok, een lange

stok, waaraan men een punt heeft gemaakt.
acnnQtcKH/^ rijst (op hoema) of katjang, ctja-

gong en derg. poten met behulp van den
pooUtok. Zie ook %(un(HTji'$.

6 wordt verklaard met ^aF^iasnjp

en (Kti

als een maat, van den top van den mid-
delsten vinger tot aan den elleboog.

Ba. Skr. hasta. nsncHiC^nj)\ zie onder
Cd

\ zva. waar dat laatste

B. is VOOr



(3 \ SB. grafstede,

en begraaf-

plaats, kerkhof. Verg.

x

L- dJl Vf m lbli) 0-nfl \ x en -----

(Skr. dstdna, verblijf, verblijfplaats, en
stdna, plaats, verblijf, woning; Pers.

Mal. astdna, vorstelijke woning. Jav.

Wdbk.

6 om \ 6_b.CK1 (ftI ? \ 6-45.'K 07 / L7 T7 (TUI ? \

V
r a X o , q

cm cm -n ru ? cmnC^ im cm -ji *77

^b (I tbr ^b 0

cm/fx vijf uitroepingen, brok-
stukken, verminkingen of vervormingen van een

Arabische formule, waarvan de vertaling is:

ik vraag God om vergiffenis! ln hetSoen-
dasch zijn het uitroepingen van verwondering
of bevreemding, ook van zekeren schrik, bv.
als men bemerkt dat men iets vergal, enz.:


20 -iA.K/ 7 Li V) £-Ifi il \

God zegen mij! of dergelijken uitroep. j rijk, als stammende uit een van oudsher
Ook wel zva. 6-£4.cw>sii:w\\ s s rijk geslacht; ook wel voor: rijk door zijn ou-
(3 faJl GUI OfG-z* (Si mj M (KI 7 ,i?i nrj 10 (Ki \ ders, dwz. rijk, doordien zijn ouders rijk waren.
Holt. Assistent-resident. (3 wi z- O v & (U^ \ SB. gezuiverde en zamenge- rolde kapas, gemeenlijk ter lengte van een zie bij (K) .n^wn (p (3 (U)jj\ kw. Mal. zva. asnoizaji/p
span (gemeten met duim en derden vinger}. (3 2 (UI ^3 (HIJi \ SB. van bamboe ge-
asiwoeng maken, door maakte, trechter vormige mand, waarin de
de kapas, nadat ze de bewerking, St^asrix rijst wordt gedaan, om in een opuicU te
genaamd, heeft ondergaan, mei behulp van een worden gekookt.
stokje tot de aangegeven lengte gelijk te (3 S. a^anasn/p B. G^ima^aji/p en
trekken en te rollen. Zie ook aui^.(ri(un,p mvdsv. inkomen, ingaan,
£t(rj(isu\ <& <3 wjp SB. oorsprong, afkomst, c-jun of (KT^cuta n dngi\ rnet zijn zeve-
origine; afkomstig, voortspruiten, voort- nen deelhebben, dwz. dat voor zeven perso-
spruitend uit; ten gevolge van; oorzaak, nen slechts een zoo'n offermaal behoeft te
aanleiding, eigenlijke reden; vroeger, vroe- worden gegeven; in dienst treden; passen
gere, van vroeger, gewezen, voormalig; van een ring (voor ingaan in den ring, van den
mits, zoo maar, mits dat. Ook zva. vinger} bij wijze van; zooveel als; het
(Ar. , mvd. is (was) zooveel als; te rekenen als; als;
6-iA(k.j(rian\ uithoofde van. cr £. wa^Snnsnjp B. behooren of
oorspronkelijk, aanvankelijk, van origine, in ressorteren onder; begrepen zijn of worden
der tijd, in zijn tijd, uit hoofde, naar dien, in; te rekenen zijn onder. azio yaji^iMjp S.
na de maal, om reden. ci&SiMiMp B. ergens binnengaan, ingaan,
de aanleiding en reden. zooals een dorp, een losch, een huis, enz.
stamt af van.... S5

d^l.ylJl (UIJ\

21



azia^&m/p S. azivphii iwm/p B. iemand ** (5 2 \\ (&a'itkri2(Kijp SB. iets aan iemand
ergens in brengen; iets naar binnen bren- toesteken of hem toehouden, opdat hij het
gen, ergens indoen, enz.; een ring steken aan zal aannemen of bekijken; iets in een
den vinger. (md^o^aji ^yin ~&asn w/p S. horizontale rigting uitsteken of houden
(Kria^irriB. bezeten dooreen o o o boozen geest. #. iwgpc>i naar iets toe. (3~£&&J)\ SB. bamboe, bamboeriet. Zie ook
B. liet gaat er niet in, bet gaat niet, het onder en bij vngrxx
kan niet {omdat de ruimte niet voldoende is]. (§ dj) ^ \\ - o 'fti \ (sMj^Qmt\ SB. kosten kleeren krijgen, bv. a.. 777 .1 (Hl
van een santri. Zie ook (3 OJ) <>\ zie *70^
'-ntq&Mjix maar zijn vader slechts njn tli (E^ n-njw Bg. K. dn ?1^ is. Men betitelt echter ook dikwijls zoo d^aj^inj^\ zie onder (S(n^(Kn^\\
een knaap, als men niet weet welken titel hem (3 (U) 2 d.am 02 anjp (id^Aivii wjp zoomede
toekomt, of zoel beleefdheidshalve of vriendelijk G-zwoi? (whtBj en d^(Ei2injHi^m((^(^
sprekend. Zie ook en cyMMjp £iazi\ zie bij
(3 ~JkG&) (EijjX (Jav. (un(Q^\ zuur, rinsch, (3 ^JhdJ) \\ - rt^.STx SB. een paard inhouden,
wrang; tamarinde). SB. tamarinde. - wat inhouden; water minder hard doen
(baMu^6-4n^\ tamarindeboom. 6_bcn^ stroomen, door ergens aram aan te brengen.
Rhijnwijn. Verg. d^ijmE^\> en Ookjig. bv. QiiSntantSid^Sid^^id^Sncqaan
(UTI <£ 2 (El Q ik kan mij niet weerhouden of be-
O , 'l § J&faJ) 2 zca' (3 ~£fr(W) (K) (K) \ naam van een dichtmaat O CJ en zangwijze. dwingen. _ z" / X (3 dJ^ \ en 0 \ zie x\ (3 ^kdJ) s- lichaam, lijf; lijf
> SB. kieuw, kieuwen. van een kleedingstuk; fig. het lichaam voor


G-U 8) ,Ul/f\ 2 2 6-5*-UZ \

ae mensen. nv. ccib wvnuuu vum bcua; ixug swciiaou.
tig of heilzaam voor den menscli. Ook 0511 pi^t^oei \ is taai, daar is het leven
iemands lichaam, genomen voor den persoon. in verroest, van iemand.
JBv. mi1,4,1 11 ibl1 77 6-s^n 2 (3 ^A\(Ui zie .tj/./j^w
cmfKitrumw En dikwijls zoor den G-uojioen/jx x- Q (3 ,~£ft\(U) (3\/i\ zte Ge^iiw
en ook gevoegd voor. een voornaam- (3 (Ui (Vj (Ui \ S, 7777^ > B. vrouw; van het
woord, een benaming van bloedverwantschap of vrouwelijk geslacht.
een titel; bv. 6-5* <'/707^70 p777.7/^ .70/\ meisje; vrouwelijke bediende. oeeruG-u.
O * .7) 70 1 U 0*7 Oen 07 .-£/ \ 1JI 7 b/ 0 7 .1777 O \ _bW7 IpJ) 0Z)0K\ 70 ljdJitrjoJix vrouwspersoon. 6-^07 70 1/7
ocim(3^nrf ^i a.'i/i\ enz. zeer S. opi(kjnu fucrunsn^ J3. mannen en
nederig voornaamwoord v. d. e. pers. Bv. vrouwen. 777070 2 6-5*7770 7? o zie bij opuioeiiw
. X" Qv . 6-5* .70 7.77 OO .70 rt? 7 bJ 707 7S7jj 7^/ 70 KO\ 7? 707 70 7? .707 70^ rr ci ci a Verg. £-erpicixoei neu en 77// oen w
nu oei/f G-U. oc^ fon mi ou 0:11 o^iji nnie^io-n (3 ^dk(Ui (KiJijj\ SB. eerste; begin; de tegen-
as asii/jw Verg. 8i\G-u..8n \ en oen irj >ru w 6-5* woordige tijd; nu. (Ar.-^) S.*
o oen ~-ii "ii azi oei/pS. 6 -5/:vt oen [E^ocn 70 \ P. oei ru "n ttup^a8ioenG^o(8n\ -van het begin tot het
o^GeeoQoo^ B. en BL. ook: mij zelf, u zelf, einde. Ge&aziou^g^a8n\ nu of later, te
enz. ik zelf, gij zelf, enz. zelf. eeniger tijd, eenmaal. oSiG^ozir^\ van het
o (3 ^K(U1 (ISflJJX z'm '8iasn,^ (3 (U^ l/ Cen veelheid van zaken her- en derwaarts smijten, door begin af aan. (3 (Ui (UU 2 zie (8i 0,10 2 oegj w (3 ~z&(Ui \ kw. G^.(iG^a.ozi\ SB. de wolken-
elkaar halen, onderst boven smijten. hemel.
6^i(u^05iip6^i.aj^^n^op\ hier en daar rondge- (3 ^KWi \\ ozuu\ SB. halen, gaan halen,
smeten, door elkaar gesmeten. Verg. bij nemen, zamelen; water halen uit een put,
GeeOfoSj^oenji^ en zie ook ^"noenmoen^w rivier, enz.; brandhout zoeken, verzamelen;
(3 (Ui cunjj ^uurzaam7 sterk; zich lang goedhouden. Rg. K. Voorts van uitgeleende goederen weer terugnemen; voorts iemand [geen aanzienlijke of meerdere)


Z- <-

23





halen, doen komen; verg. .1.7? 75^77-
voorts: aarden naar, gelijken op iemand; bv.
zijn vader, hetzij in voorkomen, hetzij in wijze
van zijn. (i azi rui n Q wp ten behoeve van
iemand iets halen, zoeken, enz. (ui-iinui\

mvdsv. van vnnuiw rnn\ vissehen.

7,rb?z£^^\ op vogels jagt maken.
kiwi rui om
(ciaruiluizen zoeken, luizen. -
6^i.(8i\ bamboe halen, gaan halen uit het
bosch. a^rbi(im(iji\ katjang plukken.

(? ^,(rSi \ S. (iiaSumjp B. enB. (Mal. tjintjiri),
tqmjifrjtruinq tui <*24^ B. en BL. ring, vinger-
ring. G^rSiazniwm/p diamanten ring,
ring met diamanten.(vuj i&i (&n Mf2P gouden ring met een, twee of drie
edelgesteenten.

(3 SB. neef, nicht, (kind van een

ouder broeder of zuster.) Verg.

(3 (TL/) \\ 6_53.ru azn asn on fp ofG-nrui $ <&> w pjp\

SB. in hooger of grooter mate als; en'in
dien zin ookT&zvc als; te bovengaan in iets.

(3 ^(TUi ^\\ kioui ? w zie (Sionp
(3 (M arm (&)jj \ en 6-vi.rui c-vur^

n _iA?u (Ui/i \ zie bij kj acnp \

O

(3 (rtB (nji 9\Ar.^

CJb >

uitroep: lof zij God! God zij geprezen!
oflo6_u rui vu&>*Simi % \ zeggen *. God zij ge-
prezen. Na te hebben geniesd, spreekt
men de formule ook veelal uit, hardop of
bij zich zelf.

(3 ^cru^(K)Ji\ I. SB. golf, baar.
x tot spel der golven strek-

ken. koi-x^(kiji\ nu eens zwemmende^ dan
weer wadende, den stroom volgen. II.

/ST.Jiet vierkante, veelal
met wegen doorsneden^ voor het overige
met- gras begroeide plein voor de wo-
ningen van regenten en districtshoofden.

(? \ volg. Bg. maar in de Preanger:

Gvuru^nan/p SB. pad, spoor, gemaakt door
buffels en rliinocerossen, die er langs gingen.

- O

(? zte ^1LI
(3 2 SB. roepen,

luid roepen, schreeuwen.

rui 2 oenjp hetz.

(Z> Q

(3 asn (Ui f)\ SB. tapijt, karpet. Verg.


Cl

(ui nom/p en w

(3 2 azi&tvnjp SB- achter el-

kaar gaan; achter elkaar.

zoomede de twee pantoen uitdrukkingen;


6-^1 ru pnp 24

hetz. o^2<^aaJ2//x wn zker van de ziekte niet te noemen, voor pokken, de
aantal personen achter elkander, ofwel twee pokken hebben.Verg. v>?M\en mopp\
aan twee achter elkaar doen loopen. ^?^? ?^ schoonheid, fraaiheid, sier-
ri^2 van een groot aantal per- lijkheid. tui <3^1. 0^6^10^ iets doen om
sonen : een lange stoet vormen, een lange de (het) schoonste of mooiste; ook: wedijve-
stoet vormend optrekken, zich voort be- ren in schoonheid. rt>6^?.?^\ de aller-
wegen, opmarcheren. (o^b^^omoap schoonste, enz. een plok menschen, die k zva mvdsv.
A 7 x, . . O osnpu op i) as 2 rrn ? \\ A.) 0^.2 (^pp ru\ gew. en ook geschreven: 6^ ruu> osn6^L
zva. auosn/p ook, gevolgd door of (&a^naj)\ (van een veelheid) dikwijls te ver- (3 2 0T 2 (UY) 2 \zie a^irui2iun'2tirn^\
talen met: zcodat het een heele optogt (3 A&iU! a^J^\ (Jav- wiruajp kw. nemen.)
was; in optogt. Enz. Verg. i2<&n2OMp 6^aouio^^Aorioip de Bengaalsche valk.
(3 ^av' klein. <3^rSto^i(hip zie 1^.2 osn unji <3^05)) \ onder 6-si.os)i\\ Bg. azt.ru Mp SB. iemands naarn aan- nemen. ozi.ru Moj).Krj\ iets doen om ie-
(3 (TL3 OJJJl \ Jav. woud, bosch, elke met hout-, struik- of rietgewas wild begroeide plaats, tnands welgevallen te verdienen. ra.w? Mwnp een zegen trachten deelachtig te
wildernis.) ongebr. Verg. ^?w worden, bv. door hem, die ter bedevaart gaat,
0 7.. o 0-1 2 0-flJkl p Zie bV) Aj) 2 (HTOJip\ fC7?L7 OJI-^Mp een eind wegs te begeleiden, of den terugge-
zva. 0^2, keerden bedevaartganger een eerbiedigen groet
(3 \ SB. alles wat gebruikt wordt bij wijze van dekkleed, onder een zadel; te gaan brengen. ozuu a&frwr) nop door iets te doen een loon of belooning trachten
dekkleed. te krijgen. 0/; bij om ajyp
SB. schoon, fraai, sierlijk, net, mooi, goed, fijn; ook, om den naarn oen(3^

(u/j\ 25

7 7 o- CiCyq OOK: onwijs; bv. (KicLrncHicKJiciMicitc&i? (cqasn^\ hal agama. (Ar: geleerd, geleerde. Jav.
P) etui q .kw cvi oa nj kw 6-A.rui Q (? ^ia a^Jf naam van eers^e wdbk.) 11 zie &£lnp\ en gccppw (3 verwelkt, verflensd; ver-
letter van het Arabische alphabet. 6^rSi Mp welken ; de bladen laten hangen; van
6^.ri nji-^icHTp het Arabische alphabet, het gelaat of uiterlijk: bedrukt. Verg.
als het eerste wat iemand die Arabisch ajt ~h\ en mn tuu^ \\
wil leer en of leer en lezen, zich dient eigen SB. kast. (Port. almario of ar- o
te maken; fig. de allereerste beginselen maria. Jan. wdbk.) of
van een taal; ook: beginnen zich toe te ^rui m (ko (Kt \ kast met glazen deuren, zooals
leggen op een taal, door het alphabet te men veelal vindt in de waroengs, en waarin voor-
gaan leeren. al manufacturen en derg. worden uitgestald.
<3(EAjp SB. de wereld; tijd. (3 (Efl asr)Ji\ SB. kenteeken, aandui-
(Ar: 6miffffp de wereld; deze ding, aanwijzing, voorteeken; adres van
wereld. on\ in dezen tijd. een brief; beteekenis van een droom.
6-&i Sran de oude tijd; in ouden tijd; oud- iets beteekenen; iets aanduiden of voor-
tijds. G^ffcrui (^npc~.cCvf, hetz. arnrui spellen van een voorspellenden vogel of droom,
ergens met der woon gevestigd zijn; iets ook van een aardbeving of ander natuur-
beleven of zien gebeuren; er zijn; gebo- verschijnsel .
ren zijn. (3 \ zie vnns\ en zie ook aldaar cunlwcKn ash
(3 roemen, prij- zen^ loven om te vleijen. wn^At'u oji w/p\ (3 (3 (CU X met kg
lof, lofspraak om te vleijen; het roemen; en lang uithalen van iemands
het zijn zin geven aan een kind. (? ~&k(rui \ kw. SB. schutsel, schut-
bedorven, verwend. Verg. (Mtruzx entmmntw ting; beschutting; alles wat, bij wijze
(3 (EnjjX / SB. geleerd en bep. in de van (u

63urui\

26

6-31 (Ui (Hip

vee uit een aanplant te houden; enz. sirih kalk, die behalve bij de betel ook tot wit-
(ui6-3) fnj)63iTU\ lietz. (un w t hit 6-3i.ru inn 6-31. (t- ten en stucadoren wordt gebezigd. w (ui^^uu^ \
v 7.. ruazKHip zie big (un,ru\\ naam van een plant, Qalotropis gigantea.
(3 \\ aap SB. de par bossen werpen in de schuur; ook, maar dan met (3 (Ki fj \ SB. immers. ik &hi(HTJl\ als de Pass. vorm,, met de moentjang (3 (Cf^ een het Bantamsche. K.
noot gooijen of werpen, bij het bantjoel. Op Soemedang betitelt men met 6.301^ onp het
mi tui iemand iets toegooijen, niet om jong meisje, waarvan de moeder -npinonp
hem daarmee te raken. ru^aQio-ngp iets maar de vader slechts (uu^njp is. Verg. tup\
iemand toegooijen, als vuren; met iets (3 6^.(0.^ (Hpji 6-3).Cu^ tnp o np
. , .. . Q X gOOljen, iets gOOljen. (Uirr^tirnicHTj^turp ergens de rondte doen of rondloopen, om
de centen opgooijen, bij het spelen; iets te krijgen 0f mag tig te worden; bv. in het
iets omhoog of in de hoogte gooijen. bosch, zoekende naar de een of ander plant.
V (Ki \ zva. ^(ijuun ru^\\ O O <3 (3^2 630.^ (L^63A.(ugj63A(ut 20^6^2 (uip\ (3 ~z&(8l\ SB. 6^£i6^<8i\ 1. veinzen, huichelen, (3 z^e {Wf^np, (3 ^(^8^(KTi \ Afrika. (3 (^8^ X April. (3 (8i keurig, zorgvuldig, net,
voorgeven, voorwenden; den schijn aan- keurig net.
nemen van iets, ook van iets anders te doen (3 2 een schaamlap. K. ook
dan men inderdaad doet, of'iets niet te doen benaming van een kleedingstuk, dat be-
dat men kwansuis. 6.^0 zich hoort tot den tooi der dansmeiden.
houden, zich gedragen o/doen als of men (3 (Ui van een kind; dol zijn
hem niet ziet of niet in het oog houdt; op iemand; niet aftekrijgen of niet afteslaan
doen als of iemand, bv. een gast, er niet is. zijn van iemand.
11 naam van een boom. Aegiceras majus Bg. (3 (^JjX zwak, magteloos, teer;
<3 \ SB. kalk, en wel de zoogenoemde van wapens: stomp, bot, na scherp te zijn






27

, O

-^&X

geweest; van menseken: afgetakeld zijn,

O

wat depositie betreft. Situio^\ op
zijn allerminst. niSiariiiG^^aji/t\(u^tnji^£i

o

. spreekw. laten ze min zijn (mijnkleeren)

als ik maar wat aan heb; ook: laat ik
maar mager zijn, als ik maar in t leven blijf.

kw. o. a. zva. mh-iuw

BB- staartriem.

naam van een bamboesoort, (Rg.) die men ook

(3
van buiten kennen; voor^.- S. tc)Si(ui\ B. (van

een aanzienlijke) kennen, weten; bekend met.
iets, zoo alsbv. een weg. Het woord is oor-
spronkelijk Arabisch. xn (uuiQtM/p zich
iets in het geheugen prenten; iets van buiten
leeren. ^on^^x een goed of sterk

geheugen hebben.

Q *

6 om ? \ zie g^oripx

O

(LSI x een soort {jebadt f koek,

waarvan rijstmeel het hoofdbestanddeel is>.

(3 z^9k£5\\ roSx SB. nw&t iemand of, van twee

personen, regts enlinksww iemand zitten, gaan

of rijden; ook iemand omstuwen, omgeven.

v <0

(3 o/L^x en azia^.ini2njf\ zie bij

leeuwerik. Rg.)

(3 \ I. S. en P. (in de spreektaal ook

snxpx) zoomede 6^&\ maar dit is slechts
bij de hoogere standen in gebruik, (volgens
Req. Tj. is het ook P.) B. jongere broeder
of zuster. Van zijn sprekende tot een

meerdere wordt ^x voor gevoegd. Rn wil men

een jongere vriendelijk of beleefd aanspreken,
dan bezigt men x\ tSi i t> 2 x j ongere
broeder of zuster, van man of vrome (echtge-
nooten). Verg. tun m\ en mi m npji <0 S \ ( tot jongere broeder of zuster hebben; maar
z KiaS)\ slechts gebruikelijk als men de
kinderen uit een huisgezin geregeld, zooals
zij op elkaar volgen, opnoemt. nsn tur^a^
het vorige jaar.

Verg. bij -sbuS jojx de oudere

broeder (zuster) en wel onmiddelijk boven
hem (haar), zijn van. Welk adi is dit?
11. Skr. ddi, uitmuntend, de of het
eerste, en adi opper- in zamenstellin-
gen. Jav. wdbk. In het Soendasch behalve
in eigennamen, ook nog in tui tn x

(Skr. adipati) een titel die door de
Regering, bij wijze van belooning wordt
verleend aan een regent, als een hoogeren
titel dan ^lar^w ln het daglijksch leven




28

bezigt men voor^^(Si(maSi\ dikwijls (Staji(n\

, .. O O O O 77-

^'n
(utn^xn'ti

<3 ^fk(bJ^\ SB. de portuur van

/. SB. ( mvdsv.)

vechten, uit eigen beweging of omdat ze
S. aziSi M/f\B.(xn"nng\
en aztm£n mvdsv.) spelen (een of ander
kansspel.) mnoA^^i'-hta^ kom aan, laten
wij gaan spelen. (aagcLn w m/p daarn. in
gebr. m < 2 \ lianen laten vechten. Pass.

(Si <&n 2 (tnjl w <0 rw rui hm (Ci tHi/f \ vliegers

laten kampen, t. w. door ze op te laten en
dan de touwen tegen elkaar te doen schuren;
hij wiens vliegertouw het eerst breekt, is de
verliezer. (a(vj^ laten rennen; een wedloop van paarden
houden. met zijn

bevalligheid of welgemaaktheid in het
strijdperk treden tegen die van een ander.
ajiagrKn cm cm %(un aryp enz. 0^0 $. os?

aSiiKjMTjp B. van twee personen: iemand

l

uitnoodigen om te spelen (een of ander
kansspel); naderen van het eene vliegertouw
tot het ander; aanvallen derwijs of tarten-
der'wijs naderen van den eenen vechthaan

tot den ander. (ciagftrnwjp S. (&t$i wtorpp
B. iemand of een dier doen strijden of
kampen met een ander; vliegers laten kam-
pen; iets zooals een hoedanigheid of vermo-
gen onderwerpen aan een vergelijkend

onderzoek, ten einde uittemaken welke van
de betrokken partijen die hoedanigheid of dat

vermogen het meest bezit; iets meten (fig!)
met iets anders; menschen tegen elkander

opstoken. .Jjangp voor: elk-
ander zoenen. s? 2
de vuisten vechten. m

(ui£lnga2Jp B. krakeel, geschil; twist of
geschil hebben. twist, procedure, enz. twisten, procederen,
enz.<&i g <^n 2 wj)' S. w? cht/j \ B. o ver iets
een proces voeren; om iets twisten, enz.
(uiojiajHwpeQn proces beginnen; iets in proces
gooijen. Pass. <£i (ui m tui agw rt57s7 S. (ui(&(w renbaan. S. <&ia£ln£j.Mjp B. te-

genspreken, opstrijden, tegenstribbelen (met
woorden.) (&i^(ig Gjiagd^wijp (door meer als een persoon)

2e iets, waarover twist, geschil of derg. kan
of moet komen, opwerpen, in de wereld


6.^A(u>

29

6^a^(Mi m/I v

Schoppen. iLUM;p SB. tellen van een paard.
B. iets om over te twisten of geschil over hetz. maar minder gelr. G^a^ci
te hebben; twistappel. - . ^vi(ut?t^\ Spreekw. pronken met
de stijlen van een huis, twee aan twee, een andermans goed.
met de twee verbindingsbalken of dwars- een paard doen tellen, in de tel doen gaan.
leggers (een van loven en een van onderen] Verg. (Ciumzruizx en (Ui in elkaar zetten, ten einde lij het opzetten (3 I. ZVa. -n zoi
van het huis, zoon vak in eens te kunnen dj) opzetten. En zoo zegt men bv (ui ? o cn tui 2 van een vrouw heeft aangenomen, en
(ciaymayw 2e stoken, kwaadstoken. als eigenlijk een tijger te zijn, slechts
Spreekw. kwaad sto- kenbaar is aan het ontbreken van de gleuf
ken, onrust stoken, voorat door oorllazing en onder den neus. Vooral in de maand Moeloed
achterklap. Bv. (Si (rui azfi &i n vertoonen dergelijke tijgers zich in de dorpen
Siaj^ancn c-a\ cn (ui z (ui apip\ S. (ui(uitvu^ en komen- zelfs in de woningen. Verg.
(ki^oju^(k^\ B. (St) zich bevinden tegenover ZE? !Kn (tfl/jX volg. K. (zi)a. (Ml
iemand, staan vlak, regt tegenover iemand, G-cwpMi Mjp) lij Verg. ook (t-umi^i^
ook tegen elkaar over. het meel lv. voor gebak, kneden. Verg. (3 2 o.iJaan^x zie lij
(Cicu^cnjpb (Cl (Ml 2 IKJMl/p zie lij 6~bO^X\
(3 zva. Gchi-ji^w 0 (3 (Ki n\ SB. staan-, liggen of zitten
§ 2 \ en gew. SB. ei! Q.>1 tegen iemand aan, van iemand; staan of
och wat! leggen tegen iets aan, van iets. ccitSnziuijp
f3 ook wel SB. och! och! he- laas! en als uitroep, af geperst door pijn: iets plaatsen, zetten, enz. tegen iets aan, bijv. een tafel tegen den muur aan.
ai! auw! (3 SB. metselspecie (kalk, zand
(3 (YJ! on ong. en water) o^m?^x metselspecie maken;


30





een veelheid van ingredinten mengen, onder- reiniging 0f verkoeling; baden, zich baden.)
eenmengen, zamenkneden; iets mengen Q (3 AT^CIAI Mjp I. SB. regtvaardig, gereg-
met iets anders. Verg. tigheid, regt. (Ar. ^^L)
aan het slot, enverg. ook t MJI* regtspraak, beregting, uitwijzing in
(3 gewoonte, gebruik; regten. *.77 6-^3 geregte
iemands doorgaande wijze van zijn of van of verdiende straf.
handelen;in zwang. (Ar. n kuren hebben, lastig zijn, kunsten en ku- regter, regterlijk ambtenaar. II. SB. ge-
ren verkoopen, van een paard. asn/i\ duldig, langmoedig, toegevend voor een
(Pass. d?nui6^dci een zekere wijze van andermans fouten en verkeerdheden. (Wordt
handelen gemeenlijk volgen. wioji\ zoo als dat gebruikelijk is; overeen- verkl. met m a~n'w) <5 AJk&Jl 2 zeer plat voor
komstig hetgeen gebruikelijk of de ge- (rjazjtrj nj) w -t-7.as 6-59.ta arLT^x en mn
woonte is. <3-&.10 mn mn wjj\ zie bij w iiP zie bij 0-^9.(1577 ^\\
§ (de grondv. is a^M/j\\} SB. zich reinigen na den bijslaap. Verg. axmaznasnj^ <3 (UW (Kyj\ zie (3 (ETjjX eigenn. Adam.
En voorts: a. zich baden op (3 ar^(^(LJ^Qr^Jf\ SB razen en
den veertigsten dag na de bevalling (Ar. tieren; razend boos zijn.
Jav. bloedvloeiing na de be- (? ^Ah(UB ooSott^x aziaZi 6n azi
valling ','Tav. wdbkj b. no zich djntMJl''' zie (Kiasr^w baden, dadelijk na de bevalling. c. een huis, schuur of derg. in elkaar zetten.
zich baden na de maand- _^.(?o^7an^x benaming voor ieder gebouw op
stonden te hebben gehad. (^(uniruiji\ een erf, als men spreekt van de gebouwen,
Ar. haizl, de maandstonden.) groot en klein, die zich op een erf bevinden.
Voor a, b en c zegt men ook nniuM^w njiazi£acmfl\ stel of pak kleeren, t. w. voor
(Jwv.MasjMJV zich het lijf wasschen tot mannen: een ojt^\ een en een asm asm


31

m waarbij nog kunnen komen: een ojkuk^ koran, dat de priester behoort te kennen en
een w trut on \ een an^ash\ en een ojioj^ den priesterleerling wordt onderwezen, (mm
a5nazi(bnjj\ Voor vrouwen: een een r&\ en mvdsv. (van meer als een
amaf^\ en een (Mrjm titw pers.) Verg. (&wji\ en
(3 (3-^a.d^wor- stelen, zich wringen, zich in allerlei bog- 11. (3^a&\ SB. achting en eerbied; de- ferentie, die men iemand betoont of voor hem
ten wringen, om uit iemands handen te ont- heeft. oji9zi&\ S. (lq(cnaj)o^\ B. gelds-
komen of om los te komen. waarde van een voorwerp, zooals pan iets,
(3 d^jj\ SB. beschaafdheid; beleefde manieren; beleefd zijn, wellevend zijn. (Ar. dat werd gestolen of dat men verloor. Bv. (cn mik^ $)6-za(k^na tuiruicui mrprr\\ Verg.
Min\ tegenover iemand de ca <-> ijnmw m (j ik rn/f \ imand achten, eer en of
vormen in acht nemen; iemand wellevend waarderen; aan iets waarde hechten. (Jav.
behandelen. of (uo(&\ waarde of prijs van iets; van waarde,
^n(3^z^arn/j\ onbeschofte vent! jij, onbe- kostbaar; waard zijn.
schofte vent! o o (3^s(l^\ . S. (wiLpaji/jx B. zich oe- (3 ong. (ui(usj\ SB. ( fenen in iets, zooals in een elmoe; ook door komen, vorderen, ook van iets, zooals bv. van
lezen, bv. in den koran; voorts een boek over de den handel, dien men drijft. mnfynztHT/p
godsdienst en godsdienstige onderzoerpen, ook troepen doen avanceeren; iets vooruitschui-
een heldendicht, zooals bv. de Barna of een J ven, in het alg. iets, ook een schip, doen
werk, zooals het (uiajK^m^cFJKc^ap^x lezen. vooruit gaan of vooruit brengen; menschen
7k zich spreuken of in den zenden naar het slagveld, om te vechten;
vorm van spreuken uitgedrukte nuttige een mededienstpligtige tijdelijk voor zich
lessen, door ze te lezen in het geheugen doen uitkomen; met verlof van hoogerhand,
prenten, zoodat men ze kan aanhalen. 6^AamiEJi\ dat lezen van gebeden of uit den blijft, voor goed in zijn plaats stellen;




32

r x

een feest (wmwfaMp} vervroegen, doen
plaats hebben, vroeger dan eerst het plan
was. *3 mi (tfjfr!z onPass.

<3 ^0^^ \ zva.

SB. uitroep: hoe!

wat! wat moet dat nu beteekenen! ook

zva. 6-iA(un6^mi\ en

Q azn (1211^ \ verwonderlijk, ver-

wonderingswaard; van de werken Gods,
van Gods wegen, enz.: onbegrijpelijk of
ondoorgrondelijk voor den mensch. Ar.
^A.r^gyC. dit het meerv. van

(3^0^\ SB. leeren, onderwijs

krijgen, dat genieten. uuik\ een dier,
zooals een paard, dresseren. w/p

de proef nemen van iets, iets proberen,
ook iets, zooals een ring, om te zien of die
vast. (3^t^-r\(K}p\ ongedresseerd, onge-
oefend, ook: nog niet goed gedresseerd van een
paard, een buffel, en een rund. Verg. (untS^
(Jav. (una&maajp geoefend, gedresseerd.)

- \ niet genoeg of niets geleerd heb-
ben; ook en dan veelal zeer belee-

digend scheldwoord voor denSoendanees, ongeveer
ons vlegel! lompert! ongemanierde kerel!

(3^fk^\ SB. stok, korte staak; stokken,

zooals men bij het koffjplanten bezigt, om,

in den grond gestoken, de plaatsen aan te dui-
den, waar de plantkuilen moeten zvorden ge-
maakt. azi££\ adjirs plaatsen. Verg.

o o

oji m \ en asr^ tuy (M/f \

X X

(3 zie ^>>

(3 aspj! \\ zva.

(sMVjp zie

<3 SB. levenseinde, stervens-
stond, uiteinde. (Ar. adjal.}

iaBi(Kn(3^A(^(ruip\ of fn tuinn (kv (K)^
aan zijn levenseind gekomen, overleden,
dood. fniuitKn (r^(ui(^asn^x komen
te sterven, overlijden.

(3 ar^J! SB. met behulp

van een langen stok of bamboe iets dat
hoog hangt, of

door den stok of bamboe er van onder
tegen aan te brengen, afwippen. Verg.

(cia^^(ruispreekw.
voor: iets wat niet mogelijk is, willen of
najagen.

(3 2 SB. (3^(l^2r^6^!t^2(n^(K)JI\

onophoudelijk hun best doen om door
springen vrij te komen, van vogels in hun


6^ (IK (KJ)

33

6~A(lm\

kooi, van herten in hun hokken en van paarden die
los willen; bij herhaling tegen de tralies op
vliegen om er uit te komen, van een woedenden
gevangene, ook van een krankzinnige, die in een
pandjara is opgesloten; door onophoudelijk
sprongen te nemen trachten zich los te
rukken, 'van iemand die vast wordt gehouden.

(5 (K)Ji \ Europ. adjudant.

(3 een soort wilde hond. Canis

rukilans. Bg.

(3 crr^ de standaard, waarop

de palita staat.

zie
(3 x^X^W azi cik azi ok \ zie bij (Lnjjw (Lm

(7) .
(IK (i

zaziagjp zie bij (EK^em^w

(3 \ SB. I. zijn, aanwezig zijn, zich

ergens bevinden, ergens zijn; voorhanden ;
er was eens, er waren eens, aan den aan-
hef van een vertelling of verhaal. (uiajjcKi
de lengte haal-

de wel dertig asta. om (nn 2 Mijp er iets
doen zijn; maken of zorgen dat iets er
is; iets produceren; zich iemand of iets
scheppen. ajiG^auciG^dMx zooveel er is;
wat er is; wat er maar is. oji6^
zoo velen er zijn; al wat er is; al wat ik

heb. koop-

mansgoederen waarmee winst zal (zou)

zijn te maken.

11. zva. 6^^en

opdat.

§ ^(Ul^ \ (Jav.

z- Q O

C? (UVi \ zie

uijx schoon, mooi, lief,

van een vrouw.) zie bij


(3 <>\ Mal. vader; betiteling in het

Tjiandjoersche van een man van gevorderden
leeftijd uit de volksklasse.

(3 2 \ I. SB. neerslaan, neergeslagen,

van pare, door wind, regen of eigen zwaarte.

11. Getuitz% G^A^vi2^(un(Ki^\ SB. van het

(K^-nim/p van velen: aanhoudend en met
nagenoeg gelijktijdig uitzetten en laten

dalen van de stem.

(3 zie rmtuu^w

<3 ~&k(ULQ (KTJ! \ azianj^(Kij^\ zie

(3 ^k(UVt 2 (KIJ! W (ci(Lun2wyp SB. gewigten,

inhoudsmaten of 1 in het algemeen wadahs
vergelijken met der gelijke gewigten, inhouds-
maten of wadahs; de gewigten of maten bij

een pakhuis in gebruik, verifiren, door ver-
gelijking met de zoogenaamde slapers.

(3 2 (Hl \ SB. nu, tegenwoordig, op


^uuijui iwpw

34



dit oogenblik. oji(L&u£ji2(hi\ nuo/alsnu, z- v (3 ~AK(ULf)\ SB. ajt(3^xM(3^!vin\ een ry vor-
met nadruk gezegd. ter- men, van aan elkaar gebonden personen ; een
stond, nu terstond, op staanden voet. lange strook vormen van dingen, zooals bv.
nu tegenwoordig, dezer karmbongs, die aan elkaar werden geknoopt.
dagen.
(3 (HTIJjW SB. zeven, zif- oyp z aan elkaar gebonden dat een rij
ten. ^AOAJittrn (Kin\ zeef, wan. of lange strook wordt gevormd.
m(SiaiKTiGfTx spreekw. o. a. voor: met een (3 (3 cf^ \ SB. staan of loopen
klein kapitaal kan men ook slechts een naast elkander, met den arm om eikaars
betrekkelijk kleine winst maken. hals geslagen, van twee of meer persoonen.
(3 vers van ^en koran (3 redewoordje voor op eten en
ook van een boek over de godsdienst of ophappen, dikwijls onvertaalbaar, soms terug
on&t godsdienstige onderwerpen hande- te geven met hap. Be.
lend. .Ar. onder liet zingende lezen 0f opzeggen, af- (Siturkooi £12(ht^\ hap, zei ik en hapte
scheiden en na ieder ajat even ophouden. (3 x ktngzaam, bedaard, kalm, het op. (3 CEJ1 \ zie ccn ut'*
zonder zich op te winden of driftig te (3 CEJ1 z^e
maken, van spreken; niet scherp van tabak. (3 gej^ zda
Verg. igi upp \\ (3 GEfl (3 \\ SB. op een huis of derg. dakbedekking inschuiven of (3 ^AkGEfl Holl. admiraal. O/ 0 (? (UUl 2 OQ9 \ zie (u^njui2cmw
aanbrengen, daar waar verwisseling of re- (3 (ui(u^(K7ijf\ SB. verwoed
paratie noodig is; de bedekking van een aanvallen of vechten; strijden als een
kuis of derg., ook de matten zitting van een razende; als razend of in dolle woede om
stoel repareren; inboeten. zich heen moorden; een slagting aanrig-


_b9./E/Isn^\

35



ten ergens; de bevolking van een plaats uit- naam van een lekkernij.
moorden ; ook hevig schreeuwen en dwin- zva. (&iMHLdi\ van het ga-
gen, om den zin te krijgen, van een kind. ren, dat, na met te zijn behandeld,
iemands verwoed aanvallen of niet wil rood worden; t. w. het ondergaat
vechten, enz. voorvechter, een bewerking met moentjang, wordt
groot held. go 00^6-50 razen en vervolgens eenigen tijd aan de lucht bloot-
tieren. gesteld en dan nogmaals behandeld met
(? z^ft (El fat Buitenzorg sche en Ban- cy^ tamsche zva. (kkuiiw Rg.K. [Mal. zeer, tjangkoedoe. Rg. K.) (5 (El x SB. werk (Ar. voor-
bovenmate. P.) al, en dan met er nevens
§ (El asr^ SB verlof of permissie vra- in gebruik, liefdewerk, liefdedienst, goed
gen om heen te gaan, terug te keer en of achter werk; oor& bij wijze van goed
te blijven. wPnnmMJp hetz. en ook af- werk of liefdedienst iets geven, uitleenen,
scheid nemen van iemand. enz.; ook het werk verrigten voor. iemand,
oorlof vragen om terug te keer en. o o en in het algem. iets verrigten. Tot amal
Am/i' voor iemand permissie vragen, brengt men o. a. het planten van boomen
bv. om den vrager ergens heen te mogen langs een weg, opdat de voorbijgangers zich
volgen; iemand ergens in dienst, voor korter zullen kunnen laven aan de vruchten of genot
of langer tijd, te leen vragen, aan zijn hebben van de schaduw; het uitleenen van
meester. ac}Pn£n2a roeping, die de toekang pantoen doet vooraf- 'fjjf'TJP iets verrigten, geven, uitleenen,
gaan aan zijn voordragt, bij mjp II.) enz. bij wijze van goed werk of liefde-
smeek ik dat mijn stem mij niet zal dienst. m een lmoe of
verlaten, maar mij getrouw blijven tot lmoes onderwijzen; hierbij wordt betaling
aan het einde van mijn voordragt. nooit vooruit bedongen.
6 ,.&ME1 SB. zoet van smaak. M-ijp en.




36



5 ^/K Wjj x dorpspriester. Verg. § (ESI \ SB. laag van par in de rijst-
O^ffftCrtW (3 ,£fk(EJI $> \\ 73^/Lzn^\ S. -3M/p schuur. (ci(^ifi\ uitgespreid liggen. ah (3^a(ui3<3^a(^i3\ belegd; belegd met
B. iets bergen, bewaren, wegsluiten, weg- matten, grenst aan; ook
leggen, sparen; iets, bv. een djimat, ook ligt digt bij die van, enz., van iemands sa-
medicijnen, er op nahouden of wel die wah. azi (&i 3^-ri o-njp een kamer of derg.
in huis hebben, zoodat men ze in beleggen bv. met matten; id een stoel, de
voorraad lieeft. o A mp\ iets ber- plaats waar men zit, enz. bv. met de huid
gen; ook vee, dat over dag losloopt, bv van een dier, een matje of derg.
pluimvee, s avonds opsluiten in de hokken. Pjr'nwijp ook van iemands zitten, met iets,
(i(d(EJi 2(^/1 \ voor of ten behoeve van zooals een matje of de huid van een dier
iemand iets bergen, opbergen, wegsluiten. onder zich; op. iets zooals
Bv. k(uw a (eh-5iq(Hn2(Hitrui een mat uitspreiden; ook vruchten, aardap-
(£n(ei(m^(lwM2mjp voor of ten behoeve pelen, enz. zoodat zc niet aan een hoop liggen.
van iemand iets bewaren. Bv. a^yi\ (i^m 2JP zie (KTK^TdppW
o o . o O o ocj oji ast)oj) asn (ui cun mi2 wie iKiraj)?l? ten \\ v asfj (j 5 (Hl, co t) s (3 \ SB. zich ont-
oji (M -2i zie ccn^-najJix ook wordt zoo ge- nuchteren. Verg.
noemd de vrouw, die als kindermeid dienst Cl/'' ry (3 s/dkCEfl \ SB. of S. en dan doet bij de kinderen van een regent en of wel als mooijer woord, bijna. (Mal.
gekozen is uit de bloedverwanten van de hampir, genaderd; nabij; bijna. P.) Pav.
regentsvrouw. Verg. Qii&Mjp ^ (3 $>\ I. zva Reg.Tj. 11. SB. boosaardig, kwaadaardig, maar slechts zweem. (3 Z^e
in geschriften in dezen zin gebruikelijk. (5 (EJ (r^J! X geen ^ezwaar er *n z^en
(Buiten de Preanger ook zva. en 0 S? p\ om op eigen eigen gezag gebruik te maken
£.) Pav. (uni&i^w van een ander mans geld of goed.


6^(Zii Si cmjp

37



§ ^fkCEJ) ^J] cr^J!x B z H- SB. zwaar

van kleine voorwerpen, die men op het oog

niet voor zwaar zou houden, bv. van een zil-
veren penhouder, een gouden ring of ringetje
en derg. Verg. (cng^asn^w

(3 CE/) 3j) ' SB. de van bilik vervaar-

digde en den vorm van een gelijkbeenigen
driehoek hebbende gevel van een huis.
(Op Ban do eng G^(cnarnp\ op Buitenzorg

amji\ K.) Rg. heeft abig-abig.

S ^CEf^ (EAJi\SB. ergens meezitten, meestaan,
enz.; ook, met (ui<&^BnaMi(L^E^(E^\ er nevens
in gbruik, het gebed verrigten, doende en
sprekende zooals iemand, die als voorgan-
ger fungeert, doet en spreekt. (Ar: marnoen^

(3 CE/) 2 \\ i\ B.
Co ca

ruike,n; door middel van den reuk iets waar-
nemen.
ca

B. de reuk, dien iets van zich geeft.
aci^2ccickij^\ of ici (Qt-itgp S. aci ji 2 (ci tgij^\ of
(ckQ(3^i.(12^\ en (cif&tcKHT/p B. ruiken aan iets;
iemand of beruiken.

een lucht

te ruiken krijgen, ruiken, in den neus heb-
ben of krijgen, zonder het voorwerp te zien
waarvan die lucht afkomstig^ is.

(3 CE/) \ SB. moeder; maar altijd verbonden

met den naam van een kind, gewoonlijk met
dien van het oudste, en wordt zoo een vrouw,
als haar oudste kind bv. ajiBia^\ heet, wl
'. Verg. a. \\

(3^(E,i(uima^:\



uitroep van verrassing, zoowel van blijde

verrassing als van verrassing, gemengd me t
een aandoening van schrik: hoe! cc^(3^a^\

hetz. Verg.

(3 \\ SB. iets zooals een- weg,

bosch of derg. begaan, betreden, gaan over
of op een weg, door een bosch.

zva. Verg. c/Bijlcx II.

\ ong. op Soemedang. Ja/o.

(uii^^^x een rustbank, breede bank om op

te zitten en te slapen in een Javaansch huis.

Volg. Rg. ZVa. om 2 (rui 2 (in 2000/^

(3 (EJ) 2 (K) f) \ I. SB. liefhebben, zonder
CO ojf

dat die liefde wordt beantwoord; en bep.
ook verliefd, zonder dat die liefde wordt
beantwoord. Verg. un
eigenn. Amboina, Ambon.

Amboinees, Ambonnees.

(3 (EJ) \ I. SB. amber. 11. SB. (3^.Bl6^A(Bl\
CO ca ca

de, veelal aan een ringetje vereenigd en
met behulp daarvan aan de punt van een




38



zakdoek geknoopte, on der volgende werk-
tuigjes, als: een tangetje om zich de
haartjes v?n den baard uit te trekken,

een werktuigje, om het oor
te reinigen, een tand-

stokertje, (m een spadeltje

of spaantje om de voor het sirihblad
benoodigde kalk uit het dcosje te schep-
pen, \ of (ui (wui (tgjy

ytrvttH^LAajp) en eindelijk een mesje,
alles van zilver of

goud.

SB. zva. djj.aji(uji\ ten einde,
om, opdat, met oogmerk. Zie ook

n (S ?w Jav. Wdbk: (un

kw.



(3 middengedeelte

van een kano, tusschen de twee tamboekoe's
in; het middenstuk van een lisoeng, tus-
schen de twee ronde gaten in. K.

(3 (KY1 f)\ SS. I. bij liet gezamenlijk

Cqj ojf

rijststampen in hetzelfde blok: den stamper
laten vallen, tegelijk met het vallen van
den stamper van de ander; voorts van

door twee of meer personen

in n dorp: op denzelfden dag, tegelijk;
van gasten of vreemdelingen, omdat ze alle-

maal op eens kwamen, talrijk zijn ergens; en
van liet af gevuurd worden van geweren: tege-
lijk.//. zie

OST7 fi | \ zie azrynaj^usnjfw
zie icryn ttzfnafl'i,

<3

<3 truiji \

/O

zie [Krym/jw

'^CO^^J!^ Kncn
afgewaaid of afgevallen op den grond of
onder den boom of struik liggen, van vruch-
ten en bloemen.

O

(3 ^/kCEJl (KT) n\ SB. of S. en B.

Co
drift, toorn, toornig zijn; voorts SB. zva.
a^t&wtoornig, boos of driftig
worden of zijn. ademen, ademha-
len. adem, ademhaling.

(3 OSYI n \\ (i7j nEJt asti/i\ SB. iemand, het-

CO CJl

zij een onschuldige, hetzij een medepligtige in

de regtszaak betrekken, waarin men zelf

betrokken is.

(5 \ SB. lang uitblijven, van iemand

die werd uitgezonden; lang werk hebben
om te komen, van iemand die werd ontboden.

(3 (d^tuui^x SB. er bij han-

gen; er bij neerhangen.
er bij bengelen; er bij aanbengelen; fg.
met onnoodigen omhaal, zoodat een aantal


39

(3^A()\

ca

(3^Aomaaji\

woorden, die. er lij gesleept worden, er als Tiet iemand iets, zooals eten, werk of winst over-
ware lij aanlengelen. 6 (&! \ SS. voor een offermaal of maal, CO laten. Sg. (iTKrjam {(HTuna/p iets voor iemand overlaten.
waaraan velen deelnemen, op den grond of (3 om verkorting van a^-ncmaa/j\ en,
op een tafel klaargezette rijst met toe- vriendelijk of liefkozend sprekend, in plaats
spijzen. een zoo aangeregt offer- 1 daarvan in gelruk; maar ook wordt d^am o-n/p
maal of maal; een tafel. gelezigd als titel voor kinderen van regenten,
enz, 9=3ccf klaarzetten, opzetten, van in sommige streken slechts voor de dochters,
eten. eten opzetten of klaar- elders ook voor de zoons. Verg. G^w^vijp
zetten 6^$(ciw/p klaargezet, opgezet. en apa&'b
(£}2aaaall\ hetz. ca (3 crn \ I. naam van zeker zeewier, (zostera
(3 oajp zie onder zie (oj3?\ en ajiazi^\ zie of Slocaria condida. Sg.) waarvan men door koking een spoedig stollende gelonden
(vn-fjw (3 ^kcfl \ (3^jt.l(3^.!i\ 6-za.! oti acyi en d^d^A vloeistof verkrijgt, die gelruikt wordt lij het maken van geleijen. II. SS. G^kcmG^cm
laTKHT/p zie lij ojioth \ t^nrSi cmjl en (ui2iJ)\ (3 \ zie (ciiHTjp anaajp zitten te praten en te lachen, ge- durig lachen, van velen. (Kj^nturi^d^ari
- v (3 \ Zie aciaaj^\ (3 ^3\(EJ) (K^\ zie (itKi^w (3 CfY \ zva. cmi (iji as^\\ <3^Anqam(3^nqciri\ Cy- 6-&.cm-nwTji\ aanhoudend schreeuwen of juichen, van velen. (3 cY^ betiteling, I. voor den zoon van
ZVa. (rHauiaSiiui(isnflw ^cnid^a.(ri ycmd^iyemw Verg. Jav. Wdlk. op (kjia^aaw 2e (voor den jongen^ die een
(3 cftl $> \\ ^Aom ^(un S. bedoeling, tot vader, maar een vrouw uit de volksklasse
doel, oogmerk.' Verg. ajiac om een jongere hoffelijk of vriendelijk aan-
(3 cY) ^ \\ acitqtmqajrionfl SS. voor tespreken. 4* is het een lief kozend naampje,


40 ' 6^A
dat men bezigt tot eigen of tot andermans | acte van investituur* enz. pachtbrief.
kinderen; zva. ons mijn jongen, mijn ke- (unarK^\ is K. I. van djrmqcYmxen d-n
reltje. Verg. en 6^<<>fi/i\ Verg. 0^? rn w
<3 crr^ x Augustus. (3 crr^ \ SB. hoovaardig; zich laten voorstaan of verhoo vaardigen op iets. (3 cim (EJ1 \ SB. godsdienst; religie. (Skr. dgama* overlevering, overgeleverde leer. Jav. Wdbk.}
op iets zich laten voorstaan (3 cm C^J! de hand, de vuist, ook
o^ zich verhoo vaardigen. 77 V een stok of wapen dreigende opheffen;
zich zelf. ophemelen; op zijn verdiensten dreigen; een dreigende houding aanne-
stoffen of pochen. Verg. maken; zwaar, van iemands stem. x- n. (3 OfT) \ zie cm^^w
aan iets* zooals een paard* een (3 Cr^ \ Zie cfrp
wapen* een rijtuig* enz. een bijzondere waarde (3 @ X veel Plaa^s inne
hechten, en het daarom met buitengewoone men, bv. van in een koffer of kist ge-
zorg behandelen. y (SiG^arn t&i/p vroeger: pakte kleeren* omdat ze niet netjes gevouwen
acte van aanstelling, verleend, door den en op elkaar gelegd zijn.
regent 'aan een door hem tot een betrekking (3 (IZ13 \ ong. ^^A(cnS. in de dor-
benoemd inlandsch hoofd* maar tegenwoordig pen wel voor: zadel, rij zadel. Verg.
bezigt men het woord gemeenlijk slechts voor oq (kJI (TUI \ I.
de acte van bevestiging, die aan een (3 (M \ SB. tegen elkander opvliegen, als
dorpshoofd, bij zijn optreden, wordt uit- voorspel van het eigenlijke gevecht* van
gereikt; zoomede voor biljet van aanslag vechthanen. anten \ getrokken en in de
in landrente of heerendiensten. hand van een wapen* zooals een zwaard.
cmf&ijp is het Jav. (uiasncm of (Si hjui cm azKcritiniM/p vechthanen gedurende eenige




41

asnfl\

oogenblikken laten vechten, om te zien
of ze elkaar staan. Karin ttfnzan-Qajix een

bloot zwaard in de hand houden.

(uiaxxmmeen elmoe die den bezitter

doet gerespecteerd, gevreesd zijn.

(3 flZj \ SB. rondloopen,

ronddraven, rondspringen, van een paard,
dat bv. uit den stal ontsnapte of dat men losliet

. op een veld om daar te weiden, enz.; voorts van

iemand: rondzwerven, buiten zijn ivoon-
plaats. Verg. 6^ pjjpfj m/jw

(3 azia^\ SB. een beest los laten

loopen; een vogel, dien men opgesloten
hield, loslaten, als zijnde nu mak of ge-
wend. azrjpn (ki(U) % op gesneden sa-
wahs buffels laten losloopen, laten weiden.

iemand, die zijn woon-
plaats heeft verlaten en nu hier dan daar

zit; een zwerfziek individu, zwerver.

_ z C**' . o

zie

(3 (IZfi (Kl \ zie ;un mi 3 w

(3 van een ^d^e afspringen;

naar beneden springen. ^(kx^u^^Ck^
bij herhaling naar beneden springen,
bv. van de golbdbg op den grond, zooals

kinderen wel spelenderwijs doen.

(3 Qt^asriji \\ asr^fi<3^A(g xriy ?'??

'CYr CV

w/p zva. (Hyp\

(3 zie

(3 (IZYi 2 grondio. (un 2 asn^ \ zie (urum cun/jw

(3 S. t&tQiasnjp B. ingaan, bin-

nengaan. (uy(M/p hetz. maar niet uit eigen
beweging, van daar voor: gaan, gezet worden
bv. in de gevangenis, SB.

ergens, bv. een dorp, binnengaan, binnen
komen. wjp s. B.

iets ergens indoen, bv. gebrokkeld brood in

melk; iemand of iets ergens inbrengen.

(3 dpi \ SB. dienaar, dienstknecht, onder-
C/V

hoorige, onderdaan, zva. maar mooijer

of eerbiediger; tegenover G-od: schepsel,

creatuur; voorts B. en B. L. zeer nederig voorn,
van den eer sten persoon; tot den regent spre-
kende bezigt men (Ar.

t>x£) onderhoorigen; de

onderhoorigen van een regent of wadana,
dwz. de bevolking van zijn regentschap of zijn
distrikt.meid, dienst-
maagd. of mooijer als K^m\ en

aziaj^irux verg. ald. iemand dienen, tot
dienaar zijn. en

, Ci . J .. Q O

(3^irn\ zie 01]



42



(3 fW (^J^\ zva' /L$'nP (Pers. abdast. Jav.
wdbk.)

OS' . z

(§ flZYI (TUI (U! \ of voluit: mikJi G^irn rutaj)
CJl
Sjaich Moliji ad-din Abd al-Qa-

dir Pjaildni, eigenn. van een, zooals de Soen-
danezen zeggen, afstammeling van Ali. Hij
wordt ook genoemd, en zou de

goeroe zijn geweest van de oj)(iPhlvi\ of ayarSi (tut w

- " 6~

Q

(3 ~£&azn crnjp zie 6^(E>i-ZTamfl\\

(3 ~&kazn a^\fl \ zie I.

(3 (U! \ Jav. rood of roodbruin; grondv.

afnw Slechts gebr. in de Preanger in de za-
menstellingen met verkorting: tcr}&\<£n^m\
enicnru^ drie termen, die men bezigt bij het

sPe^ en welnaar 9e^an9 een, twee of

drie van de centen met de kruiszijde boven-
liggen. Zie ook rr^(^Kn^\ar^cin\ en i&irkw

(3 (IZY) 2 \ uitroep (minder gepast tot een
meerdere) van ontevredenheid of te leur stel-
ling, bij het niet zooveel ontvangen van iets
als men verlangt of hoopte; ongeveer: nu,
dat is ook de moeite waard! nu, dat zal ook
wat helpen! of derg. voorts S. P. met
er nevens ingebr. als hetz.

misbruik maken van zijne positie tegenover
iemand', al te ver gaan, verder als waartoe

men door een omstandigheid is verpligt; steu-
nen of zich laten vcor-taan op iets; en
als uitroep: ja, omdat...............daarom

enz. (ki\ zva. (KiripK~n ihi\\

**

(3~&MM71\ SP. cijfer. (Skr. angka. Jav.

wdbk.)

C*'

5 (Hn 2 \ SP. waan, verbeelding, voor-

stelling, meening. In plaats van
zegt men wel temp (verg. aldaar] en
omgekeerd. (S\ bottin 2 ?\ van iets door iemand

in zijn voorstelling of verbeelding gemaakt

worden tot iets anders.

V

(3 ^(Kr^x SP, I. hoovaardig, trotsch.
II. (plan, intentie. K.) Verg.
en Jav. wdbk. op {unacr^w

j

(3 (HY1 2 \ S. plan, oogmerk, intentie.

Als P. kan men (m£n^(3^^\ of
gebruiken. Verg.6Aw£n2$ en II,

^(Kn (Ktji \\_____ (CltKn w/f\ zie

(5 (Kn x & Plan hebben of gemaakt

hebben; ik heb (had) plan gemaakt.
Als P. kan men of

bezigen.

(3 JlI(Kn\ S. A.ormrvi^\ P. dringend, spoed-
vereischend, bv. vaneen last; ook, ofwel
spoed.! als opschrift boven


Wj iMTyunQ\

43

liet nummer in een dienstbrief, ook op het adres.
Verg. (Mnoji\\ (cidoi^n a-mp en o/Sh?? ? \

xS. nr^i am 1Q2 w/p B. spoed gaan zetten,
aanzitten achter iets; ook iemand die iets moet

halen of die moet komen, tot meerder spoed
maken aanzetten, en nader aandringen op
het onverwijld brengen of zenden van

iets.

(3 Jfrcq SB. vanille.

(3 \^(Kn van onderen tot boven

beladen zijn.

V

(3 ^k(KYl OSVJ! \ 2ie azn Z asnji\
-A/K77 asrpfi-l*a-cn \ zie mji

- . o . o

<&i iKn asn/i\ zie
s Cd Mj

w* 1 !lliw a~}
Zie ook onder oji acn (cngw

O

(? z-^7^ (Hl 2 071 aJ 2

_ v v

(3 (HYJ \ SB. naarn van een muziekinstru-

naJll

ment. Een zeker aantal van boven schuin

af gesneden bamboezen pijpen van verschillende

lengte en met losse stokjes er. in zijn naast
elkander in een r^am geplaatst. Om het
instrument geluid te doen geven wordt het
schuddend bewogen.

(3 (Kfi crnj! CKY]] CV^U! V
mande gang of loopen: met gedurig op-

wippen van het lichaam: men vindt dit
zeer onwelvoegelijk.

(3 ^(Kl (Uil (HTJ \ zie xht£w

V V

6 (Kn \ zie ini w

(3 2 zie onderG-zaStiw

1 co

*

(3 ^k(M 2 (Hlw a~)M2(H}aaji\ SB. iemand

(3 \\ SB. het kind

opzetten, opstoken.

- Z' / .

------Ji w ^Z '

l)

moederschoot, door opligten en zacht druk-

ken van den buik der vrouw, een weinig
omhoog brengen, op zijn plaats brengen.
Verg. azto^itfagao/iw

(3 (i^(isr^j\ SB. spuit; lavement-

spuit. iemand of ze/s bespuiten;

iemand een lavement geven.

upjp in de rondte spatten van water en derg.

ook van de ontlasting van dieren, zooals

buffels, als die
(? ^3K(1>J1 aziajicmp SB. op zijn tegen-

partij ingaan; vooruitdringen; ook met

tmtKitSanp er nevens: op sterven liggen.

v //Z X S

(3 '-A'VJ (KB \\ \ zie bij yruiw

v

(3 kk&mjp SB. loochenen,

ontkennen, niet erkennen.

(5 (W1 \ naarn van een lekkernij van
?

(3



44

6-^.
mimwi BiG^arh %!un wjp of

(unMitKn(ui6^cmi{tm(ki/)\ SB. van iets: be-
ash '

driegen; en van iemand: door iets, de lieden
zich doen bedriegen of vergissen.

(3 cm (Lm 2 (im \ SB. lid, leden van liet

lichaam, zooals neus, handen, enz. wem

aj)asn\ en CY&cim (ij)asr)\ hetz. Voorts

ajmasn\ of v)asn\ ook iemands werk,

als zijn bedrijf. (Cn?irn?cm6^cm (Lyasr)\

niets om handen hebben. (Skr. angga,
warttd, lijfsonderhoud. Prof. Kern. Jav.
wdbkj

(3 ^fhcm 2 (KI



V V

(5 cm 2 cmjf z^e onder

(uinyinnw

? /

(3 cm \ SB. naam van dab voor de kris, hetgeen

men bij een degen noemt porte-pe, door tussen

bovenaan wordt de buikband heengetrokken.
v 0/

(3 cm \ SB. vast, niet veranderen, hetzelfde
blij ven; gelijkmatig, geregeld, niet ongelijk;
(Jav. bepaling, vaststelling, wetsbepaling,
wet.) bepaalde, voorgeschre-

ven of vastgestelde portie of hoeveelheid.
(icmmMjp zich houden aan de bepaalde
hoeveelheid, van geven; paarden laten loo-

pen, zooals ze loopen, dwz. ze niet inhouden

CY

of aanzetten. (cmar)(3^ammaap\ zich hou-

den aan de bepaalde hoeveelheid, bv. bij het
rijst koken aan een zekere hoeveelheid per per-

soon. aS>26^
dit en morgen dat willen; ook ondoor-
dacht handelen ofwel een warhoofd zijn?

(3 cT^ \ SS. I. veeleer, liever.

cr^\ hetz. en wat meer is; zelfs. II. SB.
wijn. (Pers. III. (Cicrrp SB.

leegzitten, leegloopen, niets uitvoeren, niets
te doen hebben; fg van iets: ongebruikt

liggen, ongebruikt staan, bv.

van een

1. ojn (ui w niet leeg kunnen

zitten; niet werkeloos kunnen zijn, ook
van dn mond, en zoo van iemand: wel altijd
door willen eten. oj><0 rjmw/p tijdver-
drijf, tijdkorting.

(3 cm de woorden waar-

mee de ronggngs veelal hun liedjes inleiden.
Beide zijn Javaansch: zie het Jav. wdbk. op
Cmrqcrn\ en tun 2 £} iru/p^ Be Soendanees ver-
klaart het eerste met en het tweede met

(3 naam, van een ivoekerplant.

(3 cmjlSWJI\ naam, van een goede hout-

O

23

soort, Nauclea lunceolata. Bg.

*

(3 cm arnji w

em asnjj\

SB. een letter-


^.crnzajtjp

45



arbeid opstellen, schrijven een naam, die
een zekere betcekenis heeft, zamenstellen.

(3 cm 2 vwmmjp B. klaar, af-

gedaan, gedaan, voltooid, afgemaakt.
Verg. mzcLuo-n/p iets afma-

ken, voltooijen.- S. &foj

-namojgf\ S. volbragt, voltooid, klaar,
gereed. 0JiarM(M\ o-Ji(3^(irma^\ aJiarm

,2i\ S. 7?. na, nadat,

na het afgedaan zijn. S.

(ui(M^-ntHi2(>j}.A.(Kiq\ B. einde, slot, besluit; de

USIj '-A 1 1

(het) achterste, laatste. on 2<^lf5Yl' voorts,
daarop, vervolgens.

(? cm rvy \ I. niet volgeladen, ligt-

geladen van een vaartuig. Verg. wmasnjp,

3. II. SB. nS)(3^ani(n^\ van te voren,

vooraf,
v c>

(3 ^kcm v^JJ\ & 'crtiiQ'ndJP B' kussen ook
en dan ook amok<&i(M(M\ B. of BL. hoofd-
kussen .

V

(3 cm 2 P \ SB. hoog aarden komfoor.

/ #

(3 cm (cimiajijp SB. iets opnemen,

beschouwen, bv. als een grap; iemand^-

schouwen en behandelen bv. als een vriend.

/ o

(3 ^fkcm\ SB. tusschenruimte; afstand tus-
schen iets en iets anders, ook tusschen

twee personen, die bv. zamen hout sprok-
kelen; gaping, bv. van de planken van
een kist; van elkander; verwijderd.

£12 in de tegenwoordigheid

moeten blijven, zich niet mogen verwij-
deren van iemand. cm mpp}\ zich op
een afstand houden, niet digtbij komen,
zich van iemand of iets verwijderen.

77 *07 or 77 aQji \ mvdsv. ah cm £11 g chtji \ iets van

iemand of iets verwijderen; iemand of iets ver-
wijderen, op een afstand doen zijn of blijven,

verwij derd doen blij ven. Bv.

. O O o o z-

77 cm(Kri 2im.^4l
op een afstand. -bio77^o7777n^\ zich een

weinig verwijderen; wat achteruitgaan, bv.

van een hoornbeest, dat een stoot wil toebrengen.

(3 kart, gemoed,

binnenste. in zijn hart; in

zijn binnenste. ahaziamp SB. bv. van
aardappels: ongaar zijn, eig. met een hart
zijn. <£> $(Hyj\ SB. reikhalzend of smach-
tend verlangen naar een geliefd voorwerp;
smachtende om het terug te krijgen,
denken aan iets, dat verloren raakte.
omazmjp reikhalzend verlangen iemand
terug te zien en weer eens met hem te


< O

<3^12 (172 MTflx

46



zijn. rrnacmiSJufcS een kwaad hart

toedragen aan iemand.

O

<3 2 Wjp SB. gekookte of op de een

of ander wijs bereide en vervolgens niet af-
gegoten groente; kooksel van vleesch o/
v sch. vleesch, visch of wel iets,

om bij wijze vnn groente te gbruiken, koken
of stoven; aan schijfjes of stukjes gesne-
den aardappelen stoven of koken.

ongekookte groente, moeskruiden.

v Q

(3 de wind.

een los gerucht; een berigt, dat is over-
gewaaid, maar nog bevestiging behoeft
of schijnt te behoeven.

dwarlwind, wervelwind.

van de tonen van muziek of gezang:

zich laten hooren, nu eens hard dan weer
zacht; liefelijk, met geleidelijke over-
gangen van zacht in hard, en omgekeerd.

buiten zitten om een frisschen

luchtstroom te krijgen, wat aftekoelen,
bv. s avonds na een warmen dag.
door den wind aangewaaid
en bewogen worden, bv. van een licht.
ojitaj)haar oogen

waren als een licht, dat door den wind

wordt bewogen. Voorts ook

bewaaid raken, van iemand, die buiten zit,
bv. om een luchtje te scheppen.

§ 2 (l^Jj vee weiden

of hoeden; ganzen hoeden. hij

die het weidende vee in het oog houdt,
er op past; de herder. iemand,

die bijwijze van kostwinning een of ander
vee, ook pluimvee, zoo als ganzen of eenden
hoedt; hoeder daarvan van beroep,

herdersjongen.

iemands begeerten of wenschen vervullen;

iemand, in alles wat hij wil of verlangt,

zijn zin geven,
v z'

SB. mager, schraal, slecht van
grond. Verg. Mppnym/i\\

(jong. aj)6.A
p. en BL. zich het hoofdhaar

wasschen, zich het hoofd reinigen.

<3 (En a5^Jj hevig, hard, met kracht,

van slaan en trappen. streng

zijn op iets, zooals op het stuk van
politie.

(3 2 as^J! \ zva.

nspjp zva. 5?g?p\

v Q v

(3 zie


.47



aQ-Siasn^t.rrL^\ gestreept sits. oQjwisnt asn

(Kmasii(Kiiri\ geruit sits. QiSi fci (£.i&& (n\
(Hl, -A o (jwqj ca ca

gebloemd sits, sits met een figuurtje of

bloempje.

O

SB. vriendelijk naampje voor

een gongetje. (3~surpm (m p\ en

s3.'

SB. uitroep: o! ach!

O> O O

6 ^2 6 ^2 (Lm 2 (H1JI \ SS. nokken

van zenuwachtigheid.

O


CA>

het algemeen van een Maleijer.

(? ((Hl \\ Si<3Q((hi6.Q((K)\ Si(Si(dn<3^.(i<~n\ of
6lt l l J

(SiQimQafojx van een kind: (Si Sn tti\ terwijl
hij die het zingende: (iS(Si\ of GSh-rfp

of wel 6&iyri^ 200 tegelijkertijd wijze

vnn bespelen en geluid van de angkloeng

nabootsende.

(? 0O7y \ betiteling van een volbloed

en in China geboren Chinees. Verg. nmam^w

.O Q

5

6 SB. sits. Verg. (Lmngnji^

Sasn^^asy soort gebloemde zijden stof.



hetz. Verg. 6-^07 on \ en aSl
(? \\ kna/Tg2.a/f\ SB. iets op

slinkscbe wijze afhandig maken; iemand
voor een zekere som gelds opligten, zooals

door te drossen met het als voorschot ont^

vangen bedrag op overeengekomen draagloon.
6 Sfr (Hl 2 (HCJ x zva. da 2 upp w Zie bij tg mi

C} o

am(Krip\ en verg. u.^i.KcKipjp'

O O

(§ ^L(LQJHY1JI\ SB. kleine klapperdop, dik-
wijls als rijstmaat gebezigd. Verg. aSt

^^irw/p en (cmasii2appw

6 ^K(K1 (MJ!\ zie nsiidj)^^

(? (Hl (LUI fl\ SB. benaming

oyr

voor een tiende gedeelte van Mmnnjunnjw

i. O O

^L2 (Hl 2 (L/i fl \ SB. zitten van een vogel.

dl

vlieg, kapl, enz. £i &S £u na/p een vogel,
zooals een kip, zetten op iets, bv. opeen nest;
fa. met SitSi?Mift(hh]\ er nevens in

gbr. wat iemand zegt toepassen of gaan
toepassen. minog Shft (Ui/f


6.220? 20
Sb

48



spreeuw, zijn meester uitmaken, zwart-
maken. <3^.(Li2(tn2 ajin\ en aji2^n2 ajin\

s ash UI s n^c Ui

mvdsv. Zie ook onder

Cd

O n

(3 Udb(KI 2 (U) f! \ SB. fciM2Tniui/i\ rijden op de
as[^
moeder, zooals bv. jonge geiten dikwijls doen.

Andere vormen vanQbnwnjp zijn: SiHiwnjp

Q O < 'O rU>

(Cl (KI 2 Ki 2 (Kin\ en C^A(K121(Jl /jC-^l.(lfl2!l J) (Kl/)^

>b 2Q, * (t- asb Cd '~>l

6 Al2iKH\ SB. spiegel, glasruit, ruit.
in den spiegel zien; zich spiegelen.

O (?)
(Cl 2 (Hl 2 \

&2(fri2(ci(Kijl' iftts of naar iets zien in den

P.^O. iets om dienen

spiegel, (iuu(Hi2
als spiegel; spiegel, voorbeeld. (uicSh
32(3^2^i\ van een kuis: staan met het

L

front tegenover het front van een ander; van
twee huizen: staan, enz. Verg. O2o\

en (w nw

II.

O *

(3 ~Ab(K 2 \ zie
(3 Ss ff?) St/nMjp SB. ontevreden

met zijn lot; onbevredigd van hart of ge-
moed; hartzeer hebben, omdat men iets
vroeg of te leen vroeg en men een weigering
kreeg, of wel omdat men van iemand moest
scheiden. daiQSiiHJimdaji^ leed, smart,

grievend verdriet, hartzeer.

<5 Ufb (bO ProP P lading van

een geweer, pistool of kanonnetje.

(3'UJb(bQ 2 SB. iemand tee-

der liefhebben, boven alles en allen lief-
hebben.

o

(3 (K^(bQjj\ betiteling van kinderen,

*n 20 207\ van geboorte.

O

(3 uAb2 (bQ (bQ fj\ SB. hoeveelheid par, ont-
Cd UI

geveer een halve oQ 2 cm 2 20 7 w Tivee (33.2

benoemt men met drie

met 2020 o 20 7 \ vier met ^i^cTmirm/jw Verg.

O

(3 -^2 (bQ 2 \ SB. het dreunt; bv- 270 770 fE? 7^,

(Li2(dn2\ en zie ook titq/KniKnij^

OS
',(bQ',

CJ

cy' o cy'

(K12 .TJi-jitn 2577 Uitvin kn2(ici2\ iets doen
<0j < ' Cd Cd

trillen of dreunen; aan iets een trilling
of dreuning meedeelen; een drenkeling
trachten te ontlasten van het binnen ge-
kregen water, door, na hem in de amboe-
ran van een lisoeng te hebben gelegd,
met kracht op het blok te stampen.
s?g^?2o?\ mvdsv. Verg. ten cm 2 w

.OO

mtdiKn/p SB. ergens of
bij iemand overblijven, stilblijven. De

1

persoon, bij wien men overblijft, ahcQ.3d
SiHiiH-n (Ki/i\ en Q32 a-nii\ met een arbeid
Cd 'Xij Cd w>

of verrigting tijdelijk uitscheiden; een ar-
beid tijdelijk laten rusten.



\ zie y 20 (Knji w


O o

49



x-<^ O

(? 2^02/RJ2^i2O

J..Q..Q. £}..., SS.

een tak of bamboe langzaam op en neer
of heen en weer bewegen; een tak, waar
men bv. op staat, langzaam op en neer
bewegen. Zie ook de spreekw. onder
QjMTiivip ze wordt soms verlengd met:

(erft q jn irii (kti tn vf tm ? on \ d. i. die hem
echter ook in zijn val zal meeslepen. g2m
MiCMrinShliitKv (ki/i\ zich op en neer laten
wiegelen, zooals vogels dat doen op dunne
ij gen, of knapen, zittende of staande op

een tak, gaarne doen.

6 SfrQ-G cm n\\ ------ (bgOrxn^X of

C/\J

SB. aan iets schudden, zooals aan een
tafel.

(s 2 \SB. ei. pamfp visch-

AM2 ar^lcpKrl/p

CJ

kuit. Qmuwvp een ei of eijeren leggen-

Cx)

(3 tAan 2
o

Cx) cj

voortsvan visch: met kuit zijn. fctafydAtMji

visch ergens overbrengen opdat ze daar

kuit zal schieten. Zie ook imoJiKv ru/w
O

62 (&n/j \ zva. wi(ui^un dj \ of (unaMtn
tem M \ toeroep om te gelasten het tegelijk

opnemen of tegelijk voorttrekken van iets dat
zwaar is. Rg. K. Maar in de Preanger is
gSLom Ong. in (Hi 2 nsn t itn/p SB. iets

O

dat zwaar is, met een huup tegelijk op-
nemen, voorttrekken of voortschuiven.

SB. een mooije roode of gele

kleur hebben, van rijpe vruchten; voorts van
pare: geel, mooi geel.

I (a) 8. P.

B. zoo, alzoo, het is zooals je (U) zegt;
al wat U zegt, zooals U beveelt; nu ja (dat
weet je wel.} Verg. dSizcSh^w (b) Als

moet vertaald worden met: nu ja (toege-
geven dat}; ja, wel is waar; ja waarlijk; is
uj,(uiMjp het B. woord. Voorts (c) is
,tw a£jf *2JP x beteekent: werke-

lijk, waar, wezenlijk, werkelijk waar; maar
(d) SB. is Gagjp in den zin van echt, waar
van een gouden of zilveren voorwerp gezegd
wordt dat het echt goud of zilver is. Eindelijk
(d) is (ijk^,(ui^\ B. als het gebezigd wordt
van een straf en beteekent: billijk; over-
eenkomstig den aard van het misdrijf of

de overtreding. $.

en R.- ook n^i
b (J N>\J

wat minder hoog of wel een dorps B. woord,
in waarheid; naar waarheid; overeen-
komstig de waarheid; de geheele waar-
heid.


,o o

50

, O

enz. B. wezenlijk, in waarheid, voorwaar.
SB. van een gast of

bezoeker: aan zijn lot overgelaten worden;

niet voorkomend en zooals het behoort

ontvangen worden.

2. SB. redewoordje, dat voor een woord of zin-
snede wordt geplaatst, om dat woord of die zin-
snede te doen uitkomen.- Dikwijls is liet niet

terug te geven, meer o fmin gelukkig kan liet soms
vertaald worden met: toch; ja; wel; precies.
agji^-jisnx te weten; en wel; namelijk; dat
is de reden; dat is de oorzaak; daarom; en
die is (was) het dat is die (de bewuste), dat;
dat is nu; in plaats van {g^asn/p bezigt men

ook wel even-

zoo; desgelijks; ook ZOO.
hetz. x daardoor; daarom; pre-

cies om die reden; juist daardoor.

O

(5 z^&2 (KJ 2 \ SB. neergeworpen, omgeval-

len, op den grond liggen, bv. van een
boom, een w<£)\ een tm!m\ enz. <3^AHJi2yj)2^\
en 6-AsnM?£^2$\mvdsv. Verg.

en

O *

(5 (K^ \ vriendelijk naampje voor kinderen; ook

de man gebruikt het liefkozend of vriendelijk
sprekend, tot zijn vrouw: kindlief.

O v

(3 (KI \ vriendelijk naampje voor kinderen

ook tot betiteling als ze van geboorte zijn

iK^/fw lerg. e.n (3^Arqajt

O O

<5 Q2J^2 SB. wor^ verklaard met

ocy cy

\Zm
0,0 o

Q Q

cun inii (K\ en 2

(3 S^2 (&i 2 \ SB. lichtbruin van sommige

vruchten als ze door ew door rijp zijn;
glimmend bruin van gepolitoerde meubelen.
Verg.

(3 Tl \\ - SB. den hoofddoeknek-

jes om vouwen; d. w. z. zo omslaan dat de

(iznaa\ buiten komt te zitten als men den

hoofddoek omdoet.

Q

(? -^2 >7 \ 1. SB. het onder den Jav. Mal. naam

van ala%g alang wel bekende lange en dunne
rietgras. II. SB. St-n iets over-

gieten; rijst, zout enz. overstorten van de
eene karoeng in de andere. Rg.

(3 2 (LJ 2 x SB. ophouden, uitscheiden,

stilhouden; en van een schip: bijdraaijen,
zijn vaart staken; maar S. met cSi^\ en nl

B. (sprekende van een voorn, pers.) in

den zin van staan blijven, halt houden.
6-&M2nji2noji\ mvdsv. Als B. geeft de Reg.
v. Tj. ook nog JhurprMojp het is ong. op


.O KI 'O (V

6^10 2 (KIV 1

8autaaMip SB. uitrusten zooals de Amerikaansche lasso; zie ui&iashw

V
van vermoeije.nis; uitscheiden met iets. Toorts strik, dien men ergens neerlegt, na
82 (ununnnjp SB. iemand of iets doen op- het eind aan iets te hbben vastgebonden.
houden, doen of laten uitscheiden, maar S. 82 rn (wij'i \ een dier met een (382 m \ vangen
(^(kA&Iizihtjp B. (van een voorn, pers.) iemand of trachten te vangen. Terg. (&(uiasnp\m(q(ui\
doen halt houden, doen stilstaan of staan- o ~n oji (Kn/i \ en un un w
de houden. o8aoaa^an^\ SB. of S. . CY (S 2 (Hl 2 \ zie ixn 2 \\
mm iqm ^tundnjixB. plaats waar men ophoudt, 6 So a&i CH^JJ x (U)^2(Sn,unji\QQn weinig,
stilhoudt; rustplaats, pleisterplaats. een beetje; weinig, gerig (niet veel); klein
(ut?a^G^i.2 ui 2 on/p SB. maar met (niet belangrijk.) (Qt&riMYijp hetz. $2am
uitscheiden met iets. kti 82(182 m 2 wjp 8^2 SnMp iets doen, bv. aan iets arbeiden
(382 tui?nn p maar niet ophouden of iets bearbeiden, iets geven, bv. voedsel geven,
met zich te verbazen; van zijn verwon- bij beetjes, bij kleine gedeelten. a^8
dering niet kunnen bekomen. 6 82 ut 20^ aS/a^^aafn^zan^x een beetje, een weinig;
herhaaldelijk halt houden; enz. o ^z^rT)2^M^\ Holl. roos. SB. rozestruik; O .zO roos. roos. eenigzins. iKa8as?ian>^<8a5an^x ieder keer of telkenmale een beetje, bv. nemen. a^apas77a<7_ba68aa5?/ ,ao7^\ zoo hier en daar van
nachtmerrie. (uifoii^tuiiwp^futasr^&i-ui O o (5 z-i^2 (Wl \ SB. inhoud van iets; wat besloten
V* m 1(382 .u a x ook kortweg: is in iets; dat, waarmee iets geheel of ge-
^(38.2 (u 2 0^68.2 ui 2 tu^/f' de nachtmerrie heb- deeltelijk is gevuld; pit, kern van een
ben. Het is een hvaadaardige geest van het vrucht; zin van iets, zooals van een sindir;
mannelijk geslacht, die zich plaatst op liet inhoud van iets, zooals van een versje; ook
lichaam van den persoon, die ligt te slapen. 6 Si 2 *7? X str*k, dien men vasthoudt, van een brief, bv. /M8ao3an a^^asT^pde ge- heele inhoud van den brief, hiervoor mi&Si


52

o % w

anyv!<-ri (isn/jx B. Voorts6mm\ wat het bevat,
wat men er vindt en waar liet mee be-
volkt is, vay, een eiland. (632 0^3 2 3 2 \ het
totaal, dat wij ook wel' de ingewanden
noemen, van een geslagt beest, t. w. de

ll"l ' l7n w ?x (cr> 17n b71?',rui ru*lE1

o o Q o

iKna^aT^tV)^cuna^\ (kvutliou aa\ en Rff. £.) (3^2!^)rem(Ei^\ vrouwelijke huisbe-
diende en boer tender wijs wel voor vrouw,
huisvrouw; ook zva. aa 3kai i&i
£!.t(>ji(waj)2M/i' vrouwelijke keukenbedien-
de. QtojiazySitru{§iasnfl\ ook aardbewo-
ner, bv. in deze spreekwijs: n&tQAAtgnsn^tM

r O O O Q

6^a (uuivj azn a.^g am (nj^^^A2 oa arr^ ga ru u

asnjiw£i2(Si\ van par: beginnen vrucht te
zetten. cfn2Qt£i(3^A.njii^\ naar evenredig-
heid dik of gezet geworden, van een lang
opgeschoten of uit de kracht gegroeide knaap
of meisje, ook van een uit de kracht gegroeid
dier. (Si(3m£ji\ met.. .er in', er is in.

iets geheel of gedeeltelijk vullen;

ergens iets indoen, een geldboete voldoen; wat
wordt geisclit presteren of leveren; de
kolommen van een staat of aantooning in-
vullen ; een vuurwapen laden; ook in-
schenken, en dan het glas A^i6^AgcSj.(LVK7n/f\\

iets ergens indoen en daarmee
geheel o/gedeeltelijk vullen; iets ergens op-
doen, bv. een stukje vleesch op iemands bord.
aa 32 iSi azn (ea % inb o edel, t. w. huisraad.

@Sfr2(U) ^\\ (33? o o \ zva. \\

Verg. ArnMosn^

6 ^2 (Ui 2 ?\ S. a.m ad 26^aavi \ B. tn26-zA'iM\

) ft

en 5i^u\ hetz. maar minder eerbiedig; voorts

Bant. X.) van iemand of iets:

is er niet; er is niet; er niet zijn; en
is (zijn) niet voorhanden van iets. 6^a

mvdsv. 3 23i ^a32 Anj^\ SB. met
opzigt tot een persoon o f zaak zoo werkzaam
zijn dat die 323i^\ of dat men het Sh

32? er van bewerkt; iets niet meer doen
bestaan; iets vernietigen, bv. een boek of
handschrift, door al de exemplaren of af-
schriften zoomede het manuscript' of origineel
te verbranden. i^3t32(fn oji6323
Pass.) een eenigst kind boven alles en allen
liefhebben; een kind boven alle anderen

liefhebben.

roep: wel verbazend! Verg. 6^a.&^

6 Holl. SB. lak .----- 3nAtH71/j'

iets, bv. een brief met lak sluiten.


53

r r O

(bcrtp^^cnji'

r O o
(3.A2tnjiaj)ji\

O o

6 (H^(3 (KTJJK^\ SB. de

huig.

C*^ Q

ong. cbruww^x SB. van
knevels: met de punten naar boven om-
gekruld; voorts naar boven gekeerd van een
haak, waaraan men iets ophangt. iwrrSi
A (HT/j\ van iets, bv. van de ijzeren stang,
die men in een haak wil doen eindigen, het
uiteinde ombuigen, omslaan. Berg.
en £}(tinj (bnp w 8 en uithaling waar het behoort, van de stem,
bij het zingen; ook van iemands zingen: met
stembuiging en waar dat behoort met uit-
haling van de stem.

O n

(3 ^cru^ on9' S-B- naar be-

neden gekeerd, van een haak; gebogen
van den neus; ook het hoofd op de borst
laten hangen, j8?irufi!KPAx zva' 8^tf
8/n^8aan^\ zva. iQirSiibf^artpw Berg.
O o

(enrcinmjjw

<3*^0? W) iQtrj ruMiji' SB. kanth

op de Qvpnji (wwiji winden. QnqrwibmjbCTjp
garen winder; het stokje waarop de kanth
wordt gewonden.

(3 ^cnj) zie (TLiaspp\\

Q P

f-> cy^

(§ en

SB. 1. een weg slechts aan de kanten
schoonmaken en opknappen, terwijl men
het midden laat zooals het is. 2. een deur,

tafel of d%rg. met een speciaal soort van
schaaf, m w m genoemd, voorzien

van een rand, zoodat de kanten niet regt

ajloopen. Berg. inj,ruip*

x- O a

<3 ^2 (TtB Mjp SB. (i

van cm ? /tl7 \) vrien-

delijk naampje voor een meisje. Berg.

,Q

6^t.(bm-bcn/f\ en £~nm
(3 orui faJ)y \ Holt. SB. leidsel, leidsels.

O

(3 QfJ orui 8y ,r^Jl SB. uitge-

stoken uit den mond of bek, van de tong.
Srnnjj/rQgfnibnnsn ?on\ met de torn? uit den
mond of bek; de tong uit den mond of
bek hebben hangen. 8^7^771,? ^7x of

n

azi on ru ju on (bn asn

inqn,i^uri(bnas)itegen iemand de tong uit-
steken. de tong uitsteken.

O

(3 a.xK^ajii\ SB. de bossen

pare behoorlijk opschuren, netjes opsta-
pelen in rijen in de schuur; de gesneden
pare op de sawah, bv. in een vierkant, netjes

op elkaar leggen.

O v

(5 oren \ SB. van bamboe gemaakte groote
mand, zooals de reizende kooplieden voor

hun waren gebruiken.


, o ,o -

54

<3^2 (M~Jiaz>9Vi
V(j '->

(2^3 qj vui <5 nui \ SB, (MisQ^iiGSi
tqru\ beginnen te staan, al beginnen te
staan, van een kindje, K.

(3 S#>2 (Ui x lkaas? aas-

een dier lokken door aas; fig. zva.

O O . ,

<5 ^330 \ zie in\\

(3 2 (U^JJ & (uitspraak tusschen euj en uij)

toeroep: hei! heila!

O

<3 ^32 OJUi 6 z^2 (UW $> (UTi (KiJJ \ zva.

IhQj '

o

(3 ~3(ui\ zie t&i w

X- C7^ O 'A

§~Z3(Ui^(3~Z3(Ui^\ zva. gSa
ie (Ei^i/fw

W'

(3 ^£&2 (Ui 2 rvpi6^2

vochtig', nog niet goed droog, bv. van iets
dat in den dauw heeft gelegen, van gewas-
schen of nat geregend en te droogen gehangen
goed, ook van irpuiorpinx en ^(miten/jw K.

(3 ^3 (Ui ^Ji <> (3 ~£3 (Ui ^Ji $> \ S, zich te goed
doen; schransen, smullen. Verg.GQ^-,?

, O o

-iA (Efl ? \\

(3 ^3 (Ui j (H^Jf \ SB. zacht van een kussen
of matras. Rg. Verg, (unn^\ en

(3 ^3 (KJ (Ui ^Ji !J V\ G^.(g(En^Jiasn^G^fq(Eji~Ji
zva- MMM6.rn.Mp zie onder ojhmw

(3 ^3(Ui ^Ui^jj (E.i-jji^\ SB. vee-

ren van een draagstok en van een vonder.
£i(Ei^ic^^yVi^ een draagstok 'of vonder
probeeren, dwz. onderzoeken of bv. de draag-
stok veert, meegeeft zonder te breken.

dj-2o GStn&i^iia (Hf/i\ zva. 3(&ifl\\


Verg. g3? 3?(kvjhtji\\

(3 ^(UjjOJiJI \ zee (e^o^iw

§ ^3 (Ui 2 x #2?. zacht, gemakkelijk m

te drukken van goed rijpe vruchten, van

1 (E3jJ Y

brood, enz.

(3 ^3 (Ui (Uij \ zie
C> O

(3 ^3 (Ui \ zie 3h r3w

Co

o . n

(3 ^30J
jong geitje of bokje. .Q^^.-tmrwgd^x
of imrivT?\ een bok.
lw.w7^\ blaten.

§^3(Ui^ \ zie GzAm w 6-12,^7?rm. Bi\zie 2n jn
CO) ca sfe'

§ ^3 U^ 3t>e en tui uzi 3> &07 w

B. voor n.nix^w Men bezigt

3^aj^\ 1. voor het azirmw/p van het kind

van een aanzienlijke; 2e voor het azi nzn w/p

door een aanzienlijke. 3 iei jn m
J CoostCO aoj

een bevel overbrengen, en, met SmonBiajt

(aziM/p er nevens, als lietz.: een be-
vel van den vorst uitvoeren; als die-




55



naar van den staat, ontvangen bevelen

uitvoeren.

QttonoJl SB.

de top of kruin van bet hoofd.

zie bij oj^no^Mifjw

6,^&g>2 0O7^\ of vm2iKn/fx (Jav. moeder;
eig. zva. lieve.) I. betiteling van een vrouio,

die geen titel heeft, waarmee men haar be-
hoort aa,n te spreken of van haar te spreken,

en die, maar op deze voorwaarde wordt dik-
wijls inbreuk gemaakt, ouder is als de persoon,

die haar aanspreekt of toespreekt of tot wien

men van haar spreekt. Iemand sprekende

o f schrijvende van zijn vrome, aan zijn jonger
broeder, noemt haar wel 63.^12 Mppw .Einde-
lijk noemt het jongetje z het nichtje dat jonger

is als hij, maar de dochter is van een ouder
broeder of zuster van zijn ouders. Verg.

6.510 \ 05)1 rqO51) en 015) M) 2 MTI /J\\ 2.

05)1 2 M)1 OJ) \



. 7 .. o o

zie bn 051100 w uw osn mi aji \ zie i&imkoiw

J - (J

(3 (&) GSW fl \ werd mij gezegd te zijn ong. (Jav.

CO

£h^nosnp\ buiging, zwieping of trilling van

iets dat veerkrachtig is). Smosnjp S.B.
van een weg: loopen, voeren waarheen.
3o flsjj g? asn/j cM osh (Si on \ zie onder osnp w

(g3(^£)2M)Ji\ zegt men tot degenen die

apatyci ongp als ze hun rotting weer omhoog
moeten heffen om dien met meer kracht te kun-
nen doen neerkomen. K.) Verg. bij kjomw

§ (Ei) 2 f] \\ truin\

CQ ! ca ca

S. van iemand: zich geen enkele keer ver-

toonen ergens. Rg. K. Q^^i^QiLuirviji
hetz. Verg. o^mirvijp en (Show

O v

'^CCf^ (3^a.oSi(C5ijf\ en B. (Sprekende
van een mindere gebruikt men a3(i^32Mi^\
voorts van een meerdere md mi 200100(3^2 aap \ en
van een mindere tot een meerdere tunSioai £^ofn2

050

aa/jw) niet willen, iets met willen,
ongenegen of ongezind zijn iets te doen;
wil niet. Verg. aam^\aa^oop\oo32aaip\

en

O *

(3 zie ajifEiMi'jw

(3 (KT) \ zie (CJiyooiw

§ (HK) 2 2 577^^2

SB. van een zieke, ook van iemands leeren
bv. op de priester school: het gaat vooruit.

(3 3&(K)1\\ && bij g3(mi\\





<3 (Kn \\ (^np mh oji/j (jsiEp ooi a^ aap \

SB. onophoudelijk met het achterlijf stei-
geren van een paard 3(gaai32aap\ zva

O T7

Verg. (cin^apaaipv




56

(rntM/Jx

- v (3 3H(hrt\ zie tm rtm w
* (3 ^(HYl \\ O x- , (?)
U
(3 ^kcm <3 -A'tg cm^\
~ (O cm P \ ong. mi



of meer benauwd ademhalen, als'een ge-
volg van zich rond ie hebben gebeten.
((ifgam^x en (3^.arn in het Buiten-

zorg sche zva. aziiun^\ II. K.) Verg.

3_yl2fl7(L^\\

- X

<3 cm (K~t ft \ zie II.

cm

C>

(3 cm 2 x plaats, plek, verblijf;

plek of plaats waar iemand zich op-



houdt of iets zich bevindt; voorts S.
ajiaJiymijiJiihnp B. a->11cr^(^^ja2Jlx B.L. de
plaats in een huis, die de slaapplaats is;

slaapplaats, slaapstede, van daar bed,
ledikant. Verg. an 2 an ~/n \ bij

<^(un^a^\ ti om 2 an^> ergens zich ophouden,
verblijven, zijn verblijf hebben opgesla-
gen. iamttKjnj^ iets, bewonen, occupe-
ren; van een wensch, begeerte, enz. iemand
vervullen, bezielen; van iemand bij iemand
huizen, verblijf houden, het zij bij liem in
huis, hetzij op zijn erf. ojiSIcm 2an^-S

van vlen: een ieder naar zijn verblijf,
bv. zich haasten.II. SB. of S. en 6^.^ nm orj^\

B. een hulpwoord, voor de wijze van het te
gebruiken, zie de grammatica.

(3 S&2 2 ^ S.

B. al; eeds; afgedaan; genoeg van die
zaak! ook: nou dan. Verg.

(3 ,31 cm \ in het Buitenzorgsclie zva.

K. Volg. Beg. Ti. titel van regents zonen,

niet gesproten uit de eerste vrouw. Op Ban-
doeng (K.) en op Soemedang. ong.

(3 2\ SB. een kus; een kus geven; en

zva. een kus krijgen, gekust

worden. Op Soemedang ivordt het slechts
sprekend tot een kind gbruikt; volg. Beg.
Tj. is aStGlazix B. VOOr

(3 ,3k2 <137 (Lftjj \ en SB. beklemd,

belemmerd in de ademhaling; van plant-
jes, die te digt op elkaar staan, geen lucht kun-
nen krijgen; verstikken.

nan\ een benauwd stemgeluid hebben,

zoodat men de woorden als het ware

moet uitstooten.


57

.77X7 (Hl \
' (Kb

tijd verplaatsende rheumatische pijn; vlie-
rn \ gende jicht. et? (Hl \ SB. er buiten; er van gescheiden; S SB. uitroep, 1. om uit te drukken geen onttrekking; onttrokken; aan den boe-
overeenstemming met het voorgaande; dikwijls del onttrokken, van inschulden. t o \ iets
te vertalen met: neen, dat is het geval ontkennen te hebben gezegd; ^looche-
niet; toch niet; of een uitroep, als: t mogt nen, niet boeken, niet innemen in de boe-
wat! och wat! kom! 2. als de uitdruk- ken; iemand buiten staat van beschul-
king van een zekere verbazing of bevreemding diging stellen; geen regtsingang tegen
over iets, dat men verneemt, ons: hoe nu! hem verleenen; iets afzonderen, opdat het
of wel omdat iemand iets niet weet, waar wij niet zal worden verkocht. (Ar:
bv. zeggen: hoe! weet je dat niet? en ein- (Ul (Hl GKJ1 \ SB. deelen, een qetal S (H\ t y
delijk als iets het geval is of iets niet gedaan deelen door een ander.
wordt; ons nou! 3, om iemand met iets te et? SB- diamanfc, juweel.
doen ophouden: hei! heila! 4. maar slechts a?,s§f2Jl^ met een diamant of met diaman-
in sommige streken, van verbazing of le- ten er in gevat.
wondering; ons: och! Bv. vn Otq^\\ (iyn (Hl^uijj\ 1. SB. gluren, luis-
(IZYI SB. trofjo.-welzoo! wel nu, kom aan! O x ET? asn (UU) \ SB. zoeken of iets dat men wil teren (ajluisteren]; loeren op of gluren naar iemand of iets ; iemand begluren of beloeren
hbben of noodig heeft, ofiolom, aan iets te ook beluisteren; iets afluisteren, ook af kij-
komen of tot iets te geraken. (Ar: ken, afloeren hoe het gedaan wordt.
cirn eet 2^e (im (Hl \ S 77 7577 \ B. kleinkind. maomjirLiArix s G&i) 11 s & i^^(L/t£l^riasn/f\ B. kleinzoon. 11. SB. de korst van rijst, die zich aan den pot hecht, als men npKwixnrunS nfiaakt.
6^^(Vi/qfUi\S. !IJliasrli'lTil^\ B' kleindochter. (LH (Hl arm P \ Ar. uitroep: zoo God S E0
(tm (Hl 2 (HYl n \ SB. hevige zich van tijd tot wil!


58

o

(VW
s Cd

O

(cnar)(Kif)\

(Et) (Ki>2 P \ of nzn^n^xm^n^ $B. uitroep: ei!
Cv '
ei zoo!

O /?> /

nzn (Ki asnn\ S. en P. _b.,K7 asn/i\ B. n^:iKn\
' CJ Af u'

B. en B. L. aztiKnasnjp p. en S.

o x . /*

G-stsmm nmfl\ en mmiKn asn/p

mvdsv.) op weg gaan, op stap gaan; op-
breken om op reis te gaan of om een togt
te vervolgen; vertrekken. Als nznt&asnjp
beteekent opstaan en heengaan, is
B. (i&
doen opbreken; soldaten op marsch doen

. O , o

gaan- tuiten zva (3^AtK^cE7 asn (Toyjeri

asririw Bv: tnu7i(L^(M6.uiaSi\az)'~h tuien w tishen

tui qtuprj 011 (tn(tni ceiw ren

O O O O -j-r

00sn_iA^nren^\ zva. en a^anurpen %\\ verg.
en (vu \ en ep <&i A \\

7W

W(K1\ S. en en \ B. moeder. zn A en tui \
' CJl s

& Tnzc^^^x B. ouders; SB. als benaming

voor de twee bossen, die gemaakt zijn
van de eerste aren, die werden gesne-
den op het te oogsten rijstveld. Be-
paalt men zich tot liet maken van n bos,
wat dikwijls het geval is, dan wordt die de
genoemd. Zie ook bij enerp en

enwu^rC^ pleegmoeder.

/cn^'*?^V\ vroedvrouw; verg. tuim&w



icnM (ti(Si\ avondwolken. >m
s W

s. 3^ ? 17,7^<3 J=f!^ \ of 3(U7 UI i 77 J 7 7
B. duim. aznariQj^(K^\ S. 3 ei uitrui m
^.d..7^u^\ B. groote teen. £ienr\
S. &xm
zeggen; iemand moeder noemen. Verg.

6-SJ. TE. 7 \ en c3 <£7 w

cirn (^JJK1JJ\ SB. de as van een bufflkar.
Verg. Cuuuyjw

wm

s

(Ki (Kn fj\ SB. de harige vezels van den

07/
kawoeng.

(Kfi (^^2 C^iJJW eitfrjteijp S. (Htf^iasn/p B.

geld of goed van iemand leenen of te leen
r o O o

vragen. Pass. titnenant eian/p zc) en eienzn/px

(SiMtwa-np en als boven, aan

velen of bij herhaling aan een persoon.

o o o

& geld of goed aan iemand geven

in leen. De B. vorm ontbreekt. nqeuqm

o O

faieyp S. eiui^iajmen/p B. iemand iets

geven te leen. #. en^er^

eijp -5. geleend goed. en3t^/ien3tei
egp S. asnasH^nsnaryp B. de dingen links

en regts leenen, te leen vragen. SitAej
ageren 3 ttutjp regts en links geleend.

\ SB. hem, haar, hen, ze, het.

Verg.




59

Q



s B (U g^*

O

B. en BL. of zoel P. en B. en dan azi'-masn/p
BL. (dm ^(S^\ (cnrLi(c^2 Shnsnjp en <&
m -ma^/f\ mvdsv. [van meer als een pers.}
drinken; iets drinken; van iets drinken.

o

Verg.

(Cl 2 (UI \\ --- C7


iemand iets te drinken geven;

iemand iets laten drinken; Biacyp SB.
een leest te drinken geven.
airia 5 BhBB2(Hin\ (0^12n$niets iemand te

C7 (IOj (Hl;

drinken geven; SB. een leest

tovaof laten drinken, drenken, zooals aan
een rivier. S. (cydBBh(cr^^p

B. dranken, allerlei dranken; gew. SB. als
collect. lenaming voor likeuren, de diverse
likeuren die s morgens of eten zoor den gedronken. Verg.

tci Bntcp 6 BB. 2 (cijji\ zie lij (cn mi (hi/jw

V

zet? (Hl \ I. zie II- SB. de kam van

een m r.n r.njfw

n\ SB. iemand

(KM n^ 9

lokken, verlokken, verleiden; andermans

ledienden verleiden hun dienst te verlaten.

Q O v

ZET? z?J7 ZH77^ ZEy \ SB. lij wijze van spel lij het
laden, met de handen op de oppervlakte

van het water slaan.

ia£JP SB. niet ondeugend, han-
delbaar, mak, van paarden, luffels en
runderen; niet stout, niet ondeugend, van

een kind.

(EM 09 \ als aanhechtsel, in den zin van het

lez. voornaamwoord van den 2den persoon, in

het Bantamsche in gelruilc. K.

Q

ZET? 09 \ ong. (Jav. jaloerschheid)

(cnvp-noajp of (cnym ZVa.

(VI (HlVf^MtHT/pX

tun 09 asn\ zva. <3^a.B) 'd en xx
s

ZET? zy 09 (H1JI \ zie (cnmw

ZET? 09 ztot^ \\ BiBum/p SB. iemand trap-
pen, op iemand trappen; iets vertrappen;
pare, door er op te trappen, tot bangsal
maken; soeoek z van de schil ontdoen.

ZET? 09 z?57? 2 van een in het wild

groeijende lamloesoort.

(IZH 09 \ BB. lek van alles wat een dak

heeft, zoo van een huis, een saoeng, een draag-
stoel, enz. Verg. (cnauigw

(EM (VJ) \ BB. wil; de wil van God.

(Ar.

run w BiB\ SB. iemand vergezellen,
begeleiden om hem eer te lewijzen of tot
staatsie; voorts B. [verg. voor:


60

Sn 00? 2 itni ik 2

met iemand meegaan; mee iets doen,
in iets gezelschap houden; ook zva.

. I. zich voegen

naar het verlangen of den ivil van iemand;

II. als B. voor zie ook al-

daar; iemands zeggen volgen, op volgen;
instemmen met iets. imtfngbnjp een
of meer personen begeleiden, als maatregel
van voorzorg of opdat ze niet zonder geleide

zullen zijn; als bevelhebber troepen
de dragers van goederen begeleiden of convo-

.. Ck O ,

jeren. txnwjp zva. (mazim\en wat
iemand convoijeert of begeleidt. aji&m\
volgeling; de stoet menschen, die iemand
in zijn gevolg meevoert.
iemand begeleiden; ook voor: bv. dag in
dag uit loopen achter de dansmeiden.
,aznmazn£i aztM/p van bruidegom en bruid, van
het kind. of de kinderen, die besneden zullen

worden en van het kind dat

in staatsie worden rondgevoerd of rond-
gaan. Ze door hem,

die het xvn£
fLT) T? \ £. nwv of nji(dfi\ B. neus.
S J


<8 op SB. door den neus spreken.

07/1 (KT/ 2 07/0 (KT) 2 \ zva. v^nE^uwlieg. Tj.

s

Q7O7 \ SB. mondelinge wilsverkla-

ring omtrent iets, meestal en liefst in het
bijzijn van getuigen. om~

trent iets, zooals een schenking (hibat], de
bedoeling van een ook van het

(i(Lvvf(m\ (door den bewaargever], liet
(door den gever] of van het vermaken van iets
een mondelinge verklaring afleggen. (Ar.

o

rtSTl (KW 0SWjj\ I. SB. een lengte, bv. van sits,
gelijk aan de breedte. II. zie asmam 2^12*

07/1 (KW (W1 o \ of azo9rviajin\ SB. zuiver, vol-

s s

komen besloten van hart of gemoed ; van

harte, van harte gaarne; gaarne bereid.

(Ar. , Bi(KniQ2m\ of

v ' trci^b 6J J

bereid zijn het leven te ver-

amann
<*b

liezen. zich er in schik-

ken; zich er aan onderwerpen.

07/1 (KW \ onq. SB. iets be-

S CO y co

' kend maken; van iets mededeeling doen.
(Ar.

07W osr^ \ SB. die daar, dat daar, ginds,
gindsche.

zie bij ^snw

nzw (Sw 2 fff)? f) \ S. (i5na$9


{'77 (bil (KilJI \

61



(UT) asn (KYl n \ SB. Mal. eend.-

(El (UI (Uil ?(Un(Ul(f



Cl n Q O

(cn asii oen t
(Kii^\ spreekw.: de kat leeren muizen
vangen. p of vn& \ cent

voor cent of stuksgewijze verzamelen;
wat men in huis heeft bijeenbrengen,
om een gast te onthalen.

(irn Ul (n^J! x $#. de clitoris. nq (KJ) nq iji\
hetz. maar zeer plat.

V

/C71 asr^ \ S. e- kendbij.- rekenen. 1:77.17^ 7777 iDp $. tz-Jisi £-5\ B. in
aanmerking nemen; berekenen. $. ^(ish azi Mifl' B. berekening, berekening
zekere geldsoort ; het rekenen bij bv. duiten;
bij wij ze van. rekenen, de rekenkunst. ui 1777 ^77 in S.

(uie-jisiiaziM/p B. schuld; restant schuld.

II (UI 157*1 (177 > 131 MJI 3 ook M

(Cl (hn/l \ofe-~ ik? '77 7^ 7 a-n ~ji asii ca anp \ naam van
een lmoe, om door berekening te zoeten of
te kunnen opgeven, zvaar zich verloren of
gestolen goederen bevinden; voorts den dag,

die, gekozen als dag van vertrek, een reis

, O

voorspoedig doet zijn, enz. (ui (un azi w/p
of y (ei (uii (o wit (ui/j\ met behulp of door

middel van de lmoe (uuui (ciw/p aanwij-
zing doen van de pliats waar zich verloren
geraakte of gestolen goederen bevinden; enz.

90 jjQ?lK1/lx beter : icr^ anfl

enz. waarzegger.

ftSTI uitroep van afkeuring of onwil.

azn(Wl\ 1. Ar: eigenn. Jezus. II.

SB. het gebed in het eerste derde gedeelte
van den nacht, te rekenen van het tijdstip,
waarop het laatste avondrood verdwijnt.
Gemeenlijk wordt het verrigt om zeven zeur
of half acht. Ook dat tijdstip, zeven uur
s avonds of wat later (Ar:

vn(£n (Ki n'

S UI



(un Oki \\ (ciS^\ SB zich een weinig ver-
plaatsen, van zijn plaats opschuiven.
(BiZifnu^x iemand zich een weinig doen
verplaatsen, van zijn plaats doen op-
schuiven of verschuiven; iets zooals een
meubel of een hziis een weinig verplaatsen.
Berg.
a^n van aan~

breken van den dag tot aan het tijdstip
dat men, doelend op het hoever reeds
gevorderd zijn van den dag, kan zeggen:
oi?i9a-77\ s morgens, s ochtends, in


CY

t:n ui (Ki \
s WM

62



de vroegte; ochtend, morgen.

wjuyi morgen. .t? ? o itw \ of
S m i nq ui un op morgen; morgen.

/b? .rma^!Knji\ van af vroeg in den mor-
gen; van af heden morgen vroeg.
(vmnjjMjx den volgenden dag; den vol-
genden morgen. r.no^j^iSnrn\ s ander
daags. s morgens in

de vroegte. van

morgen in de vroegte.

zie bij ijt?(biticrnzie bij

O Qv

jz/is/iw

C/

azn

Alexander.

school; ooZ; school gaan,
en bij iemand schoolgaan, dwz. van hem
educatie en onderwijs ontvangen, het noodige
leeren. (Port. escola.)

asrj^ ~~ zva. zie dt



zie^^^uin^uiw

zie bij tzn w - azn \ zie bij 6-za
o O O t.. r

arn .ui ui ti crn nsn/p Zie bij £-~
\nsu

zet? 2 CVJ \ SB. klagen; een klagt indie-
/

nen. (Bng. story.) SiuMmYww/p tegen
iemand een klagt of beschuldiging in-

brengen; iemand verklagen. uiunuty^i
klagt.

ZC7? QQ ( (UI (Hl f) \ zie vnnn. ukhiiw

o

/Eli Z 007 \ Holl. strijken; SB. strijkijzer.

iets strijken met een strijkijzer.



ZE77 / (UI 2 (HU Holl. instructie.

S

Q . ~

(&1 z (UI (&1 (Hl fi \ Holl. stuurman. r,

S 7

uk&mJP op een schip als stuurman dienst
doen; een schip als stuurman sturen
diui^P)m^2voor iemand een schip als
stuurman sturen.

ncrn 2 a^jf Holl. stolp; SB. hang-

stolp, lantaarn, zooals ivordt gehangen n

de voor-of achter gaanderij van een huis.

ncm (Ui (EJ1 arui fl \ Stamboel, Constantinopel.
s (m^Cqj oJl

ZUW (UI fl\ &B. het Islamisme; de gods-

S

dienst, waarvan Mohammed de stichter is;
den Islam aannemen; Mohammedaan zijn

of worden. (Ar.

iemand tot de Mohammedaansche .gods-
dienst bekeeren.- rn mmjp zie bij & oojfw

(Ul (UI \\ (Sim\ S. uwm?' B. zich wasschen
S kn '

na een waterlozing.

o o

(M) (M \\ m ui \ S. w 7z? 2 *t u (hnjlx en

un/f\ zoomede
B. zijn behoefte doen; ontlasting hebben.


a~n (V) asnflw

63

ccn truazh \

unimrup lietz. maar zeer plat. Si Si cm
nsii^ of SiSnufnt^aSi^ bloed afgaan; bloed-
diarrhee hebben.

/KT? #J? (ISTTJJW Si tui uii^x SB. een vrouw of
meisje stilletjes uit huis weghalen, scha-
ken ; van een vrouw: een man meetroonen,
verlokken haar te volgen.

V ...

/KT? dj^ \ SB. de eetbare jonge spruitjes van
awi. Verg. bij

/KT? w $. B. (van of met betr.

tot een aanz.) meedoen in iets; meegaan met
iemand; iemand volgen. Sin^ lietz. en
deelen in iets; me; deelnemen aan iets.
enwnjp mvdsv. (van meer als een
pers.) (unJwSinjSitnj^ SB. zich heelemaal
buiten iets houden, zich op geenerlei wijze
met iets inlaten Srci 2^(171^ SB. iemand
bijvallen; de partij kiezen, van iemand (met

woorden). S S SB. zich ergens

onverzocht of ongevraagd mee bemoeijen;
zich mengen in iets; zich in het gesprek
mengen. SB. twee handen

op een buik; twee handen op een buik
zijn; het eens zijn. Perg. ojiiKnaznasn/i*

/KT? (TUI 2 \\ Si.ru2\ I. SB. iets zooals een brief
dien men heeft geschreven, overlezen, om

de wettigt gemaakte fouten te ontdekken en

te kunnen verbeteren. II. (een mooi of

hoog woord voor Beg. Tj.)


/kt? arm nzn \ zie m /i7n w

Q

(izn crui W Si iSi (kti^ m^S. (Hiazi (Suli/i d-ngj \
B. iets bekijken, bezien, bezigtigen.
^rLiii^piTrifrSitia^^ links en regts rondkij-
ken. <13^rui00?nSi tKYi q\ of xnrua^(rSiarnji\ iets
met alle aandacht aan alle kanten bekij-

. O O o c Ov o O

ken. --- S? 1OJI 1711 (KI 2 (KI 1\ IS, (UI 071 031 KL) (Ul/l (KI 2

(170KV

<*21' ook wel (7'iSi(i3i^uuKii2(hngf\ B. voor of
ten behoeve van iemand iets bezien, bekijken.

/KT? OOJl a5^J! \ zie gruiasn^ irn rui (iSnjjirn trui

asnji\ SB. de evenaar van een weegschaal.

(KT) aj) \ Mal. SB. behuwdbroeder, behuwd-
S

zuster.

/KT? S (bnj!(un (S^asn\ zie bij <&(Ki/f \\

/KT? /K?7^ \\ Skl^ikiiji' SB. te kiemen
leggen op een kweekbedding, om later
te verplanten. kweekbed-

ding. pepinire. Verg. (Slo-ruw

O

/KT? OJi (KYi <> \ of 03na^ii\ SB. het geld dat
bij wijze van de kosten, bij trouwen wordt
betaald aan den priester. Verg.

azrifSl Mjp SB. dun; gedund van strijdende

. /o O , . O

troepen. [(Ui (ur^cui U112 (Ki^G^i. cn ui { cm2


rm ,ta q \

64



mijn par is zoo goed als allemaal
gesneden; of ik heb maar weinig meer te
Snij den.
mijn te veld staande par is verduiveld
dun uitgevallen. Rg. K.)

(U) (UI \ Arob. SB. de tijd, t. w. drie maanden

en tien dagen, waarbinnen een van haar man
gescheiden vrouw niet mflg hertrouwen.
Maar met toestemming van den priester wordt
deze tijd, mits de vrouw driemaal de maan-
delijksche reiniging ki eeg na de scheiding, wel
eens met een paar dagen bekort. Zie ook
er AQ % o tui vmj] \ bij nji mi mij] \ zoomede azi'riaej^

(UW (UI x toestemming, verlof, ver-

gunning, permissie: ook permissie of
verlof hebben. (Ar: 05^*

zijn toestemming geven; vergunning ver-
leenen aan iemand oftot iets. n orn ^nj]\

mogen, toegestaan worden of zijn; verlof,
permissie hebben o/krijgen. o.itw(Si w/p

O TT O O O

zva. opiioi (Kj/]w rerg. oun en mmi^ .

(UI) (l \ SB. een eenmaal rond, zoodat men
S

terugkomt bij het punt van uitgang; omloop;
rondte in den omtrek; omgang zooals van
een stoet. BiSix rondgaan, rondloopen.

&(ia£ri2(inji\ een mensch of een dier rond-

leiden; met iets rondstappen.

CY o CY(C cv CY

(tv\ zva. >1^1 (Lm (lZl!Kllg(KI/]\\ Om(lClOST10(n^l(KTJ]\

Y' CY j o CY o CY

en (^tciorn:Lci\ al ClOOl^itJW----- (U1hsh<3^attji(L(ji\

mvdsv. van tiQ>\ (van meer als een per-
soon.) toeroep van den drijver van

een ploeg tot zijn buffels, als zij zich moe-
ten wenden: wenden!

circulaire; rondgaande brief; brief, die
van den een naar den ander wordt ge-
zonden, om zoo allen, die van den inhoud

moeten kennis nemen, daartoe in staat te

stelden. Berg.

acn ^^enn' Henoch.

71
S

(ICl (U) CYJ (ld \ zie t^/y](ru\S

ong. (Jav. Sn&\ een enkel) Verg.
een; man tegen man vechten.

s

(lu \ zie deze uitdrukking en de toelichting

met -nxrp bij m(crynfi/]\ II.
azn flK* SB- afkeerig; afkeerwekkend;

een afkeer of afschuw hebben van iemand of
iets; walgingwekkend; walgingvoelend.
Ban een plaats of plek waar het bv. vuil is,
en daardoor walging of afkeerwekkend is, bezigt
men gem. den mvdsv. ^^SiSajij]^


om (Lm\

65

am o \

nzn(ULB2\ SB. deze, dit, deze hier, dit hier; dere) vertrekken, naar een verwijderd
ook: hier; zie hier; t. w. in antwoord op oord of ten minste niet zeer nabij gelegen
de vraag waar men, een ander of iets zich plaats; een eenigzins verren togt aanvaar-
bevindt. Bv. Antwoord: den. (SiiLtiit/ng (hnp\ of (Si (uuiiKnzMjiy (van
drnaSgw Voorts bij liet iemand beide het Pass. (Sirmajiiafn2iKip\) S. Si om 2
iets aanbieden of geven, iets brengen enz. & x (Pass. a3 En nrnaQ?\ eindelijk ook nog: ik; ik of iets doen vertrekken, afzenden, ex-
hier; als de spreker doelt of wil wijzen pediren.
op zijn toestand of gesteldheid of wel op (Un (EB S. ^2^02(^1^12(Kgjt' B. (prekende
de omstandigheden, waarin hij verkeert. tot een meerdere van eigen huis of van dat
Verg. OS79 (UL/) 2 I. zva. II. uitroep van wonig, woonhuis; ergens wonen; woon-
angst of schrik. achtig woonachtig zijn. $nsncm\
(Cn (UU^^ \ SB. schaduwrijk, schaduwgevend, schaduw geven; koel, door lommer of scha- of -rj)'&w>asnmx SB. domcilium; ergens zijn domicilium hebben; huis en erf; huis en
duw of wel omdat de lucht betrokken is. hof; eigen huis. (Verg. roemah tangga,
schaduw zoeken onder iets; bij Pijnappel, op roemah.) S.
zich in de schaduw plaatsen of in de en pjfj m wp & een eigen
schaduw zitten van iets, bv. van een boom. huishouding hebben; getrouwd zijn.
tSjnjLj^na-n/p iets in de schaduw plaatsen. X . X o am asr^ rm (ui ; zit (ei % \ zie bij Verg. 6^ t^am/fw . . 7.. O . ' o O a.jt2\ zie bij an dJi 2 d sw <&u> mi r'n 011 m'
nzn (LM (Kfl \ en mji zie .vn en (isgjw nzn(UV)\ of (iiAa\ s. inLima^x P. (sprekende ziekenhuis, hospitaal. S. aziazySuu.io-njpB. iemand eribep. aan zijn vrouw, tegenover de laatste is men het verpligt, huis-
tot een meerdere van zich zelf of van een vesting of woning verleenen; een stuk grond,
mindere.) (&Vn\ B. en BL. (van een meer- bv. een met een huis bebouwen.


nrn (ei a-n^ \

66



(Si om tLifctmgMfl' S. (S)(L:rji)(3^? B. huis droomen; iets droom en. 0 3 m a-n/p
of woning bestemd voor iemand {een of (ut Si iei J? cm) wjp S. nrnvjtEn^nnn/p of bepaald persoon.} rm (Stam (Eiq&hg n^\ $. ft] (En-Jt(k^iki/j\ B. droom. (KnnmoviSix (Hnxm
enz. hout, bestemd voor een huis; hout, a O 0 0 O o (En-vinnignn/f\ oj (Ei^inm (En^i(Kiig(Kiji\ o.
waarvan het huis gebouwd zal worden. ncn nrn aq (En~j) nn(}' cun nrn y iei-j) mJP of nmnrn
(K/t rm eji y rtJt rm El ^(m\ S. M xnr^ (Si (kji rry 1S1 nn B. vf(En^naojixm(q(En^i^g(i2/p B. door iemand,
een ieder in zijn huis bv. gelaten worden. in den droom, gezien worden; hem in
nzn (EJ) (KTjj \ Ar: het geloof. rSt ZCT> S? 2 a5^JJ x volledig;zonder overslaan ivn/p bijeen, bij elkander. Jav. TVdbk. Mal. himpoen.} <^Sn (Ei^n^M/pofnmS,
of overtelaten; in allen deele; en zoo: met SB. vergadering houden. Verg.
de grootste nauwkeurigheid van ondervra-
gen of onderzoeken; schoon, van wieden; (E/l <*J! f wel en z gewoorilijk,
voorts van inzamelen of plukken van vruchten: B. (uimarig (ui/i \ B. afgedaan, af betaald van een
zonder over o/achter te laten; van scheren: geldschuld. SKEi^naSgoa/p een geldschuld
zonder wat te laten zitten; enz. afdoen. Verg. (n^w M/fw
(SirQg&iitMT/ix nalezing houden, zooals van ZZS77 (ESI \ ong. nomm (Ei-j^azi (hn/f\ SB. aan-
katjang soeoek, hoewi, enz. op het geoogste gehangen worden door de menschen, bv.
veld; ook van pare, dwz. de aren snijden, omdat men is een goed -vorst. Verg. bij
die bij ongeluk bleven staan of werden neer- arn (Ei en (^pji w
getrapt of wel die men liet staan, om eerst (UT) CEf! x de voorganger in het ge-
de grootere te nemen. bed. {Ar.
nzn CEJl asr^jjx S. rqz-azjl&yp B- glimlachen, (unam\ SB. rib; ribben, s
grimlachen. (l^n (EJl \\ (Si (En Bt \ s. (Starf r&t-utavyp B. om cm n^\\--Si&injip & tan- dakken; op inlandsche wijze dansen.


rn cm 2 cmjjw

67



(O rrt cm \ of ajimm cmrui/j\ 077 'ritrt\ of borgen, is 0777,177^ o o?-n\ de meer gebruikelijke
'ftxix mvdsv. (^cmtru^a^p S. flSo?n t//t^x benaming voor die bossen of dien bos.
B. dansen met of tandakken met een Cl^ dauw. Verg. (uuBimjiw
dansmeid. Bimrwianjp S. Si.'S'o^do^^ of K.) in den dauw
B. laten dansen (zijn gasten of de aanwe- leggen Gazetten. bedauwd.
zenden in de gelegenheid stellen te tandakken). ZET? zet? \ SB. schriftelijke kennisgave, over-
BtcmuQg(K).S!^)\ S. enz. met een zwaard in gebragt door een bode, van iemands zul-
de hand tandakken; ook bijv. te paard ge- len komen (van elders) op een genoemden
zeten, met een zwaard, dat men in de dag. nsn^urnrrny hetz. Voorts (rcnxm\
hand houdt, de afgepaste bewegingen ook de persoon die gezonden wordt om
maken van arm en hand bij het tandakken. ergens berigt te geven van iemands daar
o a. t (7) o O Knccii(Km^ajt^^2(ui(Ki^\ enz. (Cl cm ri^^vj cm\ zullen komen. BiSr-nn-n/p door middel
S. B. dansen, zooals op een van een 0777.177? \ kennis geven van het zullen
feest. niirin^KnomruMji\ al tandak- komen ergens of het zullen terugkeer en van
kende; dansen en huppelen. ZET? cm 2 2 ' SB' iemand, op een genoemden dag. Verg.nStn^ Ar: A.bra-
weer op de been zijn, terwijl het loopen ham. 0777 [ 1777 fb?7 .t'7 ^/?7/i77 cfa zu \ naarn van
nog voetje voor voetje gaat, van een her- iemand, beroemd om zijn gastvrijheid en
stellende zieke. Bg.K. ^ in beweging zijn, zich bewegen,, staan te in de Jfakota sagala radja radja f zoomede
schudden, zooals van een op een bamboezen vloer in de > Boenga rampej.
staande lamp, alsiemand zich bij die lamp neer zet. ZET? ZET? ^yi aS^J!X u^egging, verkla-
(im (im\ zie mictb\ en anixnnx:n\ zie S f) ' M " " ring, beteekenis van een beeld 0f beeldspraak;
177 0777 \\ 0777 (C1^ CU fq m \ zva. bedoeling van een fabel of vertelling tot
(uniuw Vooral als ze na in in statie naar leering; zinnebeeld, voorbeeld, gelijkenis;
de vpKnasnj^ te zijn gebragt, daarin zijn ge- gelijk; als; (Ar: voorts met


o

68



(kjja^nnmmnm/}\ er nevens: gesteld dat. ZETT (ln 2 dikwijls af gekort tot
Sixmm^uanji^ iemand of iets bij iets ver- SB. of zooals ook wordt opgegeven. S. met
gelijken; van iemand of iets iets zeggen met B. bemoei u niet daarmee of met
behulp van een beeld, in beeldspraak of hem of met haar; laat hem aan zijn lot
met een metaphora. a^^2cinji(vmc^imasrip\ over; laat hem zijn gang gaan; laat maar;
iets gebruiken als een beeld of zinnebeeld. laat maar blij ven A xQ* \
ZETT ZCT> Zl^T^ \ zie nzri (i^l (Ml [J \ Ar. pjuJL^ eigenn. van den S c7/ > och, onnoodig, laat mij maar blijven zit- ten, waar ik zit, zegt men wel in antwoord
duivel: Satan. op een uitnoodiging om een lioogere plaats in
zet? zet? (KB <>\ SB. godsdienst, godsve.reering; te nemen. In verhalen bezigt men ook wel
(Ar. 'z'JS'} voorts lep. voor het gebed of (citfntM/p bij het verlaten vaneen onderwerp;
de gebeden verrigten (omasn^ en voor zoo: en nu maar zich zelf overge-
aalmoezen geven, weldoen, als lat en! Zwijgen we van! S n\ aan
door de godsdienst opgelegde verpligtingen. zich zelf of aan zijn lot overgelaten worden;
ZET? (i \\ van een pauw. II. &ci\ azi^ (3j=A.^Ci(ui /i\\ e~.asn x< n^itui n£nt on n <3^A.fn tui e-. -y' cr 3bco
tw>7\ en (cicnmiiqnrti^ zie big vn crnrui y\\ bemoei je niet met dien man, laat hem.
ZETT \ I. een aanhechtsel; zie de gramm. II. v X' X / o Z' ZETT (Kl \ en ei \ zva. en on \ en aonw S, X
zva. aS\ II. Verg. mw (enten a^(zi/j\ SU Q (Kl (Kl crnjjxx aAonicrnjp SB. op een draf
ook per, bv. cntcn^&i^asniu^a-njix per jaar. loopen. 6.I>HKncmji cchdniarrtjp nu hier heen,
III. (als een afkorting van het Jav. voorn. dan daar heen op een draf loopen.
van den eersten pers. aanhecht- ZETT ZK77 (Knjj\ zie bij 0? 7/77,77x14 707,7w
sel in den zin van het bez. voorn, van den v v Qu ZETT (Kl \ zie onioniw S
eersten pers., maar zooals men zegt slechts in ZETT (Kl \ SB. onvertaalbaar redewoordje, voor
(3~iA(ma?ti\ bv. -motAx op rui q mi asr^ (K^ttsnrui /£7O\ om het van het nemen over gaan tot het
(Kij aj) (Ki yw (li vi\ af te beelden. Verg. (d^w (Leunen (Jn\


. o
arn

69

(rfi crn2\

weer terugloopen met iets beladen, heen en
weer loopen tussclien twee punten, bv. heen

en weer van liet huis naar de keuken,
ccifl \\ SB. iets opsnui-

ven, bv. de eau de Cologne, waarmee een

zakdoek is bevochtigd, of zoel het zvater bij
de wassching voor het gebed.

mvdsv. (bij herhaling opsnuiven.\
om S-B' wijnruit e)l asa foetida.

Engelsch; de Engelschen;

Engeland.

rcTi cn^ crt^^x SB. knikken.

(ciiarr^(up/ia.jinij(Kna2Ji\ al maar door of her-

I

haaldelijk knikken. Verg. jtfntfwjp en

ts Q

OS71 cm duchten, iets duchten;

vrees hebbeD, bevreesd zijn; iets vreezen;
bezorgd zijn dat iets zal gebeuren. xficm

oji asiian X.) (isn Jn a?i oj),q\ spreekw. voor: buiten-
en (J o-

gemeen of boven alles duchten. Voor
de vertali?ig van de spreekw. zie bij

. Ci Ci Ci

asppw apjruiq a?n cm Mncii (Mrrpri e&ibnrq iti \

of in plaats van dat laatste

cmwjp Spreekw.: je moet je niet, door je

allerlei schikbeelden van hetgeen kan ge-
beuren voor den geest te halen, angstig

maken. tq w aj^ m1b1 ,rL1 irspjj

rn^ Spreekw.

Sgn. met deze: (uh-r^ (Ui ^ic>^zc^vm2cm^cn

omd. i.-de mensch moet altijd,
met het oog op alle mogelijkheden, op
zijn qui vive zijn. beducht-

heid, bezorgdheid. G^mcmw/p mvdsv.
van en zva. acii cm ajgjwG-^mmcmajgp hetz.

C) 2 \ SB. schudden, trillen, heen en weer
. gaan, zooals van een huis als het stormt
of van den grond bij een aardbeving.
accm2(icm2\ of x doen schud-
den of trillen; aan iets schudden, bv. aan

den stoel, waarop iemand zit. Verg.

o cy

(CiMcrryp G-zA2OfJ2\ en cj!cnp\

nzn 03^ W ia^\ SB, menschen of dieren hou-
den, onderhouden, er op nahouden Verg.

en iemand

den kost geven, geven wat voor zijn
onderhoud noodig is; een kind, dat men,
bv. omdat men zelf kinderloos is, wil aanne-
men, maar dat nog te klein is om van de
moeder te scheiden, al dadelijk voor zijn

rekening nemen, dwz. al de uitgaven, die
er voor gedaan moeten worden, voldoen.

Verg. m 'n .ro> wjl l?C 2




70

o cv o i cv

(CV (C^ d 2 (HTfi\ Oj dl 2 dl (C^ (Dl 2 0^, OJ WQb dl2dl

o O o o * 7

o^zk^it zva. dimddi(c?\ a. I.

van eeu dier: om te houden, om er op na

te houden; ook: een dier of diersoort om te

houden, om er op na te houden. Bv.

o . * o O

oji 2 q o rui di d m ijyf tcv (cy d 2 dj) \ oji .di dl 2

di run tu d/) \\ tcv (d 2 dj)zrv d 2 dj)\ dier, dat
voor vermaak of om andere reden wordt ge-
houden; de beesten," die iemand houdt,
of er op nahoudt. z~v (c^ddjd\ soms voor'
het verzorgen (op zijn tijd schoonmaken, enzj

van een dier, bv. van een paard, dat men

houdt. Verg. bij rjnjdw

V C>

/KT?/137 me^ c-'(l^\B.en£-.^(cvji\ BL.

of met c^nci\ als hetz. en ^(^nsn/p B. ofwel
met sv/p P. en c-Sui^ B. indachtig
worden of zijn; zich herinneren; de her-
innering bewaard hebben aan iemand of

. iets; aan iets denken; gedenken; tot be-
wustzijn terugkeeren of teruggekeerd zijn;
bijkomen uit een flauwte; tot zich zelf
komen en zijn gedachten verzamelen;
ontwaken uit een droom, of na dinjdi^
Ook nog: er aan denken, in het

hoofd of de hersens krijgen om iets te doen.
.liViZTn 8(unj)\ S. met d>2£-dc\ en a£n t £^(&h nsrgp

als bov. niet denken of niet indachtig
zijn aan iemand of iets; ook met
nfn2cv 8(unj).cv 8asvjj\ S. enz. er nevens:
zijn bewustzijn verliezen, bewusteloos
zijn. het laatste ook ijlen. 182^ (rui, SB.
gek, krankzinnig. S8a^8asv^\ S. met
op iets zijn gedachten gevestigd hou-
den; iets in gedachten houden; en zva.

o O o Q O 7 1 o. O

dda^dz>v2djp zie hier ben. dddidjp,
8. met dzei davjf\ en rfd^d^dp als
bov. iemand iets in herinnering brengen,
indachtig maken; iemand waarschuwend ra-
den. d8Si2d^\ 8. enz. op of aan iets
denken; iets zich voor den geest brengen.
d 8£y 882 d/p 8. enz. iemand of iets zich
in het geheugen trachten terug te roepen.
ruv 8asv^ dj) \ 8. met e- irui d dj) \ en x

als bov. notitie, aanteekening om zijn
eigen of de memorie van een ander te hulp
te komen; gedachte; bewustzijn.
^(cv^di8torum/p nota; aantooning; ge-
schreven opgave, zoo als bijv. in een zout-
pakhuis van de prijzen van het zout.
(Kvdi8(cvdjp 8B. gave, geschenk aan
iemand, zooals een vriend of bloedverwant,




71

als een stoffelijk bewijs, dat men hem in-
dachtig is. (ei(Ki(j\ of fq^cn(EJ^asnan/i\

SB. de persoon of zaak waarop iemands

gedachten steeds gevestigd zijn. ---------- (UIVJiKTI

<£\ SB. iets tot aandenken; gedachtenis;
iets, wat in de herinnering blijft of wTordt

bewaard.
als een wasijat: door iemand worden voor
oogen gehouden of zich voorgehouden.
o^fl7.r2z^(C.r2/\ SB. souvenir, aandenken.

(ui(Tj(ui(TL/\ SB. aanzegging, aanschrijving

Ov

en zva. (UiaJiasn q\\ irfiEavf(ui(runctM^\ aan-

schrijven, aanzeggen, kond doen; ook zva.

.0 .0

tui (ui asn qruri (Hyj\\ arn (uiasn/j xm (uiasii~ji2 (umx

SB. maar volgens den Reg. v. Tj. S. met

mmm tuic^(tii\ B. op dien leeftijd zijn,

waarop men nog te jong is, om iets als
een blijvende herinnering in zijn geheugen
optenemen. (uiazn&asn of voor zooveel ik mij kan herinneren.

*?>'8 asn^x fu\ en <3^i n^^n^(unji\

mvdsv. (van meer als een persoon) van
(dn fcn asnjj\ enz. an m 8agj 8<8? iki j\ mvds.
van 88^882 (van meer als een

persoon.).

(vm aziQJl n\ SB. droes.

S. (^kn.ruyp of 8,?a7^\ B. luiden,
inhoud, zooals van een brief; de woorden of
hetgeen gezegd wordt aangaande iets in een

zeker geschrift; van de stem van iem., die

terwijl men hem hoort en verstaat, zelf on-
zigtbaar. blijft: spreken, zich laten hooren;
van de woorden ergens, zooals in een brief
of geschrift gebezigd: zin hebben; van
letters of schrift: leesbaar, te lezen.
(un2(c^(Si<3^A!Kn(ki\ tv. van een brief: on-
leesbaar, niet te lezen. (ukkio^ikkuukki/ix

SB. ergens in een geschrift gebezigde of voor-
komende woorden; uitspraak omtrent iets,
ergens voorkomend. g8,rw^x

lietz. zie bij

~ kven een

vuur houden of hangen, opdat het droog
zal worden; vlechtwerk, opdat het niet.weldra


72





aangetast zal worden door vernielende insek- loeloeb
'ten, berooken. en derg. tot tali ineendraaijen. Zie ook
hert. Verg. (lm [p\
huppelen en springen. aWlJ' ~ SJB-
ggj.TT.^'r) gemakkelijk als het hert zijn (groote en paarden voor een rijtuig of derg ; achter
zware) hoornen draagt, voert ge d kun- elkaar, bv. van de rijtuigen van een trein.
digheden, die ge opdeedt, met u om. f
(td \\ SB. verbit- nSiwjp het een voor het ander gespan-
terd zijn en zich zoeken te wreken; nen worden van de paarden voor een rijtuig;
op" wraak zinnen. Verg. SdniQamtHw/p achter elkaar gevoegd worden van de
osy^JJI 'can 9areni zijde.> enz. ook haarvlecht, de staart van een Chinees. waggons; enz. V
npn^^nru^x van drie draden gevlochten (IS) (fd (3 ^fb(bd \zva. (ui(riji(3.fr(Hi\zie dat bij (ui-ri/iw li x>u J 6
vlecht. enz- bijv. van asr^ voor(^ee^ geluk; voorspoe-
een zzceep. vlechten, strenge- dig, door het lot begunstigd, voordeelig,
len. 707 king om laksa te beteekenen, waar men op (vniinif) groot, belangrijk, aanzienlijk.
verbloemde wijze wil zeggen rurKv^wx of voordeel, winst verdienste op
o IKT) ru (HTI ^A!K1 (KW 2 iets; winst dien men met iels maakt of die
" "W w SB' groot spreken> bluffen, veel praats hebben tegenover iemand. ergens op zit; verdiensten; voorspoed. winst en voordeel
lusfc en moed f courage stroomden hem van regts en links toe.
tot iets, zooals om iemand te bevechten. (Kw,r? a^s het bijzonder goed afloopt
ffyw/p aangedurfd, gestaan worden door (afliep); nog van geluk mag (moet)
iemand. Verg. MiKwam^w men spreken. het voordeel,


73

cv

T) (HUW



de winst, r. de winst, die men met zekere koop-
waren dacht te maken; ook: de het meest door
het lot begunstigde. <8wnp

iets, dat voordeel of winst zal afwer-
pen; winst, te maken op of met iets. -
voordeel aanbrengen aan ie-
mand. hetzelfde lot deelachtig;

gelijk op deelen in winst en verlies.

037 00^2 \\SB. bladen, kruiden, die

bij de rijst worden genuttigd, in liet
algepneen alles, ivat men onder lalab begrijpt,

zoeken, inzamelen.

03? 00 \ SB. weggaan, zich verwijderen ;
X CJb

van een bediende: uit den dienst gaan, ont-
slagen worden; uitgeven (geld}
zich verwijderen uit de tegenwoordigheid
van een meerdere; vertrekken, terugkeeren;

achteruitgaan, achteruitwijken.

x

(LH /rui (Hi \

/ O

mvdsv. 1 ^2-V WM&nd, k een vier-

voetig dier, zooals bv. een paard, achteruit
duwen, achteruittrekken; een kast, taf el of
derg. achteruitschuiven, achteruitbrengen;
in laatstgem. zin ook van een huis, paardenstal
of derg. Pass. aS 1.^2 ?

arrp een onderhoorige ontslaan, zijn cong ge-
ven; een zekere som uitgeven. Verg.

a}1 KTi $b(£/l ' spreekw.:

de Scylla ontwijkende in de Charyb-
dis vervallen; zoo wel in het eene als
in het ander geval het gelag moeten
betalen of er bij zijn.

037 037 (Kl \ de Myrmeleon. Rg.

GJl^ Cdl

(^^(Kl^Jt/^ (bJJJj \ zva np'r^dji^^ffw

(Ki GE/ijf \ SB. rijstmaat van klapperdop,
zooals men in de huishouding dagelijks ge-
bruikt. Verg. xQ^ihiijw

037 (Kl \ (Jav. algemeen bevel of veror-

dening, algemeen bevel geven.) a^-nasnj^
a^oemeen bevelschrift, alge-
meen e verordening, geschreven of gedrukt.

nainsnurn1 staatsblad.

03/'spreken, zeggen tot

een meerdere; zich wenden met een verzoek,
mededeeling, enz. tot een meerdere; iemands
spreken tot een meerdere. Zie ook (L^aj^arSip\
voordra&erb niededeelen,

zeggen, van iets kennis geven aan een meer-
dere; ook sprekende tt een meerdere: ik
geef kennis, dat, enz. Verg. ^(i^trSi^itfng
(Hi/jw tuiwat iemand in een be-
paald geval tot een meerdere zegt; ver-
doek. Le^s (een l)eP' zaak)


ru)M trmjjw

74



voordragen, mededeelen aan een meerdere.
als B voor flS^^fz/KT^xiets

(een bep. zaak) om mee te deelen of dat
men wenscht voor te dragen aan een meer-
dere. -- & (HTJI\ Tietz. (Kil 2 (tpMlJp

ook omiur^^a^n\ imiurntiptw \ en tKrjiur^t^itfn^\

in opschriften van brieven, en dan voorafge-
gaan door ajiaju^amjp of zoo mede

gevolgd door en volgend woord voor: behoorende aange-
boden te worden aan; geadresseerd aan.

goederen trans-
porteren, bv. uit een schip naar den wal.

Be pass. vorm ook (3t aru^

O n

ten (^2 c^ijiw -------- ten2(Kiaptuj (Eft/i

0-0
sr ffo? Zie (rm nw (£i/]\\


\\ groeten, begroeten, zijn

eerbiedigen groet brengen; afscheid nemen;
iemand eerbiedig begroeten en hulde bren-
gen, zooals aan een regent, bij zijn instal-
latie, of terwijl hij zich in de moskee be-
vindt bij gedegenheid van het geindigd zijn
van de vastenmaand. Hij, die

neemt de regterhand van hem, die begroet

wordt of van wien hij eerbiedig afscheid

neemt, even tusschen beide handen en maakt

vervolgens de B het een plegtig

eerbewijs, dan kust hij ook de knie of den
voet van hem aan wien hij hulde brengt.

man/p zva.
een minder mooi woord; ook: een groet
wisselen met iemand; elkander groeten,
elkander begroeten, bijkomen, of gaan,

tw. door tegen overelkander neer gehurkt de
plat tegen elkaar gehouden handen vooruit
te brengen, tot men eikaars vingertoppen raakt
en vervolgens beide de te maken.

mvdsv. (van meer als een pers).
Zie ook gp bij

ccjm on \ zie jN^-vnaw zie y-c

o

gjj,

2T zie

as? (^iaspjlx zie ^ a^ijisn^w

0^ losgaan, zooals van een

touw. X. Verg. ver-

keeren in een toestand van ontbinding, van
vleesch, vruchten, enz. uit elkaar vallen
van een boek, een huis, kleeren, enz.
iets ergens uit doen vallen,

uitstorten, uitschudden, naar buiten doen
komen; rijst, kojfij of zout uit een ka-
roeng, gras bv. uitten mand storten, schud-




75



den. ontijdig, alvorens vol-

dragen te zijn, geboren. Rg.) Perg.

niet stevig in elkaar

zitten, bv. van een boek.

Z'rzjl' zie

& iemands spreken of zich uit-

laten; spreken, zich uitlaten. ayw a-np
8. van iets melding maken, over iets
spreken; SB. in xy o anrr u \

de twee zinnen, waarin de geloofsbelijdenis
der Mohammedanen is vervat uitspre-
ken. oJitKn Mg (Ki nu (Ei ? M cunw asn fl\ hetz.

t KC (Hij 5

SB. wordt verhaald; wordt
vermeld; wordt gesproken van. mm

ojijL/iio-n/p hetz. zva.

X

nsn^nx en

(KJ QJ) rtS? ^J7 OZl (tnjl \ $5. zittende, met de

beenen heen en weer slingeren; gezeten zijn
met de beenen hangende.

O V Q Qu ,

OH \ SB. kat. zie bij

nq g fKTf^

\ SB. met een straal neerkomen; uitstorten,

doen neerkomen vloeistoffen, zoomede iets als
rijst, koffij, zout en derg. Alh redewoordje
voor wpl 3 t xai^i un /hQ2 (hn^ \ en

is het niet terug te geven.

27 \ SB. afdrijvend, zuiverend van spijzen
en dranken, die als geneesmiddelen worden

gegeven. collectieve bena-

ming voor de verschillende middelen, die
de inlandsche kraamvrouwen gebruiken
voor het zog en de kraamzuivering.

(IA £5. zeker visclituig^ waarmee men

naar aal visclit. Het is een kort, niet aan een

hengelroede bevestigd snoer, waar men een worm
aanslaat, en dat men vervolgens, visschende, als
een geiooonhengeltuig in dehand blij ft houden. K.

osy)ji\ p SB. of S. iiyasmasn/p B. ader,
pees. II. SB. met ostij \ er nevens: de

naaktheid, de schaamdeelen. (Ar:

\ SB. overblijfsel, afkomstig van;

gewezen, vroeger; wat werd gebruikt of

gediend heeft voor iets; wat door iemand

werd gebruikt of overgelaten, en zoo met

en m (uii) (hia\ B. kliek, klie-
C\J s Cd

ken; afgelegd en bv weggegeven kleeding
stuk; voorts SB. de plaats, waar iets voor-
viel, de plek, waar iets geschiedde: ook door-

*

gestaan hebben, pas doorgestaan hebben;
en van wege, door, tengevolge.

weduwe; ook ge-
scheiden vrouw.




76

. iemand met de twee handen,

r. van de maagstreek af naar beneden, strij-
#

kende den buik drukken.

geregeld, ordelijk, naar
belmoren, naar den regel. orde

stellen op iets; de noodige maatregelen
nemen en zorgen voor iemand of iets; zich
bekreunen om iets; zich laten gelegen
liggen aan iemand of iets.

regel, regeling, bereddering; geding,
twistgeding; manieren; vormen; omslag,
complimenten, complimenten maken. -
bij overheid of regter
een zaak aanhangig hebben, hetzij ais

klager, hetzij als aangeklaagde.

op iets orde stellen; iets regelen, in
orde brengen, beredderen; iemand voor-
zien van het noodige of van hetgeen
hem competeert; troepen voorzien van
de noodige bevelen en instructies.
arSioj)ongemanierd veel,
onbehoorlijk veel, bv. drinken.

t <£> asn % tg asn % \ van iemand die telkens
op zijn bevelen terugkomt, ze weer wijzigt,
tg cntgmaanm snpt \ onberedeneerd

geefsch, gek geefsch. zie



bij te)den boel in

orde brengen, regelen; en zoo ook: orde
op zijn zaken stellen.

II. buikloop hebben.

SC^rOe^ ^erd'

27'"/'' van de waren,

waarin men handelt en bv. mse rondgaat
langs de huizen, iets in ruil geven, ver-
ruilen voor iets anders, bv. levensmiddelen.
aS!on o ingeruild tegen het leven.

03? OA//^ W g'7{'}'2T een van bam-

boe gemaakt instrument, dat bij het

(CjMajvhp wordt gebruikt.

\ SB. wegglijden, wegvallen,

bv. van de kiezelsteenen van onder de voeten

van iemand, die op een hoop dergelijke steenen
klimt; afrollen, bv. van een gedeelte van
de aan een grooten hoop liggende kof ij, waar
iem. tegen oploopt. Ook volg. lig. eri K. zva.

dit laatste op Soemedang: bij het

zin eten van iets dat wrang of heel zuur is:
het water in den mond krijgen.

slobberig, slobberig
aan het lijf zitten van de kleeren of van een
kleedingstuk, bv. van de samping, omdat men
geen buikband om heeft; als een zak zitten;


77

n^rmi \\



ook: de ldeeren slobberig- aan het lijf die; Moor. Hollander.
hebben zitten. icj m am tui rujj \ scliepeling. 2 *>) m o
CrQjl instorten, inzakken; geheel mp iemand uit het gebergte, bergbe-
of gedeeltelijk ingestort van een berg, ook woner. hetz. ook Soendanees.
van een weg; vallen, naar beneden komen 11. Voorn. v. d. e. pervoon; men bezigt het
van een stuk van een berg. j beleefd sprekende tot een mindere: ik, mij,
van een weg: over een gedeelte bedolven onder mijn; ook den toegesprokene, een gelijke of
de stukken en brokken v. e. berg. Van mindere, insluitend: wij, wijlieden, ons,
een hoop of stapel pare bezigt men ook wel onze. Met behulp van soms met, soms
gewoonlijk echter Zie ook zonder bijvoeging (zie degrammj van tunaju^ S.
of (^(ioii\ hoffelijk sprekende, drukt men
vruchten, bv. nangka, ook bangsa dangdaoenan, zooals kool, salade, enz. zich ook voor stellender wij ze uit. Cd ckti w a^aSn SB. figuren snijden in hout
bereid met klapper. oerab of metaal; graveren, beeldhouwen.
maken. snijwerk, enz. (&ym(cpnfnxbeeld-
(UU) \ SB. in plaats van zooals dat behoort; in plaats van zooals behoorlijk snijder, iemand, wiens beroep het is figu- ren te snijden in metaal of hout, bv. kris-
zou zijn. gevesten te besnijden.
\ SB. mensch, iemand, de menschen, 9^ck^\ SB. krek, afgepast, afgemeten.
de lieden. oji(urh\ een, iemand, een Verg. tun oaji alleen maar,
mensch, individu; per man, per persoon. slechts; en zvn. als ozuhi voor dit
Qjia7jm\ de een de laatste in £uti\ ook wel. maar minder cn
ander. o-ji(ur~n\ M02rrt£itxm\ een goed: (mq^ even, precies, te nauwernood
een ander. dorpeling, en niet meer. nieten, fig. te
dessa bewoner. Kp-htaii^ iemand af- rade gaan met iets. iets waar-
komstig van het vaste land van In- o mee men de lengte, breedte of hoogte van




78

tv:) nsn o-

iets meet: maat, maatstok, meetroede. Verg.

cy



Jav. reukwerk. oji wp
bwierooken, iets met reukwerk berooken.

Verg. en

05^ 057} S. irym^ B. uitbraaksel, braken.

Verg. asn qttfni(htj\ S. vnru^

B. iets uitbraken.

asn {w (kn/f\ bij herhaling braken, al maar bra-
ken. a^asn^^anx spuwen als een reiger.
rtS} 057} 09 \ SB. algemeen bekend. Verg.

(EikiJr^ (HTizaziojgix (Kn^)(rL^(irnji\ (KmnJi cui/g en
lKri2^ihnlt^j1^ a^nsnmiyndthn/i^ bevelen van de
overheid, door afkondiging, algemeen bekend
maken. Verg. bij

(H£jf & CH^J!x & rond~

slenteren, ook: regts en links loopen,
rondloopen iemand of iets zoekende.

(Y} 2 x &B- hersenen. Verg. (uitruizw

O5Y} (KftJjX SB. OJ1 (T)asn(v}/I\ een,
asnMfl\ twee (stuks) tambang of raw.

een touw.

een rawe.

Q\ SB. iemand uitzen-

den om iets te doen, bv. om een brief te
brengen of om iemand aantezeggen dat hij

moet komen; enz. vpusryvibode, zen-
deling. zending, opdragt.

(13? 057} OJ} \ zie 6j=znsn o\

051 057} CE/} \ S. (^05ii(i\ B. zoo goed als
t maar kan wezen of als men maar
kan verlangen; best, voortreffelijk, vol-
maakt, in alle opzigten geschikt. (Skr.
oeltama.) (Kn(^nsn(EJi6^A(Ki/i\ S. osn xpnsn <&i
oaji(ht/i\ B. voortreffelijkheid, deugd; deugd-
zaam. a^osn (Eii/n 2 (kiji\ iemand, bv. een gast,
in alle opzigten voortreffelijk behandelen,
zoo behandelen, dat men met geen moge-
lijkheid meer zou kunnen verlangen;. een
zoo inrigten, dat ze in over-
eenstemming is met den staat van gever

en ontvanger,
o

051 057} CEJ} \ zie 'P nsn \\

051 (Kl 0/7} \ (Skr. oetsaha. P.) SB. bv. van een
sawah: de vrucht van iemands arbeid. Bg. K.

05^ (Kl \ zie w

O^(Kf^\ (Ar: jjw£.) het een tiende gedeelte,
dat vin een nalatenschap als proceskosten
moet worden betaald, wanneer de erfgenamen
het onderling niet eens kunnen worden, en de
hulp van den priester wordt ingeroepen.

(Kl zch verroeren, zich be-


npajpKinx

79

o

(C)OJ12 (UU)\
O-

wegen, een beweging maken; (Verg. of onder de bekoring en magt geraakt
ook: benaming van liet kind in den van een djoerig. <^(ui moederschoot, als de vrouw vijf maanden strijken met iets.
zwanger is. ia$2(E,i,ri verroeren, zich in het geheel niet bewe- hengelen; met den heng 1 visschen.
gen r^\ zie bij -w? (HTjjw-r- (ui 3g(m^\ van de keel: zeer doen,
a O O O O a m Ktu (m/j^azi2 azn q asn 2Mi2 m (ui i (bii \ poel. van binnen aangedaan zijn, zoodat men
voor het Opperwezen: Hij, die dag en nacht moeijelijk slikt. Verg. 8tqafn\ en zie
doet intreden. ook (81 \ zoomede (un>rSi\x
X dakSPar* ^er9 SB. saizoen, jaargetijde, moe-
o^ ^O5?7 (r^ (W) x Australi. 037 0JJ trui \ (Ar. oesalli, ik zal bidden. Jav. TVdbk.} zeggen: oesalli; bv. son; tijd, tijdstip, waarop iets kan plaats hebben of doorgaans plaats heeft; op een ,tij d, dat; tijdens. g o -jn rt? ?ao ? \
(i (iaui (m ojnrui (&}/}\\ saizoen.
03? (Kfl veeg, streek. cm (woji een heel klein beetje, een ziertje. de westmoeson, de regentijd. 071 (U) \ SR. oom, tante, en wel een oudere tr broeder of zuster van vader of moeder.
(cimnoo^)(u^p spreekw. voor: ik ben met Verg. asm een klein winstje tevreden. & m m/! \ 0S7 (3) \ SB. algemeene naam voor een soort
insgel. spreekwijs, en wel voor : een niet aardvruchten. liet zijn knolgewassen, en ze
noemenswaardig kleine winst hebben; ook worden gegeten.
'.9 voor', een oogtnblik rust van zijn kredi- dJi \ zie
teuren krijgen, door op vervaltijd te betalen 0£/ (LB\ SB. stukje of brokje papier. In
met nieuw geleend geld. (ujfJMuu^ strijken de distrikten Bjampang wetan en Bjampang
or^ iets. fn (ujgui ojiji\ ook verleid door koelon (Begentsch/p Tjiandjoer) zva. (88m\\


g u) (kv/j \

80



CH^J! (j ^(LJ) MTJ Vi

SB. een wapen, zooals een kris, zwaaijen.

V

(Ui \ . zie () w II-g o \ SB. de kaak.

slechts in: t^n^rm.irv^ voorvechter,
en in titel van een be-

ambte, belast met het toezigt op de
waterleidingen. Verg. en zie ook

het Jav. TVdbk. op zoomede bij P.

op hoeloe.

(VUi <> \ SB. een redewoord voor de verbie-
dende wijze van spreken. Zie de grumm.
tv(Kn\ zie bij aprui qumtMTJI'

laat staan; niet slechts, niet alleen....
niet. altrui en (^rw^:cn2m-StAnanri\

hetz.



O

(iUi ook(3^iiuio-nj!'' B.

spelen, zooals kinderen dat doen; voor zijn
pleizier iets doen, uitgaan of erqens heen-
gaan. mvdsv. (van meer als

een pers.) Verg. MnazpnjtQbn/p

of S. met als B.

ajinr}In(3.m(u of azi(uijp iets, waar-

mee men zich amuseert of speelt, iets
om mee te spelen, speelgoed. cti itri
MmMgnagMp waarlijk lieftallig.
Verg. onder w \\

\ kw. dienaar, onderdaan.

QfJ (VUl aaanb van een lekenlij vaM

(tbiasniHTjp in den vorm van koekjes.

Z'T SB. garen afwinden; aan

een vlieger schot geven.

(VUi (Ki fi \\ nruMH\ SB. zoeken, vor-

sclien naar iets, tot kennis en wetenschap;
iemands feilen en verkeerdheden zoeken te
weten te komen, uitvorsclien.

W (Jav. vlugt of rij-
zing in de hoogte.) groe-

ten, een groet (willende) wisselen met iem.,
zich groetend rigten tot iemand, zeggende:

irm <3^ruj ^ als een persoon: (3^(KAriji(z^^^.!njic~.(Kr^(EJij^\
vrede zij U, vrede zij ulieden; men groet
terug met dezelfde Arabische woorden en

zegt ZOO: 6^ru £~ (Kn ~jrui \ of d^Airvt

o _bou (Zie bij P. op 1g h 11 c 1--------------

*n de hoogte gaan, omhoog
gaan, ook, hoog staan van eeh vlieger;
van een pijl: tot opeen groote hoogte gaan-;
voorts hoog, heel hoog, van het vliegen van
een vogel; eindelijk, maar spottend, zva.

r

lang, lang opgeschoten.

(U^crm gelaat; iemands uiterlijk.


l.) TL) .15)1 ru 2 OSll \>

81



xyrui as^ 2 aswji \\ zva. m w

W rp^rL^i^(Ki/i\ SB.

0U1 2 05llfl \\

zTTyl

zonder samping, geen samping aan heb-
ben, zoo dat liet benedenlijf naalzt is.


niet besluiten kunnen om op te staan;
niet uit het bed kunnen komen. Verg.
nqiyi7y m mijoZi\ zoo mede

(^^OCUI (WJjjw KjniMp SB. hetgeen wordt
geioeven van tijd tot tijd bevochtigen met
water, opdat het digi (^o^ojypX zal wor-
den. rctaji ^anjpiets bestrijken, besmee-
ren met iets. MxyuM/p kwast, kwastje;
het kwastje, waarmee men ay.ru a^w

29-21 \ SB. kleur van het haar van een
dier, zooals een paard ; ook van gevederte?

verder, maar zeldzaam, voor lijkkleed; verg.
.i2y op\ ay\ een lijk bekleeden.

O .

arm (UU! \ -t*gru.Lw (spreek uit: aulija)
of ijiutu\ (Ar. het collect. meerv.

van Jav. wdbk.) gezaligde, gezalig-

den; heiiige, vriend van God. Rg. K.

/ . Cl ci a Cl o

il51) m (Hl t'(Yl£~.\ 0511 2 Zv) (M \ 0511 2 i:i(17K1

O o . O o . O Qv

05112 UI 0511 2 0511 2 OJl 2 \ 05tl2Ll3^(L1^12(Knip\ aMtk^OZl

;ru6^mn un '~>i i n (hi
// f o

o o Cl

,1o i, i o.o (Lj .-if? 1:1 \\ o:i tui om ?

1vj om y on ?\ <£i om % uil on^ Zoo zei een

hadji. Aant. K.)

(rui x wormpje, made.
crui ceji \ (Ar. ,) geleerde, buiten-

gemeen ge1 eerde goeroe.

(rui acn 2 zva. op rui q orn 2 (tnjp ZW bij

(U) (TUI ? \\

z

00 tru^ ncn irm \ zie bij

(127 (TUI \\ --- vy.rofdonp. SB. een omouiaji^\ -n

o n

ili(k/iji\ (uiosnom/p om iei-ui omui oyou/p of
derg. opligten, om hoog brengen volgens
de regelen der kunst; van daar dat men

ook wel eens moet vertalen: hanteren.
(mmriyoftuonjp mvdsv.

02^ \\ haar

pakken; iemand trekken aan het, om de
hand gewonden haar.

\ SB. loon; werkloon, maakloon.
oyo-uun onjp iemand loon geven, betalen,
voor door hem gepresteerden arbeid; iemand
bedarend toespreken, trachten neer te
zetten; een kind sussen of trachten te
SUSSen. oyaji^untuiirion^ S.

(UtSiMp R- zich zelf trachten neer te
zetten. zoo in een

sar (Geselt. van Abdoerahman en Abdoerahim,


82



v-3 S\3 V -3 N3 V,S V,S V,3

bl. 187j; maar betr, ctrn a^ia-rt^\
den kost zoeken te verdienen; aan den
kost trachten te komen. Verg. bij a^-r^w

(UJ^ (Sl <>\ SB. de bladscheede van den pinang-
palm o.a. om iets in te wikkelen,

wordt ze veel gebruikt.

O

(UI (Hl (Hl f) \ zie (c.) (ui (ci w

O/ *-
o

(UI (UI (Hl (Hl f) \ zie (co (ui tui m w

(^J/ "~

(UI (Ul 03 \ $. (D)(Di(U)tinnci/p B. {Skr. oepa-

tjara, bediening, bv. van betel. Jav. wdbk.)
voorrijder, voorrijders, tol staatsie.

(UI asriji \\ ay iDiam/p SB. zich over
iemand uitlaten; van iemand spreken, vooral

ongunstig; kwaad spreken,
rtj? x Holl. oppasser; SB. oppasser,

boodschapper, bode, door het Gouvernement

verstrekt aan een civiel ambtenaar.
os'

(UI Holl. officier.

o

(UI (UI \ zva. (K112 (c^iiw

(U1(UU1\ Skr. oepclja; {Jv. (DyDi(Dui\ vond,
list, middel; opsporen, zoeken). a^ajiccvix SB.
tot iemand zich wenden, opdat hij moge geven of
behulpzaam zij in het verkrijgen van iets, dat men

noodig heeft, bv. het offerdier voor een aSiiniHn^
ook: van iemand iets trachten op te loopen.

(U)JU1 (&1\ S. (^(diBi en (^(ui$nKi}i\ B. voor-
beeld, vergelijking {Skr. oepamd); ook met

(Dl (D)(U1 (Dl\ Of OJ^(UI(C1\ S. (Dl DJ (Dl (Dl \ Of

(ij^(dkSi\ of wel (ui dj tui (Sanp B. als hetz.
indien, bijaldien, gesteld dat, ingeval,
zoo. (&i6~&(uvi' iemand geven wat

hem toekomt, dwz. hem den ver schuldig den
eerbied en de noodige attenties bewijzen.
(dj(di(&nK"ii2(HTfl' S. (ci(ui(£i
of iets bij iets vergelijken; ook zva.

O O

(Di vmmaji 2 (kiji w

a

O(J(U) (&) \ Zie (D) (Dl ici x en hdi (D^ (in j w

\ SB. van hout: zacht, week, als eigen-
schap van de houtsoort; van kleeren en papier
verlegen, onsterk; het laatste ook van leer en:
niet sterk meer; van grond: zacht, niet
hard; van vleesch: week, zacht, malsch;
van geroosterde katjang, die men weekte
in warm water, waarin, zout werd opgelost
{(Sicgdcn(i^npj^\)^ zacht, week. Verg. \

n en

r 00

6^A(Dl~Jl(Kpgi\\

naar beneden gaan; van een terrein of weg:
dalen. dalend gedeelte van

een terrein of weg een pad dat daalt.
Verg. (isr^(Di^j^^/J^ en (ai (bn nni'a-nj w


83

,q 10 ani i w

x

~



\ SB. losgaan, los, bv. van een cfrhijx

van een touw dat vastgemaakt was, enz.
ook jets losmaken, bv. liet

touw, dat ergens omheen zit, de cfncrijx

(liaanvrong], den, bv. in een zakdoek of
karembong gelegden knoop, enz. ook: door
een politiedienaar: het bouw, dat hij, om
iemand te binden, om zijn middel gewonden,

met zich voert.

S . CY

(in tiJi am (VJi \ zie ,177? now

s

S O o

zie 011 m \ en mi mi ing} w

s^reeP? zooals op gestreept

goed of op een deken.

(LJJ ?x^\ SB. purgeermid-

del, purgatie.

O

ftS? (bJJ (n^Jjx zie tru/pb

B. miskraam,

een miskraam hebben. Verg. g<*p}r>n
2 Ti F S. ogjitQtuyi' en rni<^(^Mijj\ B.
rooken; ook wel met m3mi-jiw/p B.voor:
inlandsche sigaar 5 en in plaats van:
y)^^2(hif^\ S. £?x> (ui-£??(H1JJ\ B. de ingre-
dinten voor een inlandsche sigaar. mm
..pa^wan/p duur vail tijd, gelijk aan den

. tijd, benoodigd voor het rooken van een
oedoed. sigarenpijpje.

{vjajicm/jw (ziiciariip SB. iemand of een
dier nazitten, vervolgen; ook: zich schik-
ken of voegen met den prijs, waartegen
men iets verkoopt, naar den prijs, waartegen
een ander dat artikel verkoopt; zich, met
een bod op een artikel, regelen, schikken
of voegen naar den prijs van dat artikel,
elders. mjMommio^\ iemand of een dier
in alle rigtingen nazitten of vervolgen.

0S7 OJJ \ Zie Ml 2 Ml 2 (Cl 2 \\

ftS? (l£? \\ SB. goud of zilver toets-n.

.17 (isr^ g iS \toetssteen. Bg. mn x?§ xw (ht/j \

lietz.

(Jav. mi^y ligging in de lengte; de
lengte van iets; rij.) mi2c^^^^im(c^(h^hi\
zie bij mn/rciw in ^en^e

ergens liggen; van een huis: liggen of
staan aan den weg of aan de rivier, dwz.
z, dat het met de lengte ligt in de rigting
van weg of rivier. mj> .177' van een drij-
venden boom of derg. in de lengte in den
stroom liggen. i^t^xt? met de

lengte liggen in de rigting van west naar
oost. ^an handeldrijven: met voordeel,

met winst. het geheele
lichaam. - ?.y^mijn geheele lichaam,




84

IC)
mijn geheele persoon. ^asnjf\ ook niet het allerminste
ongffO(j_y.otf rade te gaan met zijn krachten; id. met mop een soort van schermen met rottin-
hetgeen past. gen; batonneren.
(C? &esch van Abdoeraliman SB. zout. (cjiaj)^(un(hnji\ zouten;
en Abdoerahim, bl. 65. maar men ,zal ook in iets zout doen.
daar wel moeten lezen: dit C? (UL^ (Lm \ toch, met den nadruk,
laatste: SB. zoo maar zonder boe of ba; bv. zooals in: toch bleef hij in Hieven;
zonder het allerminste te zeggen, zoo bij slot van rekening.
maar dadelijk; direct, terstond, plomp z^e
verloren. kij teugen
/. SS. met overmatig zelf- drinken, slurpende drinken, slurpen.
vertrouwen; zwetsen, snoeven, pochen ; mvdsv. soep eten.
ook, met i^a^nrn//(3^Aa^t(Kix als hetz.; terwijl x overa-l tas-
men nog geen zekerheid heeft of het bewijs ten en voelen; rondgaan, overal tastende
nog moet voorden geleverd, in zijn hart of en voelende, zooals men doet, als men, bv.
bij zich zelf reeds als zeker aannemen in een kamer, iets zoekt op, onder of achter
dat iets het geval is. ver- het huisraad, ook: aan iets {een veelheid
waand.11. SB. de bedoeling van zaken) met de handen zitten. Verg.
o O van een mmmuw (EJi ~ji \\
/ (U? (1& \ SB. betiteling voor een knaap van aan- (C? (UU) SB. iets, bv. kapoek
' zienlijke afkomst; ook: vriendelijk of liefko- om ze van de pitten {ten minste gedeeltelijk)
zend naampje voor een knaap. of gras om het te ontdoen van zand en derg.
punt. a>7 is geen haar verschil. leven; oud; ouderdom; den ouderdom heb-


zq ze-j .wwiKV/l \

85

£g?^'

^3 ^3 S\3 V -S -5

ben van. (Ar. oji ip le vens-

lang. zoo lang ik leef.

X . (?) X

m ap \ zie s^ g* w (tn
zie bij

CE/) Z^' lK2/Mx

CE/) CiSY)jj\ menscli als soort van wezen,

schepsel, dat men menscli noemt; belij-
der van (den godsdienst gesticht door) den

>

profeet. (Ar. &xi V

(^a x zie GAAuwp cm/pk

CE/) ^J) cru^ \ SB. golfslag, gekabbel.
\ (Ar. het algemeen zijn,

algemeenheid. Jav. Wdbk.) algemeen ge-
bruikelijk; ook bv. van iemands kleeren:
niet anders zijn, dezelfde zijn (dw. z. van
dezelfde soort stof en evnzoo gemaakt zijn) als
die van zijn batoer. ook zva.

oai trtip \\

(^av- ls vriJ*)

den vrijen teugel vieren aan bv. zijn toorn.
een kind, zonder kindermeid of iemand an-
ders^ die er op past, laten loopen en spe-
len, waar het wil.

rtS? gj 09 \ ong. (Skr. ambara, het luchtruim, de
dampkring. Jav. Wdbk) eigen beweging of omdat men er geplaatst is,

geruimen tijd verblijven of zich ophouden
ergens, buiten het land, de streek of de plaats,
waar men te huis behoort; op avontuur
gaan naar een vreemde plaats; ergens
als vreemdeling wonen.

plaats van Verg.

CO her hgtekooi, straathoer,

^co^' oembal zijn, aan de kost zoeken
te komen door een ontuchtig leven.

passagegeld, vracht.
pakpaard, lastpaard.

0S7 (EJ) (YU) f) \ 2ie 'u rL 'L7 *

Ut f

Cd CE/) (EU) f) \ SB. titel van een bij de reor-
f.Cqj Ut

ganisatie van de Breanger af geschaft beambte,
wiens werk het was, de door den regent of
namens dezen door den patili gegeven beve-
len over te brengen aan de distriktslioofden.

heele lange wimpel, han-
gende aan een in den grond gestoken en
naar boven toe als een boog gekromden, lan-

gen stok.

Cd CE/) (Ui/) f) (§ ^/K CE/) (LfU) f) \ zie Ga&i&i ajuinw

^co ! co ! ca u

Ov /

Cd CE/) \ zie m (en \ II.

^co

<77? \\ ejimx SB. een gestolen buffel,
paard of rund, om het dier aan de nasporin-
gen te onttrekken, in het bosch aan een